id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070515.3 Rolnummer: P.07.0047.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-07-17 Raadplegingen: 631 - laatst gezien 2026-07-04 01:45 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Een burgerlijke partij kan slechts opkomen tegen de beslissing waarbij de strafvordering, ingesteld door de vordering van het openbaar ministerie niet ontvankelijk wordt verklaard, voor zover zijzelf regelmatig in hoedanigheid van burgerlijke partij kan optreden, en zij daartoe het vereiste belang vertoont
(1)
(1)Cass., 21 sept. 1999, AR P.99.0743.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990921.9, nr. 475. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld - Strafvordering - Burgerlijke partij UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in het belang van de wet GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Algemeen BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Eed - Beslissende eed Vrije woorden: Burgerlijke partijstelling voor de onderzoeksrechter - Regelmatigheid Fiches 2 - 3 De artikelen 1357, 1° en 1363 Burgerlijk Wetboek houden in dat wanneer een partij de beslissende eed aan de andere partij opdraagt of deze laatste de eed aan eerstgenoemde terugwijst, de civielrechtelijke betwisting omtrent het rechtsfeit waarvan het bestaan ontkend werd, definitief en onherroepelijk een einde neemt en de tegenpartij van deze die de eed heeft afgelegd, dat feit om welke redenen ook niet meer opnieuw voor welk gerecht ook ter sprake kan brengen; hieruit volgt dat ongeacht het recht van het openbaar ministerie om de strafvordering in te stellen wegens valse gedingbeslissende eed, geen schadevergoeding wegens dit feit kan worden gevorderd bij wijze van burgerlijke partijstelling
(1).
(1)Cass., 22 nov. 2005, AR P.05.0944.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051122.9, nr. 615, met concl. proc.-gen. DE SWAEF. Thesaurus CAS: EED UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in het belang van de wet GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Algemeen BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Eed - Beslissende eed Vrije woorden: Beslissende eed - Valse gedingbeslissende eed - Vordering tot schadevergoeding Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in het belang van de wet GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Algemeen BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Eed - Beslissende eed Vrije woorden: Valse gedingbeslissende eed - Vordering tot schadevergoeding Fiche 4 Wanneer het cassatieberoep van de eiser tot cassatie als niet ontvankelijk wordt verworpen, omdat hij het vereiste belang ontbeert om cassatieberoep te kunnen instellen, vernietigt het Hof, op vordering van de procureur-generaal, in het belang van de wet en derhalve zonder verwijzing, het arrest dat niet wettig beslist dat het hof van beroep niet bevoegd is om kennis te nemen van een zaak omdat hetzelfde strafbaar feit ten laste van dezelfde persoon een tweede maal verwezen werd door de raadkamer, terwijl de eerste verwijzingsbeschikking deel uitmaakt van een rechtspleging die in haar geheel ontoelaatbaar is omdat zij enkel gestoeld is op een ontoelaatbare burgerlijke partijstelling
(1).
(1)Zie Cass., 15 mei 2001, AR P.01.0013.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010515.10, nr. 284 met concl. O.M.. Thesaurus CAS: CASSATIE - VORDERINGEN TOT VERNIETIGING. CASSATIEBEROEP IN HET BELANG VAN DE WET UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in het belang van de wet GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Algemeen BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Eed - Beslissende eed Vrije woorden: Beslissing waarbij het hof van beroep zich onbevoegd verklaart - Onbevoegdheid gestoeld op het bestaan van twee verwijzingsbeschikkingen voor hetzelfde feit - Ontoelaatbare burgerlijke partijstelling - Ontoelaatbare eerste verwijzingsbeschikking - Onontvankelijk cassatieberoep van een procespartij - Cassatieberoep van de procureur-generaal bij het Hof - Cassatie in het belang van de wet en zonder verwijzing Tekst van de beslissing Nr. P.07.0047.N I
- R. J. L. V., burgerlijke partij,
- R. A. M. J., burgerlijke partij, eisers, met als raadslieden mrs. Ivan en Marc Snick, advocaten bij de balie te Ieper, en mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie te Brugge, tegen S. A. S. L., beklaagde, verweerster. II PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN CASSATIE, eiser tot cassatie in het belang van de wet. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer, van 5 december
- De eisers I voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. VERZOEKSCHRIFT De eiser II voert in een verzoekschrift de navolgende redenen aan. Dit verzoekschrift luidt als volgt: ¿De ondergetekende procureur-generaal heeft de eer aan het Hof, in het belang van de wet en overeenkomstig artikel 442 Wetboek van Strafvordering, kennis te geven van het arrest, op 5 december 2006 gewezen door het hof van beroep te Gent, inzake R. V. en R. J., burgerlijke partijen tegen S. L., beklaagde. Het cassatieberoep van R. V. en R. J., thans tevens eisers tot cassatie, is niet ontvankelijk. Door de uit te spreken verwerping van bedoeld cassatieberoep kan door de partijen niet meer rechtsgeldig opgekomen worden tegen het aangegeven arrest. R. V. en R. J. waren betrokken in een burgerlijke procedure, waarbij zij een geldsom terugvorderden van S. L. en haar echtgenoot J. D.. In deze procedure werd aan S. L. en J. D. een gedingbeslissende eed opgelegd bij vonnis van 3 december 1998 van de vrederechter van het tweede kanton te Oostende. S. L. legde deze eed af op 5 januari
- J. D., overleden op 5 mei 1999, legde de eed af op 22 februari
- Op 26 mei 1999 legden R. V. en R. J. klacht met burgerlijke partijstelling neer bij de onderzoeksrechter te Brugge wegens het afleggen van een valse eed in burgerlijke zaken in toepassing van artikel 226 Strafwetboek. Deze klacht met burgerlijke partijstelling werd op 26 mei 1999 door de onderzoeksrechter toegezonden aan de procureur des Konings te Brugge. Bij kantschrift van 28 mei 1999 liet de procureur des Konings te Brugge aan de onderzoeksrechter weten dat zijn ambt op dat ogenblik geen vordering wenste te nemen. Bij beschikking van de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge van 24 januari 2001 wordt S. L. naar de correctionele rechtbank verwezen wegens een inbreuk op artikel 226, eerste lid, Strafwetboek en wordt de strafvordering wat J. D. betreft, ingevolge zijn overlijden op 5 mei 1999, vervallen verklaard. Bij vonnis van 11 juni 2001 veroordeelt de correctionele rechtbank te Brugge S. L. wegens de inbreuk op artikel 226, eerste lid, Strafwetboek tot een gevangenisstraf van zes maanden, met uitstel voor een termijn van drie jaar, en tot een geldboete van honderd frank. Op burgerlijk gebied wordt S. L. veroordeeld tot de betaling van vijfhonderd en tienduizend frank elk aan R. V. en R. J.. Op 25 juni 2001 tekent S. L. hoger beroep aan tegen dit vonnis. Bij arrest van 23 april 2002 beslist het hof van beroep te Gent dat ¿de burgerlijke partijstelling van R. V. en R. J. niet ontvankelijk is, nu ze gericht werd tegen S. L., zijnde een persoon die een opgedragen gedingbeslissende eed heeft afgelegd, waarvan zij de valsheid niet mogen bewijzen, en dus de strafvordering lastens deze beklaagde niet op gang heeft gebracht¿ en ¿dat, nu de strafvordering niet op gang is gebracht door het openbaar ministerie, er te dezen geen strafvordering lastens beklaagde L. is ingesteld¿. Tegen dit arrest werd geen rechtsmiddel ingesteld. Op 7 juni 2006 (lees 2002) vorderde de procureur des Konings te Brugge de onderzoeksrechter te Brugge over te gaan tot een gerechtelijk onderzoek tegen S. L. wegens inbreuk op artikel 226, eerste lid, Strafwetboek, waarbij gepreciseerd werd ¿Gelet op het arrest van 23 april 2002 dient dit onderzoek opnieuw gedaan te worden, thans op mijn vordering¿. Bij beschikking van de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge van 11 december 2002 wordt S. L. naar de correctionele rechtbank verwezen wegens een inbreuk op artikel 226, eerste lid, Strafwetboek en wordt de strafvordering wat J. D. betreft, ingevolge zijn overlijden op 5 mei 1999, vervallen verklaard. Bij vonnis van 2 mei 2005 veroordeelt de correctionele rechtbank te Brugge S. L. wegens de inbreuk op artikel 226, eerste lid, Strafwetboek tot een gevangenisstraf van zes maanden, met uitstel voor een termijn van drie jaar, en tot een geldboete van 495,79 euro. Op burgerlijk gebied wordt S. L. veroordeeld tot de betaling van 14.394,68 euro elk aan R. V. en R. J.. Tegen dit vonnis werd hoger beroep aangetekend door S. L. en door de procureur des Konings te Brugge. Bij arrest van het hof van beroep te Gent van 30 mei 2006 werd het debat ambtshalve heropend om de partijen toe te laten standpunt in te nemen omtrent de vraag of er al dan niet een regelmatige saisine was van de correctionele rechtbank te Brugge en van het hof van beroep, gelet op het verbod van een tweede verwijzing van dezelfde beklaagde voor hetzelfde feit. Bij arrest van 5 december 2006 besliste het hof van beroep dat ¿deze zaak (¿), thans weliswaar op vordering van het openbaar ministerie, doch na een zogenaamde tweede burgerlijke partijstelling, die slechts een herbevestiging was van de eerste klacht, opnieuw naar de correctionele rechtbank te Brugge (werd) verwezen op grond van een identiek feit lastens dezelfde persoon, zonder dat de eerste verwijzingsbeschikking van 24 januari 2001 voorafgaandelijk nietig was verklaard¿ en dat ¿ingevolge deze tweede verwijzingsbeschikking van de raadkamer te Brugge van 11 december 2002 (¿) deze zaak dan ook niet rechtsgeldig aanhangig (kon) gemaakt worden voor de correctionele rechtbank te Brugge. Het hof (van beroep) beschikt, evenmin als de eerste rechter, over de vereiste regelmatige saisine. Het vonnis a quo dient derhalve te worden vernietigd en het hof (van beroep) verklaart zich (¿) onbevoegd om ter zake te statueren¿. De ontoelaatbaarheid van de burgerlijke partijstelling heeft de ontoelaatbaarheid tot gevolg van de gehele rechtspleging, waaronder de verwijzingsbeschikking van de raadkamer, wanneer deze rechtspleging enkel op deze burgerlijke partijstelling is gestoeld. Bijgevolg kan de ontoelaatbaarheid van de burgerlijke partijstelling wegens valse gedingbeslissende eed in burgerlijke zaken op grond van de artikelen 1357, 1° en 1363 Burgerlijk Wetboek en de daarop gestoelde verwijzingsbeschikking door de raadkamer, een nieuwe verwijzing door de raadkamer voor hetzelfde strafbare feit, ditmaal op grond van een regelmatige adiëring van de onderzoeksrechter door het openbaar ministerie, niet verhinderen. Het aangegeven arrest beslist dus niet wettig dat het hof van beroep onbevoegd is om kennis te nemen van de zaak. Om die redenen, vordert de ondergetekende procureur-generaal dat het aan het Hof moge behagen voormeld arrest van 5 december 2006 van het hof van beroep te Gent te vernietigen in zoverre het vaststelt dat het hof van beroep onbevoegd is om kennis te nemen van de zaak, doch alleen in het belang van de wet, en te bevelen dat van dit arrest melding zal gemaakt worden op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest¿. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen van de eisers I
- Een burgerlijke partij kan slechts opkomen tegen de beslissing waarbij de strafvordering, ingesteld door de vordering van het openbaar ministerie, niet ontvankelijk wordt verklaard, voor zover zijzelf regelmatig in hoedanigheid van burgerlijke partij kan optreden, en zij daartoe het vereiste belang vertoont.
- Te dezen wordt de verweerster beklaagd van ¿te Oostende op 05/01/1999, wanneer [haar] in burgerlijke zaken de gedingbeslissende of aanvullende eed was opgedragen of teruggewezen, een valse eed te hebben afgelegd,namelijk: de gedingbeslissende eed door de vrederechter 2° Kanton Oostende bij vonnis dd. 3/12/1998 opgelegd, ten nadele van [de eisers]¿.
- Overeenkomstig artikel 1357, 1°, Burgerlijk Wetboek, is de beslissende eed deze die door de ene partij aan de andere partij is opgedragen om de beslissing van de zaak daarvan te doen afhangen. Artikel 1363 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat ¿wanneer de opgedragen of teruggewezen eed is afgelegd, [¿] de tegenpartij niet ontvankelijk [is] om de valsheid daarvan te bewijzen¿. Deze bepalingen houden in dat wanneer een partij de beslissende eed aan de andere partij opdraagt of deze laatste de eed aan eerstgenoemde terugwijst, de civielrechtelijke betwisting omtrent het rechtsfeit waarvan het bestaan ontkend werd, definitief en onherroepelijk een einde neemt en de tegenpartij van deze die de eed heeft afgelegd, dat feit om welke redenen ook niet meer opnieuw voor welk gerecht ook ter sprake kan brengen. Hieruit volgt dat, ongeacht het recht van het openbaar ministerie om de strafvordering in te stellen wegens valse gedingbeslissende eed, door de eisers geen schadevergoeding wegens dit feit van de verweerster kan worden gevorderd bij wijze van burgerlijke partijstelling.
- De eisers die niet in de kosten van de strafvordering werden veroordeeld, ontberen aldus het vereiste belang om cassatieberoep te kunnen instellen. De cassatieberoepen zijn niet ontvankelijk. Middel van de eisers I
- Het middel dat niet de ontvankelijkheid van de cassatieberoepen betreft, behoeft geen antwoord. Cassatieberoep van de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie
- Het cassatieberoep dat de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie heeft ingesteld in het belang van de wet en overeenkomstig artikel 442 Wetboek van Strafvordering, is gegrond wegens de redenen die het vermeldt. Dictum Het Hof, Rechtdoende op het cassatieberoep van de procureur-generaal bij het Hof, vernietigt, maar alleen in het belang van de wet, het bestreden arrest van 5 december
- Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Laat de kosten van dit cassatieberoep ten laste van de Staat. Verwerpt de cassatieberoepen van de eisers I. Veroordeelt de eisers I in de kosten. Begroot de kosten in het geheel op 289,11 euro waarvan op het cassatieberoep van de eisers I 24,12 euro verschuldigd is en 249,31 euro betaald werd en op het cassatieberoep van de eiser II 15,68 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare terechtzitting van 15 mei 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070515.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220118.2N.8 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230228.2N.11 precedenten: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990921.9 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010515.10 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051122.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div