← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070507.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070507.2 Rolnummer: C.06.0412.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-07-17 Raadplegingen: 224 - laatst gezien 2026-07-03 06:41 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het bewijs dat de moeder, die de erkenning van haar minderjarig niet-ontvoogd kind betwist, dient te leveren, dat haar toestemming gebrekkig was, laat haar vervolgens toe het bewijs te leveren dat de erkenner niet de vader is van het kind doch volstaat op zichzelf niet om de erkenning nietig te laten verklaren

(1).
(1)Zie: A. Heyvaert en R. Vancraenenbroeck, Art. comm. Personen- en familierecht, Kluwer, 1997, art. 330-9, nr. 12; G. Verschelden, APR, tw. Afstamming, p. 577-579, nrs. 1043-1044 en p.584, nr.
  1. Thesaurus CAS: AFSTAMMING UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - AFSTAMMING - Biologische afstamming - Vaststelling vaderschap Vrije woorden: Minderjarige niet-ontvoogd kind - Erkenning - Betwisting door de moeder - Toestemming van de moeder - Wilsgebrek - Bewijs - Gevolg Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 319, § 3 en 330 Tekst van de beslissing Nr. C.06.0412.N G. A., eiseres, toegelaten tot het voordeel van de kosteloze rechtspleging bij beslissing van het bureau voor rechtsbijstand van het Hof van 18 juli 2006, nr. G.06.0072.N. vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Loksumstraat 25, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen F. M., verweerder, in aanwezigheid van BEER Stephan, advocaat, in zijn hoedanigheid van voogd ad hoc van F.K., kantoor houdende te 3500 Hasselt, Leopoldplein 29, bus 2, partij opgeroepen tot bindendverklaring van het arrest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 5 april 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. De zaak is bij beschikking van de voorzitter van 20 april 2007 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 319, §3, en 330 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het Hof van Beroep doet het bestreden vonnis van de rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt van 21 september 2004 teniet in zoverre dit over eiseres' vordering tot nietigverklaring van de erkenning op 9 juli 1998, door de verweerder, van haar minderjarig kind K., geboren op 27 juni 1998, oordeelde dat het bewijs van het wilsgebrek volstond om de erkenning te vernietigen, onder meer op grond van volgende overwegingen: ¿1.1 De huidige afstammingswetgeving streeft ernaar de biologische waarheid zo veel mogelijk te benaderen, zij het met in acht name van de rust in de wettige gezinnen. Artikel 330 van het Burgerlijk Wetboek voorziet dan ook uitdrukkelijk dat een erkenning door iedere belanghebbende kan worden betwist, dat de erkenning wordt tenietgedaan indien door alle wettelijke middelen wordt bewezen dat de erkenner niet de vader of de moeder is, maar ook dat het verzoek dient afgewezen te worden indien het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de erkenner. (¿) 1.6 De twee paragrafen van artikel 330 van het Burgerlijk Wetboek, dienen bovendien samen gelezen te worden, zodat het bewijs van het wilsgebrek door diegene die ingestemd heeft met de erkenning op zichzelf niet volstaat om de erkenning nietig te verklaren. De gegrondheid van deze vordering vereist, overeenkomstig artikel 330, §2, van het Burgerlijk Wetboek, het bewijs van het niet-vaderschap (¿). 2.1 In het bestreden vonnis oordeelde de eerste rechter zeer terecht dat uit de samenlezing van de getuigenverklaringen, op 20 oktober 2003 afgelegd in het kader van het bij tussenvonnis bevolen getuigenverhoor en de door (de verweerder) op 5 december 1998 geschreven verklaring, ten genoegen van recht blijkt dat (de eiseres) haar toestemming tot de erkenning van het kind slechts verleend heeft onder druk van fysiek en psychisch geweld. (¿) 3.1 Ten onrechte stelt de eerste rechter in het bestreden vonnis evenwel dat het bewijs van het gebrek in de toestemming volstaat om de vordering gegrond te verklaren. Zoals eerder uiteengezet (zie punt 1.6) dient, om de vordering gegrond te kunnen verklaren, het bewijs geleverd te worden van het niet-vaderschap van de erkenner¿. Grieven 1.
  2. Artikel 330, §1, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt onder meer dat de erkenning door iedere belanghebbende kan worden betwist, terwijl de erkenner en zij die de door artikel 319 vereiste voorafgaande toestemmingen hebben gegeven, alleen gerechtigd zijn de erkenning te betwisten, indien zij bewijzen, dat aan hun toestemming een gebrek kleefde. Artikel 319, §3, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat indien het kind minderjarig en niet ontvoogd is, de erkenning alleen ontvankelijk is mits de moeder vooraf toestemt. Ten aanzien van de moeder die haar toestemming gaf volstaat bijgevolg het bewijs van een wilsgebrek - dat tot gevolg heeft dat de gegeven toestemming nietig en zonder gevolg blijft - om de erkenning nietig te laten verklaren. Het bestaan van de biogenetische band verleent, overeenkomstig artikel 319, §2, 3 en 4, van het Burgerlijk Wetboek, overigens niet automatisch een recht op erkenning. 1.2 Te dezen stellen de appelrechters uitdrukkelijk vast dat uit de samenlezing van de getuigenverklaringen van 20 oktober 2003 en de door de verweerder op 5 december 1998 geschreven verklaring, ten genoege van recht blijkt dat de eiseres ¿haar toestemming tot de erkenning van het kind slechts verleend heeft onder druk van fysiek en psychisch geweld¿ (arrest, nr. 2.1). Aldus volgt uit dit alles dan ook dat de appelrechters hun beslissing om het hoger beroep van de verweerders gegrond te verklaren en het bestreden vonnis teniet te doen in zoverre dit had geoordeeld dat het bewijs van het wilsgebrek volstond om de erkenning te vernietigen, niet naar recht hebben verantwoord (schending van de artikelen 319, §3, eerste lid, en 330 van het Burgerlijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  3. Luidens artikel 319, §3, van het Burgerlijk Wetboek, is de erkenning van een minderjarig kind dat niet ontvoogd is, alleen ontvankelijk mits de moeder vooraf daarin toestemt. Artikel 330, §1, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, bepaalt dat de erkenning door iedere belanghebbende kan worden betwist en dat de erkenner of zij die de voorafgaande toestemming dienden te geven zoals onder meer bedoeld in artikel 319, §3, alleen gerechtigd zijn de erkenning te betwisten, indien zij het bewijs leveren dat aan hun toestemming een gebrek kleefde.
  4. Uit deze bepalingen volgt dat de moeder die de erkenning van haar minderjarig niet-ontvoogd kind betwist, het bewijs dient te leveren dat haar toestemming gebrekkig was en dat dit wilsgebrek de moeder vervolgens toelaat het bewijs te leveren dat de erkenner niet de vader is van het kind. Het bewijs van het wilsgebrek volstaat op zichzelf niet om de erkenning nietig te laten verklaren.
  5. Het middel dat ervan uitgaat dat het bewijs door de moeder van het wilsgebrek in haar toestemming tot de erkenning, zonder meer de nietigheid van de erkenning tot gevolg heeft, faalt naar recht.
  6. Gelet op de verwerping van het cassatieberoep heeft de vordering tot bindendverklaring geen bestaansreden meer. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep en de vordering tot bindendverklaring. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van 360,00 euro, in debet, jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Alain Smetryns en Koen Mestdagh en in openbare terechtzitting van zeven mei tweeduizend en zeven uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070507.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.