← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070508.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070508.1 Rolnummer: P.07.0002.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-07-17 Raadplegingen: 265 - laatst gezien 2026-07-03 06:40 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Ofschoon dienstverlening zelf niet behoort tot de zaken die het voorwerp van oplichting kunnen uitmaken, kan een verbintenis tot dienstverlening het voorwerp van oplichting uitmaken. Thesaurus CAS: OPLICHTING UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Geldigheidsvereisten overeenkomst - Toestemming - Bedrog Vrije woorden: Voorwerp van het misdrijf - Verbintenis tot dienstverlening Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 496 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 2 Bij de oplichting met een verbintenis tot dienstverlening als voorwerp, kan de schade bestaan in de tegenwaarde van de prestaties en materialen die in uitvoering van de verbintenis werden geleverd, alsmede in de kosten die de benadeelde noodzakelijk moest dragen voor het ondernemen van een redelijke poging om de vergoeding te verkrijgen van de geleverde prestaties en materialen. Thesaurus CAS: OPLICHTING UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Geldigheidsvereisten overeenkomst - Toestemming - Bedrog Vrije woorden: Verbintenis tot dienstverlening - Schade door het misdrijf veroorzaakt - Bestanddelen Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 496 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Artt. 3 en 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Tekst van de beslissing Nr. P.07.0002.N R. J. P. T., beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar de eiser woonplaats kiest, tegen G. D. C., burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer, van 28 november

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  2. Ofschoon dienstverlening zelf niet behoort tot de zaken opgesomd in artikel 496 Strafwetboek die het voorwerp van oplichting kunnen uitmaken, kan, anders dan het onderdeel aanvoert, een verbintenis tot dienstverlening het voorwerp van oplichting uitmaken. Het onderdeel faalt naar recht. Tweede onderdeel
  3. Het bestreden arrest overweegt: ¿Anderzijds staat naar het oordeel van het [hof van beroep] wél vast dat de [eiser] bij het zich op 6 februari 1999 doen afgeven van de verbintenis van de [verweerder] listige kunstgrepen heeft aangewend om te doen geloven aan het bestaan van een denkbeeldig krediet, of minstens misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen van de voornoemde burgerlijke partij, meer bepaald door het laten uitschijnen aan de voornoemde burgerlijke partij dat hij zinnens was diens facturen te betalen, en dat hij ook in staat was om ze te betalen, terwijl hij zich volkomen georganiseerd had om dit niet te doen en ook van plan was dit (na verloop van tijd) niet te doen¿. Het bestreden arrest beschouwt dus de feitelijke gedragingen van de eiser als listige kunstgrepen, minstens als een andere wijze van misbruik van het vertrouwen. Het onderdeel dat enkel kritiek uitoefent op de overweging betreffende de listige kunstgrepen maar niet op de overweging betreffende de andere wijze van misbruik van vertrouwen, kan niet tot cassatie leiden en is mitsdien niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  4. Het bestreden arrest spreekt de eiser vrij van het vroegere feit van oplichting omschreven onder de tenlastelegging B.1 omdat het niet uitgesloten is dat hij op dat ogenblik nog te goeder trouw handelde en daadwerkelijk de bedoeling had ook zijn contractuele verplichtingen ten aanzien van de begunstigde van die verbintenis uit te voeren, en verklaart hem schuldig aan het latere feit van oplichting omschreven in de tenlastelegging B.2 door te verwijzen naar zijn foutieve gedragingen om achteraf aan de gevolgen van zijn eerste verbintenis te ontkomen, waaruit het eisers bedrieglijk opzet bij het feit van de tenlastelegging B.2 afleidt. Het Hof ontwaart in die motiveringen geen tegenstrijdigheid. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede middel
  5. Hetzelfde misdadig opzet van artikel 65, eerste lid, Strafwetboek refereert aan de bedoeling, het voornemen of het plan. Het is de feitenrechter die onaantastbaar oordeelt over de feiten waaruit hij al of niet hetzelfde misdadig opzet afleidt. Wel behoort het aan het Hof om na te gaan of de rechter uit de onaantastbaar vastgestelde feiten het al dan niet bestaan van eenzelfde misdadig opzet wettig heeft kunnen afleiden.
  6. Het bestreden arrest oordeelt dat de eiser zich door feiten omschreven onder de tenlasteleggingen A.1, A.2, A.3, A.4 en A.6 bedrieglijk onvermogend heeft gemaakt om het onderhoudsgeld waartoe hij veroordeeld was, niet te betalen. Het bestreden arrest oordeelt anderzijds dat de eiser de oplichting omschreven onder de tenlastelegging B.2 ten nadele van een bedrijf van tuinonderhoud heeft gepleegd ¿meer bepaald door het laten uitschijnen aan [de verweerder] dat hij zinnens was diens facturen te betalen, en dat hij ook in staat was om ze te betalen, terwijl hij zich volkomen georganiseerd had om dit niet te doen en ook van plan was dit (na verloop van tijd) niet te doen¿. Vervolgens oordeelt het bestreden arrest: ¿Het [hof van beroep] stelt vast dat de in hoofde van de [eiser] bewezen tenlasteleggingen A.1, A.2, A.3, A4, A.6 - tenlasteleggingen zoals hoger in onderhavig arrest naar omschrijving verbeterd - de uitwerking zijn van éénzelfde misdadig opzet, zodat voor ze samen in toepassing van artikel 65 van het Strafwetboek slechts één bestraffing dient te worden opgelegd. Het feit voorwerp van de tenlastelegging B.2 in hoofde van de [eiser], dat specifiek gericht was tegen de [verweerder] en zich onderscheidt van het systeem van de [eiser] om zich onvermogend te maken, valt niet binnen hetzelfde opzet, en wordt derhalve door het [hof van beroep] afzonderlijk bestraft¿. Uit deze feitelijke gegevens kon het bestreden arrest wettig afleiden dat de feiten A.1, A.2, A.3, A.4 en A.6 en het feit B.2 het gevolg waren van een ander misdadig opzet. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel
  7. Artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering maakt de strafrechter die kennisneemt van de strafvordering, bevoegd om kennis te nemen van de burgerlijke rechtsvordering uit een misdrijf die tezelfdertijd voor hem wordt uitgeoefend. Die burgerlijke rechtsvordering uit een misdrijf omvat de vergoeding van alle schade die rechtstreeks door het misdrijf werd veroorzaakt.
  8. Bij de oplichting met een verbintenis tot dienstverlening als voorwerp, kan de schade bestaan in de tegenwaarde van de prestaties en materialen die in uitvoering van de verbintenis werden geleverd, alsmede in de kosten die de benadeelde noodzakelijk moest dragen voor het ondernemen van een redelijke poging om de vergoeding te verkrijgen van de geleverde prestaties en materialen. Anders dan het middel aanvoert, verantwoordt het bestreden arrest zijn beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek van beslissing op de strafvordering
  9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 113,55 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare terechtzitting van 8 mei 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070508.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.