id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070518.1 Rolnummer: C.06.0435.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2007-07-17 Raadplegingen: 212 - laatst gezien 2026-07-03 06:39 Versie(s): Vertaling FR Fiche De verplichting tot het overleggen van de vrachtbrief door de afzender die een vordering in rechte instelt tegen de vervoerder, geldt niet wanneer de spoorwegvervoerder het vervoer niet heeft aangenomen en er dientengevolge geen vrachtbrief werd afgeleverd. Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Spoorvervoer UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERVOER - Spoorwegvervoer Vrije woorden: Internationaal spoorwegvervoer van goederen - Vordering van de afzender tegen de vervoerder - Vrachtbrief - Verplichting tot overlegging - Toepassingsgebied Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 09-05-1980 - Artt. 11, § 1 en 54, § 4, c Tekst van de beslissing Nr. C.06.0435.N NMBS HOLDING, publiekrechtelijke vennootschap met rechtspersoonlijkheid, met zetel te 1060 Brussel, Frankrijkstraat 85, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen BELGISCHE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP VOOR TRANSPORT DOOR MIDDEL VAN HET GECOMBINEERD RAIL-WEG-SYSTEEM, afgekort TRW, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Havenlaan 100, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 6 maart 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen De appelrechters verklaren het hoger beroep van de verweerster ontvankelijk en gegrond en veroordelen de eiseres tot betaling van 10.246,18 euro, méér aankleven, op grond van volgende overweging (arrest, p. 3): ¿De eerste rechter verwerpt de vordering van (de verweerster) tegen (de eiseres) in betaling van schadevergoeding omdat zij in de dagvaarding zou hebben gesteld dat de procedure enkel wordt ingesteld in de mate dat compensatie tussen (de verweerster) en de NV Sasse & C° (thans Beyer Belgium) d.i. de opdrachtgever van (de verweerster) zou worden toegestaan. De NV Sasse weigert immers een reeks andere facturen aan (de verweerster) te betalen als compensatie voor het schadegeval. De eerste rechter parafraseert evenwel verkeerdelijk de dagvaarding, waarin (de verweerster) verklaart een rechtstreekse eis of minstens een eis in vrijwaring lastens (de eiseres) in te stellen - in de mate de voormelde compensatie zou worden gegrond verklaard, of - de NV Sasse, thans Beyer Belgium, een tegenvordering zou instellen. De NV Beyer, voorheen de NV Sasse, die in de procedure vóór de eerste rechter betrokken was, stelde inderdaad een tegenvordering in betaling van een vergoeding voor de schade aan de lading. Derhalve diende de eerste rechter de vordering van (de verweerster) tegen (de eiseres) verder te onderzoeken, hetgeen hij niet deed. De omstandigheid dat de eerste rechter de tegenvordering van de NV Beyer tegen (de verweerster) onontvankelijk verklaarde wegens verjaring, verandert niets ter zake, nu in de dagvaarding niet werd gesteld dat de tegenvordering van Beyer tegen (de verweerster) ontvankelijk diende te zijn. Trouwens uit de verjaring van de tegenvordering van de NV Beyer t.a.v. (de verweerster) volgt niet noodzakelijk dat de vordering van (de verweerster) tegen (de eiseres) eveneens verjaard zou zijn. (De eiseres) werpt trouwens geen exceptie van verjaring op. Samengevat, de eerste rechter verwerpt de vordering van (de verweerster) tegen (de eiseres) bij gebrek aan compensatie tussen (de verweerster) en de NV Beyer, terwijl het louter instellen van een tegenvordering door de NV Beyer tegen (de verweerster) reeds volstond om de vordering van (de verweerster) tegen (de eiseres) verder te onderzoeken. Het bestreden vonnis dient op dit punt te worden hervormd¿. Grieven De appelrechters hebben met de hiervoor geciteerde beslissing de bewijskracht van het vonnis van de eerste rechter (Rechtbank van Koophandel te Brussel van 12 februari 2003) geschonden. Immers, de eerste rechter verwerpt geenszins ¿de vordering van (de verweerster) tegen (de eiseres) bij gebrek aan compensatie tussen (de verweerster) en de NV Beyer, terwijl het louter instellen van een tegenvordering door de NV Beyer tegen (de verweerster) reeds volstond om de vordering van (de verweerster) tegen (de eiseres) verder te onderzoeken¿, doch heeft daarentegen wél degelijk oog voor deze tegenvordering bij de beoordeling van de vordering van TRW tegen de NMBS-HOLDING. De eerste rechter stelt inderdaad dat deze vordering ¿zonder voorwerp is¿, juist gezien het verjaard zijn van de tegenvordering van Beyer Belgium (cf. vonnis van de eerste rechter, p. 4): ¿Dat de tegeneis en de tusseneis van Beyer bij conclusies neergelegd ter griffie op 05.08.2002 ten opzichte van respectievelijk (de verweerster) en (de eiseres) verjaard zijn zodat de in ondergeschikte orde gestelde vordering in vrijwaring zonder voorwerp is¿; Door te oordelen dat ¿(...) de eerste rechter de vordering van (de verweerster) tegen (de eiseres) (verwerpt) bij gebrek aan compensatie tussen (de verweerster) en de NV Beyer, terwijl het louter instellen van een tegenvordering door de NV Beyer tegen (verweerster) reeds volstond om de vordering van (de verweerster) tegen (de eiseres) verder te onderzoeken¿ miskennen de appelrechters aldus de in het middel aangegeven wetsbepalingen (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de Grondwet; - artikel 54, §3 en 4, van het Verdrag inhoudende uniforme regelen betreffende de overeenkomst van internationaal spoorwegvervoer van goederen, opgemaakt te Bern op 9 mei 1980, goedgekeurd bij Wet van 25 april 1983 (B.S. 7 september 1983). Aangevochten beslissingen De appelrechters verklaren het hoger beroep van de verweerster ontvankelijk en gegrond en veroordelen de eiseres tot betaling van 10.246,18 euro, méér aankleven, op grond van volgende overweging (arrest, p. 6): ¿Ten onrechte tracht (de eiseres) in ondergeschikte orde op grond van de afwezigheid van vrachtbrief te stellen dat er geen vervoerovereenkomst per spoor zou zijn, zodat (de verweerster) niet zou aantonen de hoedanigheid te bezitten om de contractuele vordering in te stellen. Dat er geen vrachtbrief werd opgesteld vindt zijn oorzaak in het feit dat de te vervoeren lading reeds bij de belading werd beschadigd en daarna niet verder per spoor werd vervoerd maar teruggezonden per vrachtwagen naar de fabrikant ALZ in Genk. De uitgifte van een vrachtbrief bewijst de vervoerovereenkomst doch is geen essentiële voorwaarde voor het bewijs van de vervoerovereenkomst, die principieel een consensueel contract vormt (J. Van Ryn en J. Heenen, o. c., nr. 758). Trouwens, het CIM-Verdrag voorziet niet in een sanctie voor het ontbreken van een vrachtbrief¿. Grieven Artikel 54 van het CIM-Verdrag luidt: ¿Art. 54 Personen die een vordering in rechte tegen de spoorweg kunnen instellen. §
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.