id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070515.6 Rolnummer: P.07.0647.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2007-07-11 Raadplegingen: 267 - laatst gezien 2026-07-03 17:12 Versie(s): Vertaling FR Fiche Artikel 38, Wet Europees Aanhoudingsbevel voert artikel 28 van het Kaderbesluit (2002/584/JBZ) van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de Lidstaten uit; artikel 28.3 van dit besluit laat, op voorwaarde dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit daarin toestemt, de verdere overlevering aan een andere Lidstaat toe, onder meer in het geval dat de gezochte persoon, anders dan bepaald in artikel 28.2.c), wel de bescherming van het specialiteitsbeginsel geniet. Thesaurus CAS: UITLEVERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - PROBATIEWET - Maatschappelijke enquête - Algemene beginselen STRAFRECHT - AANHOUDINGSBEVEL - EUROPEES - Algemene beginselen (aanhoudingsbevel - Europees) Vrije woorden: Europees aanhoudingsbevel - Uitlevering aan België - Doorlevering aan een andere Lidstaat - Specialiteitsbeginsel - Artikel 38, Wet Europees Aanhoudingsbevel - Artikel 28, Kaderbesluit van 13 juni 2002 - Toestemming van de uitvoerende rechterlijke autoriteit Tekst van de beslissing Nr. P.07.0647.N R. B., ingevolge naamswijziging R. V. I., verdachte, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Luk Delbrouck, advocaat bij de balie te Hasselt. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 3 mei
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert aan dat artikel 38 Wet Europees Aanhoudingsbevel, dat opeenvolgende overleveringen regelt, geenszins toepasselijk is in het geval ¿waarin toepassing wordt gevraagd van een eerder bedongen specialiteitsbeginsel¿.
- Het voormelde artikel 38 voert artikel 28 van het Kaderbesluit (2002/584/JBZ) van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de Lidstaten uit. Artikel 28.3 van dit besluit laat, op voorwaarde dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit daarin toestemt, de verdere overlevering aan een andere Lidstaat toe, onder meer in het geval dat de gezochte persoon, anders dan bepaald in artikel 28.2.c), wel de bescherming van het specialiteitsbeginsel geniet. Het middel faalt in zoverre naar recht.
- Met hun oordeel dat het antwoord van de Duitse bevoegde autoriteit van 26 maart 2007 een duidelijke en ondubbelzinnige toestemming met de uitlevering aan Nederland inhoudt, geven de appelrechters van de brief van de Generalstaatsanwaltschaft Düsseldorf een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. In zoverre het middel miskenning van de bewijskracht van deze brief aanvoert, mist het feitelijke grondslag. Tweede middel
- Steunend op het ne bis in idem beginsel zoals vervat in artikel 4, 2° Wet Europees Aanhoudingsbevel, voert eiser aan dat zelfs indien de kamer van inbeschuldigingstelling van oordeel was dat er geen volledige identiteit bestond tussen de feiten welke het voorwerp uitmaken van enerzijds een vorige veroordeling van het Hof van Beroep te Antwerpen, en, anderzijds de feiten waarvoor thans door Nederland om de overlevering werd verzocht, zij minstens had dienen vast te stellen dat het hier om een geheel van feiten betrof in de zin zoals bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van 28 september 2006 waardoor voormelde weigeringsgrond toepasselijk wordt.
- In randnummers 3.7 en 3.7.1 oordelen de appelrechters in feite dat geen vonnis of arrest in België werd uitgesproken aangaande de feiten waarvoor thans de overlevering wordt gevraagd, noch dat de opbrengsten afkomstig van de misdrijven die het voorwerp uitmaakten van het arrest van 3 januari 2006, dezelfde zouden zijn als de feiten van witwassen waarvoor thans overlevering wordt gevraagd. Volgens hen is het evenmin duidelijk dat het gaat om een geheel van feiten zoals bedoeld door de eiser.
- In zoverre het middel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling in feite van de appelrechters is het niet ontvankelijk.
- Voor het overige beantwoorden de appelrechters met deze redenen eisers conclusie en verantwoorden zij hun beslissing naar recht. Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 82,20 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare terechtzitting van 15 mei 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070515.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190911.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div