← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070518.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070518.2 Rolnummer: C.06.0567.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-17 Raadplegingen: 608 - laatst gezien 2026-07-04 04:03 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Het bevel tot onmiddellijke staking van het werk, van de handelingen of van het gebruik dat door de bevoegde ambtenaren, agenten of officieren van gerechtelijke politie mondeling ter plaatse kan worden gegeven wanneer zij vaststellen dat dit werk, deze handelingen of de wijzigingen een inbreuk vormen zoals bedoeld in artikel 146, Stedenbouwdecreet 1999, is een preventieve maatregel; de enkele reden dat een herstel voordien met het oog op de goede ruimtelijke ordening bij vonnis werd bevolen, kan het bevelen van de staking ter uitvoering van dit vonnis niet verantwoorden. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - LEEFMILIEU - Milieuvorderingen Vrije woorden: Herstel van plaats in de vorige staat - Vonnis dat het herstel beveelt - Uitvoering - Bevel tot staking Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 - Art. 154, eerste lid Thesaurus CAS: STEDENBOUW - SANCTIES UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - LEEFMILIEU - Milieuvorderingen Vrije woorden: Bevel tot staking Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 - Art. 154, eerste lid Vrije woorden: Bevel tot staking - Doel Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 - Art. 154, eerste lid Tekst van de beslissing Nr. C.06.0567.N VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de minister-president, met kabinet te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijk Ordening, met burelen te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Koning Albert II-laan 19, eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen 1. W. H., 2. B.G., 3. B.L., 4. B. M., verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 8 november 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 159 van de Grondwet; - de artikelen 149 en 154 van het decreet van 18 mei 1999 ¿houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening¿; - artikel 65 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw, zoals van toepassing vóór de coördinatie door het decreet van 22 oktober 1996; - de artikelen 1039 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen De eiser komt op tegen de bestreden beslissing in de mate dat de appelrechters daarin zijn hoger beroep ongegrond verklaren en het beroepen vonnis bevestigen, en aldus de oorspronkelijke vordering van de verweerders gegrond verklaren en de opheffing van het stakingsbevel bevelen. De appelrechters stoelen hun beslissing op volgende gronden: ¿Voorafgaande feiten en procedure: Bij vonnis van 22 april 1983 van de Correctionele Rechtbank te Tongeren - dat kracht van gewijsde heeft - werd de heer J. B., rechtsvoorganger van (de verweerders) overeenkomstig artikel 65 van de Stedenbouwwet van 29 maart 1962 veroordeeld tot een geldboete van 50 BEF voor de oprichting en de instandhouding zonder bouwvergunning van een chalet en van een vergrote visvijver in een natuurgebied (te Zutendaal). Tevens werd het herstel van de plaats in de vorige staat bevolen binnen een termijn van één jaar en werden de gemachtigde ambtenaar en het college van burgemeester en schepenen gemachtigd om zo nog ambtshalve de plaats in de vorige staat te herstellen. Dit vonnis werd nooit uitgevoerd. De chalet (cafetaria), het intussen nog vergrote terras en de visvijver zijn thans de onverdeelde mede-eigendom van (de verweerders) en worden uitgebaat door tweede en vierde (verweerders). Op 10 september 2003 wordt door de hoofdmedewerker van de dienst Ruimtelijke Ordening van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap een proces-verbaal van vaststelling opgesteld ten laste van (de verweerders) wegens het oprichten (en/of instandhouden) van cafetaria met dichtgebouwd terras en het wederrechtelijk instandhouden van een visvijver in natuurgebied (gemeente Zutendaal, Schansstraat, perceel gekadastreerd afdeling 2, sectie D, perceel nummers 825 H, 825 K). Dit proces-verbaal wordt ter kennisgeving gezonden aan de procureur des Konings te Tongeren en aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zutendaal. Bij schrijven van 30 november 2004 aan de procureur des Konings te Tongeren vordert de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur op basis van artikel 149 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, gewijzigd bij latere decreten (hierna DRO), het herstel binnen een termijn van maximum één jaar in de oorspronkelijke toestand en dit onder verbeurte van een dwangsom van 125,000 euro per dag bij niet uitvoering van het vonnis binnen de gestelde termijn. Dit impliceert: - de afbraak (inclusief vloerplaat) van de oorspronkelijke chalet in hout; - de afbraak van de uitbreiding van cafetariagedeelte; - de verwijdering van de oevers van de vijvers zodat de oevers een natuurlijk, zocht hellend profiel krijgen; - het verwijderen van de kiezel- en grindverharding rondom de vijver; - het verwijderen van de electriciteitspalen en vlaggenmasten naast de vijver. Bij schrijven van 31 maart 2005 deelt de procureur des Konings te Tongeren aan de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur mee dat het dossier geseponeerd werd omdat reeds bij vonnis van 22 april 1983 de afbraak van de chalet en het dempen van de vijver werd bevolgen. Op 24 mei 2005 wordt door een beëdigd medewerker van de dienst Ruimtelijke Ordening van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap een nieuw proces-verbaal van vaststelling opgesteld, waarin onder meer gesteld wordt dat gelet op de lopende contracten die (de tweede verweerder) (uitbater) afsloot met meerdere firma's ter verhuring van de vijver en kantine in de maand juni, besloten werd te wachten om een staking van het gebruik uit te stellen tot 1 juli 2005 (uiterste datum) en dat de uitbater daarmee akkoord is. In antwoord op een schrijven van 1 juni 2005 van de raadsman van (de verweerders) stelt de gewestelijke stedenbouwkundig inspecteur in een schrijven van 9 juni 2005 onder meer dat de staking van het gebruik thans meer en meer wordt gebruikt om toch nog uitvoering te bekomen van vonnissen en arresten zonder dat hierbij een dwangsom werd uitgesproken. Op 29 juni 2005 beveelt de technicus bevoegd voor het opsporen en vaststellen van misdrijven in het kader van artikel 146 en volgende DRO mondeling de onmiddellijke stopzetting van het strijdig gebruik. Tevens wordt er op gewezen dat het voortzetten van het gebruik in strijd met dit stakingsbevel een afzonderlijk misdrijf is en strafbaar wordt gesteld door artikel 146, tweede lid, DRO; dat het voortzetten van het gebruik in strijd met dit stakingsbevel daarnaast aanleiding geeft tot het opleggen van een administratieve geldboete van 5000 euro (artikel 156, §1, eerste lid, DRO); dat het voor(t)zetten van het gebruik in strijd met dit stakingsbevel tot slot als gevolg heeft dat in geval van een eventuele gerechtelijke vervolging de meerwaarde als herstelmaatregel uitgesloten is (artikel 149, §1, tweede lid, 2°, DRO). De gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur heeft het mondeling bevel bekrachtigd en het samen met het proces-verbaal van 29 juni 2005 bij aangetekend schrijven van 1 juli 2005 aan elk van de (verweerders) toegezonden. Bij dagvaarding van 6 juli 2005 vorderen (de verweerders) te zeggen voor recht dat aan het bevel tot onmiddellijke staking van het gebruik met betrekking tot de percelen gelegen te Zutendaal, afdeling 2, sectie D, perceelnummers 825H, 825K, dat mondeling werd gegeven, opgeheven wordt en te zeggen dat dit bevel geen rechtsgevolgen zal kennen. De bestreden beschikking verklaart de vordering van (de verweerders) ontvankelijk en gegrond; beveelt op grond van artikel 154, al. 6, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals gewijzigd bij artikel 34 van de decreet van 25 april 2000, de opheffing van het bevel tot staking van het gebruik van een cafetaria, van een uitgebouwd terras en van een (forellen)vijver, gelegen te 3690 Zutendaal, 2de afdeling, ¿Stalkerwijer', sectie D, percelen nummer 825/H (drankhuis) en 825/K (vijver), dat de technicus (beëdigd ambtenaar) op 29 juni 2005 heeft gegeven en dat de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur op 1 juli 2005 heeft bekrachtigd, veroordeel(

  1. t)(de eiser) tot de kosten van het geding. Het hoger beroep van (de eiser) strekt ertoe de bestreden beschikking te vernietigen, de oorspronkelijke vordering minstens ongegrond te verklaren; dienvolgens te zeggen voor recht dat het bevel tot onmiddellijke staking van het gebruik met betrekking tot de percelen gelegen te Zutendaal, afdeling 2, sectie D, perceelnummers 825 H, 825 K, dat mondeling werd gegeven op 29 juni 2005 en werd bekrachtigd bij aangetekend schrijven van 1 juli 2005, rechtsgeldig werd genomen; (de verweerders) te veroordelen tot de kosten van het geding. (De verweerders) concluderen tot de ongegrondheid van het hoger beroep en de bevestiging van de bestreden beschikking en tot de veroordeling van (de eiser) tot de kosten. In rechte: (¿) Artikel 154 DRO biedt de bijzondere ambtenaren en politieambtenaren de mogelijkheid om mondeling ter plaatse de onmiddellijke staking te bevelen van het wederrechtelijk uitgevoerde werk, handelingen of gebruik. (De eiser) stelt terecht dat het niet aan de voorzitter behoort om de opportuniteit van het gegeven bevel te beoordelen, doch dat de voorzitter enkel en alleen bevoegd is om te oordelen of het gegeven bevel rechtmatig is. Het behoort enkel tot de bevoegdheid van de voorzitter om het bevel te staking op zijn externe en interne wettigheid te beoordelen en te onderzoeken of het strookt met de wet dan wel berust op machtsoverschrijding of machtsafwending, meer bepaald of het uitsluitend met het oog op de goede ruimtelijke ordening is genomen. Er dient derhalve onderzocht te worden of te dezen het bevel tot staking uitsluitend met het oog op de goede ruimtelijk ordening is gegeven. In het antwoord van de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur van 9 juni 2005 op het schrijven van de raadsman van (de verweerders) van 1 juni 2005 waarin gevraagd werd naar de rechtsgrond van het aangekondigde bevel tot staking, worden volgende redenen aangehaald: - reeds bij vonnis van 22 april 1983 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Tongeren werd de afbraak bevolen van de chalet. Tevens werd in ditzelfde vonnis het dempen van de vijver bevolen; - de feiten speelden en spelen zich af binnen de grenzen van een natuurgebied. Een dergelijke visvijver met kunstmatige vormen (rechthoekig) en een chalet dat gebruikt wordt als een clubhuis kunnen ter plaatse onder geen enkele beding ruimtelijk aanvaard worden; - de destijds bevolen herstelmaatregelen rusten op het onroerend goed; - tijdens het plaatsbezoek dat een medewerker van onze afdeling op 25 mei jl. heeft gebracht werd ingestemd met de afspraak om de activiteiten te staken en dit met ingang van 1 juli e.k.; - naar mijn mening hebben wij ons in deze redelijk opgesteld en hebben wij nog een uitstel verleend gelet op de zogenaamde nog ¿lopende contracten'; - de staking van het gebruik wordt thans meer en meer gebruikt om toch nog uitvoering te bekomen van vonnissen en arresten zonder dat hierbij een dwangsom werd uitgesproken; - het feit dat de overheid meer dan 22 jaar wacht om verdere uitvoering te geven aan een gerechtelijke uitspraak kan niet ten onze laste gelegd worden. In een recent arrest van het Hof van Cassatie van 4 maart 2005 werd vastgesteld dat men zich niet kan beroepen op het vertrouwensbeginsel, zich baserend op het ¿lange' stilzitten van de overheid om een gekregen veroordeling als verwerkt te beschouwen. In de eerste plaats dient de veroordeelde of de nieuwe eigenaar uitvoering te geven aan het in kracht van gewijsde getreden vonnis of arrest. Bovendien hebben sommige politici in het verleden nagelaten om een consequent handhavingsbeleid te voeren. Uit dit schrijven blijkt duidelijk dat het bevel tot staking niet uitsluitend werd gegeven met het oog op de goede ruimtelijke ordening, doch wel om alsnog uitvoering te bekomen van het door de Correctionele Rechtbank te Tongeren op 22 april 1983 uitgesproken vonnis ten laste van de rechtsvoorganger van (de verweerders) en waarbij de afbraak van de chalet en het dempen van de vijver werden bevolen. Het bevel tot staking werd dan ook afgewend (van) zijn oorspronkelijk doel om alsnog uitvoering te bekomen van een meer dan 22 jaar geleden bekomen gerechtelijk titel. De eerste rechter heeft dan ook terecht de vordering van (de verweerders) gegrond verklaart. Het hoger beroep van (de eiser) is derhalve ongegrond en (de eiser) dient veroordeeld te worden tot de kosten van het hoger beroep, zoals hierna begroot¿ (pp. 2-7 van het bestreden arrest). Grieven Overeenkomstig het zesde lid van artikel 154 van het decreet van 18 mei 1999 kan de betrokken n.a.v. een door de politiediensten bevolen en door de Gewestelijke Stedenbouwkundig Inspecteur bekrachtigde staking van wederrechtelijke werken of handelingen in kort geding vorderen dat de opheffing zou worden bevolen van het stakingsbevel. Dienaangaande vermag de rechter in kort geding evenwel niet de opportuniteit te beoordelen van het stakingsbevel, doch mag hij bij toepassing van artikel 159 van de Grondwet slechts de wettigheid en de rechtmatigheid ervan toetsen. Krachtens artikel 159 van de Grondwet is de rechter immers bevoegd om besluiten en verordeningen van o.m. de uitvoerende macht, waaronder te dezen het gewraakte stakingsbevel, op haar interne en externe wettigheid te toetsen en te onderzoeken of ze conform de wet is dan wel op machtsoverschrijding of machtsafwending berust. De omstandigheid dat een beslissing in kort geding krachtens artikel 1039 van het Gerechtelijk Wetboek, dat met toepassing van artikel 1042 van hetzelfde wetboek op de rechtsmiddelen toepasselijk is, in beginsel geen nadele mag toebrengen aan de zaak zelf, doet hieraan geen afbreuk, nu de rechter die moet oordelen over een vordering die bij toepassing van het zesde lid van artikel 154 van het decreet van 18 mei 1999 wordt ingesteld, hoe dan ook de gegrondheid van die vordering moet beoordelen. Te dezen baseren de appelrechters zich in het bestreden arrest louter op het schrijven van de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur van 9 juni 2005 (p. 6 van het bestreden arrest), waaromtrent het hof van beroep stelt dat ¿(u)it dit schrijven (¿) duidelijk (blijkt) dat het bevel tot staking niet uitsluitend werd gegeven met het oog op de goede ruimtelijk ordening, doch wel om alsnog uitvoering te bekomen van het door de Correctionele Rechtbank te Tongeren op 22 april 1983 uitgesproken vonnis ten laste van de rechtsvoorganger van (de verweerders) en waarbij de afbraak van de chalet en het dempen van de vijver werden bevolen¿ en dat ¿het bevel tot staking (¿) dan ook (werd) afgewend (van) zijn oorspronkelijk doel om alsnog uitvoering te bekomen van een meer dan 22 jaar geleden bekomen gerechtelijk titel¿ (p. 7 van het bestreden arrest). Deze beslissing is evenwel niet naar recht verantwoord, aangezien aldus door het hof van beroep uitdrukkelijk wordt vastgesteld dat het stakingsbevel strekte tot uitvoering van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis waarbij het herstel werd bevolen, te dezen het in het vonnis van de correctionele rechtbank van 22 april 1983 bevolen herstel in de vorige staat. Wanneer het herstel overeenkomstig artikel 149 van het decreet van 18 mei 1999, voorheen artikel 65 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw, door een rechterlijke instantie werd bevolen, staat van rechtswege vast dat dit herstel werd bevolen met het oog op de goede ruimtelijke ordening. Als zodanig konden de appelrechters m.b.t. de staking die door de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur bij toepassing van artikel 154 van het decreet van 18 mei 1999 werd bevolen, niet naar recht oordelen dat dit stakingsbevel niet uitsluitend zou zijn gegeven met het oog op de goede ruimtelijke ordening en dat het aldus zou zijn ¿afgewend van zijn oorspronkelijke doel¿ (schending van de artikelen 159 van de Grondwet en 154 van het decreet van 18 mei 1999 ¿houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening¿ en voor zoveel als nodig tevens van de artikelen 1039 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek). Tevens miskennen de appelrechters aldus de draagwijdte van de door de rechtbank bevolen herstelmaatregel, die immers noodzakelijk moet worden geacht te zijn bevolen met het oog op de goede ruimtelijke ordening, te dezen het door het vonnis van 22 april 1983 bevolen herstel in de vorige staat (schending van artikel 65 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw, zoals van toepassing vóór de coördinatie door het decreet van 22 oktober 1996, en voor zoveel als nodig tevens van artikel 149 van het decreet van 18 mei 1999 ¿houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening¿). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Artikel 154, eerste lid, van het Decreet van het Vlaams Parlement van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening bepaalt dat de in het artikel 148 van dit decreet bedoelde ambtenaren, agenten of officieren van gerechtelijke politie mondeling ter plaatse de onmiddellijke staking van het werk, van de handelingen of van het gebruik kunnen bevelen, wanneer zij vaststellen dat het werk, de handelingen of de wijzigingen een inbreuk vormen zoals bedoeld in artikel 146 van hetzelfde decreet. 2. Het bevel tot staking is een preventieve maatregel. De enkele reden dat een herstel voordien met het oog op de goede ruimtelijke ordening bij vonnis werd bevolen, kan dan ook het bevelen van de staking ter uitvoering van dit vonnis niet verantwoorden. Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 573,95 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, als voorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Eric Dirix, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 18 mei 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070518.2 Gerelateerde publicatie(
  2. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100301.3 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130208.4 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20131024.1 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20131024.2 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150529.3 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160225.4 ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090320.6 ECLI:BE:HBGNT:2012:ARR.20120420.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090116.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.