id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070508.2 Rolnummer: P.07.0129.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2007-07-17 Raadplegingen: 599 - laatst gezien 2026-07-04 02:25 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De strafrechter moet de regelmatigheid van het in het buitenland verkregen bewijs toetsen door concreet na te gaan of de vreemde wet het gebruikte middel toelaat, of dat bewijsmiddel niet strijdig is met de Belgische openbare orde die ook wordt bepaald door de internationale en supranationale rechtsnormen die rechtstreeks van toepassing zijn in de interne rechtsorde, en of het bewijs overeenkomstig het vreemde recht is verkregen; de rechter moet daarbij niet specifiek nagaan of de buitenlandse interne regelgeving conform is met artikel 6 E.V.R.M.
(1).
(1)Cass., 6 april 2005, AR P.05.0218.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050406.1, nr. 206 met conclusie van a.-gen. LOOP. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEWIJS (STRAFRECHT) Vrije woorden: Bewijs verkregen in het buitenland - Regelmatigheid - Toetsing - Criteria Fiches 2 - 3 Bij gebrek aan daartoe strekkende conclusie moet de rechter niet motiveren waarom hij het in het buitenland verkregen bewijs regelmatig oordeelt
(1).
(1)Zie Cass., 13 maart 2002, AR P.01.1765.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020313.13, nr.
- Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEWIJS (STRAFRECHT) Vrije woorden: Bewijs verkregen in het buitenland - Toetsing - Grenzen Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEWIJS (STRAFRECHT) Vrije woorden: Bewijsvoering - Bewijs verkregen in het buitenland - Toetsing - Grenzen Tekst van de beslissing Nr. P.07.0129.N I S. E., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Thomas Gillis, advocaat bij de balie te Gent, ter rechtszitting bijgestaan door mr. Christophe Van Herck, advocaat bij de balie te Brussel, voor mr. Thomas Gillis. II I. Y., beklaagde, aangehouden, met als raadsman mr. Walter van Steenbrugge, advocaat bij de balie te Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer, van 19 december
- De eiser I voert in een memorie een middel aan. De eiser II voert in een memorie drie middelen aan. Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel van de eiser I
- Het middel gaat ervan uit dat reeds vóór het verlenen van de vereiste machtiging tot observatie en infiltratie, een Britse vertrouwenspersoon middels een bijzondere opsporingsmethode in België handelingen heeft verricht die betrekking hadden op het sluiten van een heroïnedeal. Het middel verplicht het Hof tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is of komt op tegen de onaantastbare beoordeling van het arrest dat de vertrouwenspersoon geen actieve handelingen gesteld heeft die in verband kunnen worden gebracht met het tot stand brengen van een drughandel. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
- Met de redenen die het arrest (blz. 13 tot 15) vermeldt, oordeelt het dat geen bewijs door middel van een onrechtmatige bijzondere opsporingsmethode werd verkregen en dat het bewijs op volstrekt wettige wijze is verkregen. Aldus beantwoordt het arrest eisers verweer dat het onrechtmatig bewijs dient te worden uitgesloten. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Eerste middel van de eiser II Eerste onderdeel
- In zoverre het ervan uitgaat dat er provocatie is geweest als bedoeld in artikel 30 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, verplicht het onderdeel het Hof tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.
- Provocatie als bedoeld in artikel 30 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering wordt niet vermoed. Wanneer de beklaagde aanvoert dat er provocatie is, kan de rechter op grond van de feitelijke gegevens die hij vaststelt, oordelen dat de ten laste gelegde feiten al dan niet werden uitgelokt. Op grond van de feitelijke gegevens die het met eigen redenen en met de overgenomen redenen van het beroepen vonnis vaststelt, oordeelt het arrest dat er van politionele provocatie geen sprake kan zijn. Aldus oordeelt het arrest onaantastbaar dat er geen provocatie is en is de beslissing naar recht verantwoord en regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Ten slotte preciseert het onderdeel niet hoe en waardoor het oordeel met opgave van redenen van het arrest dat de Britse verbindingsofficier ter rechtszitting niet diende te worden verhoord, onwettig is. In zoverre is het onderdeel onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Uit de stukken van de rechtspleging blijkt niet dat de eiser overeenkomstig artikel 189ter Wetboek van Strafvordering de appelrechters heeft gevraagd om de kamer van inbeschuldigingstelling te gelasten met toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering controle uit te oefenen over de bijzondere opsporingsmethode informantenwerking. Het arrest doet evenmin uitspraak met toepassing van dit wetsartikel.
- In zoverre het onderdeel aanvoert dat artikel 235ter Wetboek van Strafvordering artikel 6 EVRM en de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, is het nieuw en bijgevolg niet ontvankelijk.
- Daar het middel niet ontvankelijk is op grond van redenen vreemd aan de wetsbepaling die het voorwerp is van de voorgestelde prejudiciële vraag, hoeft het Hof deze niet te stellen. Derde onderdeel
- Uit de stukken van de rechtspleging blijkt niet dat de eiser het hof van beroep gevraagd heeft een onderzoek te doen naar de wijze waarop de Britse autoriteiten reeds vóór het opstarten van het onderzoek in België over informatie beschikten en naar de aangewende onderzoekstechnieken daartoe. In zoverre de eiser aanvoert dat het arrest daarop niet antwoordt is het onderdeel nieuw, bijgevolg niet ontvankelijk.
- De strafrechter moet de regelmatigheid van het in het buitenland verkregen bewijs toetsen door na te gaan of: - de vreemde wet het gebruikte middel toelaat; - dat bewijsmiddel niet strijdig is met de Belgische openbare orde, die ook wordt bepaald door de internationale en supranationale rechtsnormen die rechtstreeks van toepassing zijn in de interne rechtsorde; - het bewijs overeenkomstig het vreemde recht is verkregen. Hieruit volgt dat de strafrechter concreet moet nagaan of het in het buitenland verkregen bewijs aan deze vereisten voldoet, maar niet specifiek moet nagaan of de buitenlandse interne regelgeving conform is met artikel 6 EVRM.
- Bij gebrek aan daartoe strekkende conclusie moet de rechter evenmin motiveren waarom hij het in het buitenland verkregen bewijs regelmatig oordeelt.
- Het arrest oordeelt: ¿Zelfs wanneer de oorspronkelijke basisinformatie via een bijzondere opsporingstechniek zou zijn gekregen, dan nog zijn thans in het huidig wettelijk Britse systeem een aantal maatregelen ingebouwd die de rechten van de verdediging waarborgen. Het komt het hof van beroep niet toe de interne regelgeving van het Verenigd Koninkrijk te toetsen aan de conformiteit met artikel 6 EVRM¿.
- Aldus is de beslissing, bij gebrek aan conclusie van eiser over de verenigbaarheid van het in het Verenigd Koninkrijk verkregen bewijs met artikel 6 EVRM, naar recht verantwoord en regelmatig met redenen omkleed. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser II
- In zoverre het aanvoert dat een vertrouwenspersoon werkte op bevel van de Britse autoriteit en niet van de Belgische autoriteit en dat geopereerd werd door een buitenlandse informant of infiltrant, verplicht het middel het Hof tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
- Voor het overige oordeelt het arrest niet enkel zoals in het middel vermeld. Het oordeelt ook dat er nergens sprake is dat er door de vertrouwenspersoon actieve handelingen gesteld zijn die in verband kunnen gebracht worden met het tot stand brengen van een drughandel en dat eisers aanvoeringen met betrekking tot onrechtmatig via het buitenland verkregen bewijs eenzijdige insinuaties zijn die geen steun vinden in het dossier en dat zelfs wanneer de oorspronkelijke basisinformatie via een bijzondere opsporingstechniek zou zijn verkregen, dan nog zijn in het huidig wettelijk Britse systeem een aantal maatregelen ingebouwd die de rechten van verdediging waarborgen. In zoverre berust het middel op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. Derde middel van de eiser II
- Het cassatieberoep is niet gericht tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling waarbij met toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering uitspraak is gedaan. Het middel dat niet opkomt tegen het bestreden arrest, is niet ontvankelijk.
- Daar het middel niet ontvankelijk is op grond van een reden vreemd aan de wetsbepaling die het voorwerp uitmaakt van de voorgestelde prejudiciële vraag, moet deze niet gesteld worden. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep. Begroot de kosten in het geheel op 146,55 euro waarvan de eiser I 73,27 euro verschuldigd is en de eiser II 73,28 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare terechtzitting van 8 mei 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070508.2 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020313.13 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050406.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div