← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070521.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070521.1 Rolnummer: C.06.0290.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Familierecht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2007-07-17 Raadplegingen: 711 - laatst gezien 2026-07-04 03:32 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Uit artikel 229 van het Burgerlijk Wetboek en de Werkloosheidsreglementering volgt dat het begrip samenwonen in deze reglementering enkel betekent dat de betrokkene samenleeft met één of meer andere personen waarmee hij zijn huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelt; de vaststelling in het kader van die reglementering, dat een werknemer samenwoont, houdt derhalve op zich niet in dat de betrokkene in overspel samenwoont

(1).
(1)Zie Cass. 17 dec. 1998, AR C.97.0259.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981217.5, nr. 527; uit de overwegingen waarop het oordeel van het Hof berust dat overspel tussen personen van hetzelfde geslacht mogelijk is, blijkt dat overspel in de zin van artikel 229 B.W. vereist dat een gehuwde persoon seksuele betrekkingen heeft met een persoon (al dan niet van een andere geslacht) die niet zijn echtgeno(o)t(
  1. e)is. Voor het begrip "samenwonen" in de zin van de werkloosheidsreglementering (K.B. 25 nov. 1991, art. 110 en M.B. 26 nov. 1991, art. 59), zie Cass., 7 okt. 2002, AR 01.0109.F, nr. 510, en de conclusie van eerste advocaat-generaal Leclercq. Thesaurus CAS: ECHTSCHEIDING EN SCHEIDING VAN TAFEL EN BED - GRONDEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (OUD) - Scheiding tafel en bed Vrije woorden: Overspel - Werkloosheidsreglementering - Samenwonen - Begrip Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 229 Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - Art. 110, § 1 Ministerieel Besluit - 26-11-1991 - Art. 59, eerste lid Thesaurus CAS: WERKLOOSHEID - ALLERLEI UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (OUD) - Scheiding tafel en bed Vrije woorden: Overspel - Werkloosheidsreglementering - Samenwonen - Begrip Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 229 Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - Art. 110, § 1 Ministerieel Besluit - 26-11-1991 - Art. 59, eerste lid Tekst van de beslissing Nr. C.06.0290.N S.I., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen V. D. K. D., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Loksumstraat 25, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 25 januari 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. De zaak is bij beschikking van de voorzitter van 27 maart 2007 verwezen naar de derde kamer. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 229, 231, 301, 1349 en 1353, en voor zoveel als nodig 213, van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 27, 1°, b, 29, §2, 131bis, 110, §1, §2 en §3 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering; - artikel 59, eerste lid, van het ministerieel besluit van 26 november 1991, houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering. Bestreden beslissing Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de verweerder gegrond, doet het vonnis a quo teniet in zoverre verweerders tegenvordering tot echtscheiding ongegrond werd verklaard en eiseres' vordering tot een onderhoudsuitkering na echtscheiding gegrond, en opnieuw wijzend, spreekt de echtscheiding uit op grond van de artikelen 229 en 231 van het Burgerlijk Wetboek lastens de eiseres, en wijst eiseres' vordering tot een onderhoudsuitkering na echtscheiding af, en dit op volgende gronden: ¿Overwegende dat (de verweerder) de echtscheiding vordert lastens (de eiseres) op grond van overspel en ernstige beledigingen; dat uit een schrijven van 8 december 2004 met betrekking tot haar inkomensgarantieuitkering, dat (de eiseres) zelf voorlegt (stuk 13 dossier (eiseres)), blijkt dat haar rechten ingevolge haar eigen aanvraag of aangegeven wijziging werden vastgesteld rekening houdend met haar gezinssituatie als ¿samenwonende met gezinslast'; dat hieruit kan afgeleid worden dat (de eiseres) inderdaad in overspel samenwoonde met een andere partner; dat zij dit wel ontkent maar zij geen enkele plausibele verklaring geeft voor de voormelde vaststelling die kennelijk het gevolg is van haar eigen verklaring; dat de verklaring van 1 juni 2005 van de uitkeringsinstelling uitsluitend betrekking heeft op de dan bestaande toestand maar er geenszins uit blijkt dat deze betrekking heeft op de geviseerde periode van voordien en het voormelde stuk van 8 december 2004 dan ook niet weerlegt; dat de voorgehouden overspelige relatie van (de eiseres) dan ook afdoende is aangetoond; Overwegende dat overspel vermoed wordt beledigend te zijn; dat het aan de echtgenoot tegen wie het ingeroepen wordt behoort het bewijs te leveren dat het overspel geen beledigend karakter heeft; dat het feit dat (de verweerder) voordien de echtelijke woning verlaten heeft om met een andere vrouw te gaan samenleven en er inmiddels zelfs een kind mee heeft op zich niet volstaat om het beledigend karakter te weerleggen; dat (de eiseres) niet in het minst bewijst dat alle affectieve banden tussen partijen op het ogenblik van haar eigen overspelige relatie waren teloorgegaan; dat er inzake echtscheiding geen compensatie van fouten is en de plicht tot getrouwheid in principe blijft bestaan tot op het ogenblik van de echtscheiding; Overwegende dat dit overspel van (de eiseres), waarvan het beledigend karakter niet wordt weerlegd, dan ook de echtscheiding tussen partijen wettigt; Overwegende dat, gezien de echtscheiding eveneens lastens (de eiseres) wordt uitgesproken, zij geen aanspraak kan maken op een uitkering na echtscheiding¿ (arrest p. 3). Grieven Eerste onderdeel 1. Luidens artikel 229 van het Burgerlijk Wetboek kan ieder der echtgenoten de echtscheiding vorderen op grond van overspel door de andere echtgenoot gepleegd. Die sanctie voor het overspel is het gevolg van de bij artikel 213 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde plicht dat echtgenoten jegens elkaar getrouwheid verschuldigd zijn. Die plicht van getrouwheid onderstelt ook dat echtgenoten slechts met elkaar seksuele relaties hebben. Uit dit alles volgt dat overspel, in de zin van artikel 229 van het Burgerlijk Wetboek, vereist dat een gehuwde persoon geslachtsgemeenschap heeft met iemand die niet zijn echtgenoot is. 2. Feitelijke vermoedens zijn gevolgtrekkingen die de rechter, onder de voorwaarden van de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek, uit een bekend feit kan afleiden om te besluiten tot een onbekend feit. Hoewel de rechter onaantastbaar het bestaan vaststelt van de feiten waarop hij steunt en hoewel de gevolgtrekkingen, die hij daaruit als vermoeden afleidt, aan zijn oordeel en beleid worden overgelaten, mag hij het rechtsbegrip feitelijk vermoeden niet miskennen. Hij mag uit de door hem vastgestelde feiten geen gevolgtrekkingen afleiden die, op grond van die feiten, voor geen enkele verantwoording vatbaar zijn, of daarmee in geen enkel verband staan. 3. De ¿inkomensgarantie-uitkering¿ is, overeenkomstig de artikelen 27, 1°, b, 29, §2, en 131bis, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheids-reglementering, een uitkering die de ¿deeltijdse werknemer met behoud van rechten¿ kan genieten gedurende zijn deeltijdse tewerkstelling. Het netto-bedrag van de inkomensgarantie-uitkering verschilt, overeenkomstig artikel 131bis, §2, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheids-reglementering, naargelang het een werknemer betreft bedoeld in de artikelen 110, §1, §2 of §3 van hetzelfde besluit, met name een ¿werknemer met gezinslast¿, een ¿alleenwonende werknemer¿, of een ¿samenwonende werknemer¿. De ¿werknemer met gezinslast¿ is, blijkens artikel 110, §1, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering: - ofwel een werknemer die samenwoont met een echtgeno(o)t(
  2. e)of een met echtgenote gelijkgesteld persoon, met name, luidens artikel 110, §1, derde laatste lid, ¿(een) persoon die met de werknemer een feitelijk gezin vormt en die financieel te zijnen laste is, in zoverre deze persoon geen bloed- of aanverwant is tot en met de derde graad, noch een kind waarvoor de werknemer of een ander gezinslid aanspraak kan maken op gezinsbijslag¿, die noch over beroepsinkomens, noch over vervangingsinkomens beschikt; - ofwel een werknemer die niet samenwoont met een echtgenote of gelijkgesteld persoon, maar uitsluitend samenwoont met: ¿
  3. a)één of meerdere kinderen, op voorwaarde dat hij aanspraak kan maken op gezinsbijslagen voor ten minste één ervan of dat geen onder hen over beroeps- of vervangingsinkomens beschikt;
  4. b)één of meerdere kinderen en andere bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad, op voorwaarde dat hij aanspraak kan maken op gezinsbijslagen voor ten minste één van die kinderen en dat de andere bloed-of aanverwanten noch over beroeps- noch over vervangingsinkomens beschikken;
  5. c)één of meerdere bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad, die noch over beroeps-, noch over vervangingsinkomens beschikken¿; - ofwel een werknemer die alleen woont en ¿effectief onderhoudsuitkeringen betaalt:
  6. a)op grond van een rechterlijke beslissing;
  7. b)op grond van een notariële akte in het kader van een procedure tot echtscheiding door onderlinge toestemming of van een scheiding van tafel en bed;
  8. c)op grond van een notariële akte ten voordele van zijn kind, hetzij aan de persoon die het ouderlijk gezag uitoefent, hetzij aan het meerderjarig kind, indien de staat van behoeftigheid voortduurt¿. De werknemer met gezinslast, in de zin van artikel 110, §1, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, is derhalve, hetzij, een ¿samenwonende met gezinslast¿, hetzij, een ¿alleen wonende met gezinslast¿. Tegenover de ¿werknemer met gezinslast¿ in de zin van artikel 110, §1, van genoemd besluit, staat de ¿alleenwonende werknemer¿ in de zin van artikel 110, §2, van hetzelfde besluit, zijnde de werknemer die alleen woont met uitzondering van de werknemer bedoeld in §1, 3° tot 6°, en de ¿samenwonende werknemer¿ in de zin van artikel 110, §3, van hetzelfde besluit, zijnde ¿de werknemer die noch bedoeld is in paragraaf 1, noch in paragraaf 2¿. Voor de toepassing van de werkloosheidsreglementering betekent derhalve dat de vaststelling van de rechten van de betrokkene gebeurt op basis van zijn hoedanigheid van ¿samenwonende met gezinslast¿, dat de betrokkene samenwoont met een andere persoon of andere personen die geen beroeps- of vervangingsinkomsten hebben, waarbij deze andere perso(o)n(
  9. en)een echtgeno(o)t(
  10. e)kan zijn, een met echtgeno(o)t(
  11. e)gelijkgesteld persoon, kinderen, of andere bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad. Artikel 59, eerste lid, van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering, bepaalt dat onder samenwonen wordt verstaan ¿het onder hetzelfde dak samenleven van twee of meer personen die hun huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen¿. Het samenwonen vereist dat twee of meer personen geregeld onder hetzelfde dak aanwezig zijn maar niet dat zij daar zonder onderbreking zijn. 4. De verweerder steunde zijn tegenvordering in echtscheiding op een beweerd overspel van de eiseres met een zekere A.V.. Ter staving van diens stelling verwees de verweerder onder meer naar een door de eiseres zelf overgelegd stuk, zijnde een brief van het ACV van 8 december 2004 (stuk 13 inventaris van eiseres' stukken) (syntheseberoepsbesluiten van de verweerder, p. 14, derde laatste alinea). Uit deze brief blijkt volgens de verweerder ¿dat (de eiseres) een uitkeringsaanvraag heeft ingediend ingaand op 1 september 2004 en haar recht werd vastgesteld rekening houdend met haar gezinssituatie als ¿samenwonende met gezinslast'¿ (ibid. p. 14, voorlaatste alinea). De ¿gezinslast¿ verwijst volgens de verweerder op de kinderen, terwijl ¿de kwalificatie van samenwonende slaat op het feit van effectieve samenwoonst met de heer V.¿ (ibid. p. 14, onderaan en p. 15, bovenaan). De eiseres betwistte het bestaan van een relatie met de genaamde A.V.. Volgens de eiseres bleek uit het door haar overgelegd stuk 13 geenszins een overspelige relatie, en diende achter de vermelding ¿samenwonende met gezinslast¿ niets te worden gezocht (samenvattende beroepsbesluiten van de eiseres, p. 7, derde laatste alinea). De eiseres bracht bovendien een verklaring bij van het ACV-Hoboken van 1 juni 2005, waarbij werd gesteld: ¿(De eiseres) werkt deeltijds met een behoud van haar rechten en (
  12. is)gezinshoofd en woont uitsluitend samen met haar kinderen die ten hare laste staan¿ (ibid. p. 7, laatste alinea). Verder benadrukte de eiseres ook in conclusie: ¿(De eiseres) ontvangt vanwege de RVA geen werkloosheidsvergoeding als bijpassing. Op instigatie van de vakbond werd wel een aanvraag ingediend op grond van gewijzigde omstandigheden (gezinshoofd). Deze aanvraag werd goedgekeurd doch gezien het te hoge brutoloon van (cliënte) wordt geen bijpassing betaald¿ (samenvattende beroepsbesluiten eiseres, p. 11, tweede alinea). 5. Het bestreden arrest leidt zijn beslissing dat de eiseres ¿inderdaad in overspel samenwoonde met een andere partner¿ af uit ¿een schrijven van 8 december 2004 met betrekking tot (eiseres') inkomensgarantieuitkering, dat (de eiseres) zelf voorlegt (stuk 13 dossier (eiseres)¿, en de omstandigheid dat uit dit schrijven blijkt ¿dat (eiseres') rechten ingevolge haar eigen aanvraag of aangegeven wijzigingen werden vastgesteld rekening houdend met haar gezinssituatie als ¿samenwonende met gezinslast'¿. Uit dit schrijven van 8 december 2004, gevoegd bij huidige voorziening (stuk nr.1), blijkt dat het uitgaat van het Algemeen Christelijk Vakverbond (ACV), gericht is aan de eiseres, de eiseres informeert over haar recht op uitkering als ¿deeltijds werknemer met behoud van rechten met inkomensgarantie-uitkering¿, en eiseres' recht vaststelt ¿rekening houdende met (haar) gezinssituatie als ¿samenwonende met gezinslast'¿. Uit de vaststellingen van het arrest blijkt dat uit het huwelijk van partijen drie kinderen geboren zijn, I. (6 mei 1990), T. (7 januari 1992), en A. (19 augustus 1996). Uit de conclusies van de partijen voor het hof van beroep blijkt dat bij beschikking, uitgesproken op 17 oktober 2003 door de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen, werd geoordeeld dat het ouderlijk gezag over de kinderen gezamenlijk diende te worden uitgeoefend, dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de eiseres hebben, dat de eiseres het kindergeld dient te ontvangen, en dat de kinderen afwisselend één week bij de eiseres en één week bij de verweerder dienen te verblijven (tweede aanvullende en samenvattende beroepsbesluiten van de eiseres, p. 3, en syntheseberoepsbesluiten van de verweerder, p. 3, vierde alinea e.v.). De eiseres is alleen reeds om reden dat zij samenwoont met de kinderen die hun hoofdverblijf bij haar hebben en dat zij het kindergeld ontvangt, ¿samenwonende met gezinslasten¿ in de zin van de werkloosheidsreglementering, zoals hiervoren toegelicht. 6. Nu de hoedanigheid van ¿samenwonende met gezinslast¿, voor de toepassing van de werkloosheidsreglementering enkel betekent dat de betrokkene samenwoont met een andere persoon of andere personen die geen beroeps- of vervangingsinkomsten hebben, weze het een echtgenoot, een persoon waarmee een feitelijk gezin wordt gevormd, een kind, of een bloed- of aanverwant tot en met de derde graad, en het begrip ¿samenwonende¿ in het kader van de werkloosheidsreglementering niet betekent dat men geslachtsgemeenschap heeft met een andere persoon dan de echtgenoot, kon het bestreden arrest, steunend op de vermelding van ¿samenwonende met gezinslast¿ in het genoemde schrijven van 8 december 2004, niet wettig oordelen dat de eiseres ¿inderdaad¿ samenwoonde met een andere partner en dat de verklaring van de eiseres dat de vermelding ¿samenwonende¿ betrekking heeft op de kinderen niet plausibel is, en kon het bestreden arrest a fortiori uit de vaststellingen die het bevat niet wettig afleiden dat de eiseres in overspel samenwoonde met een andere partner. Door aldus te oordelen schendt het bestreden arrest de artikelen 27, 1°, b, 29, §2, 131 bis, 110, §1, §2 en §3, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering evenals artikel 59, eerste lid, van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregels van de werkloosheids-reglementering, leidt het een gevolg af uit de vastgestelde feiten dat op grond daarvan niet kan verantwoord worden (schending van de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek), en kon het niet wettig besluiten dat verweerders echtscheidings-vordering gegrond is wegens het beledigend overspel van de eiseres (schending van de artikelen 229 en 231 van het Burgerlijk Wetboek en voor zoveel als nodig artikel 213 van hetzelfde wetboek) en eiseres' vordering tot een onderhoudsuitkering na echtscheiding afwijzen (schending van artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek). Tweede onderdeel 1. Naar luid van artikel 229 van het Burgerlijk Wetboek, kan ieder der echtgenoten de echtscheiding vorderen op grond van overspel door de andere echtgenoot gepleegd. Krachtens artikel 231 van het Burgerlijk Wetboek, kan ieder der echtgenoten echtscheiding vorderen op grond van gewelddaden, mishandelingen of grove beledigingen door de andere echtgenoot jegens hem gepleegd. Overspel is enkel dan een grond tot echtscheiding wanneer het beledigend is. Bij gebreke van daarmee strijdige omstandigheden vermag de feitenrechter te oordelen dat het overspel beledigend is. Hoewel er in echtscheidingszaken geen vergelijking van respectieve schuld bestaat, kunnen feiten van beledigende aard die door een van de echtgenoten zijn gepleegd een verzachting zijn van de fout van de andere echtgenoot en daaraan het karakter van grove belediging ontnemen. Wanneer op het ogenblik van het overspel elke affectieve band tussen partijen verbroken was, kan het overspel als niet beledigend beschouwd worden, met name niet krenkend voor de bedrogen echtgeno(o)t(e). Het beledigend karakter moet beoordeeld worden rekening houdende met alle feitelijke omstandigheden van de zaak. De beoordeling in feite van het beledigend karakter is onaantastbaar in cassatie, in zoverre de feiten waarop de rechter dit oordeel grondt, de beslissing kunnen rechtvaardigen. 2. De eiseres betwistte, in ondergeschikte orde, in zoverre zou geoordeeld worden dat een overspelige relatie is aangetoond, het beledigend karakter van dit overspel. De eiseres benadrukte inzonderheid in conclusie dat de beweerde relatie, die een aanvang zou genomen hebben op 16 mei 2004, niet beledigend was om reden dat de verweerder zelf reeds op 6 juni 2003, dus bijna één jaar voordien, betrapt werd op overspel, dat de verweerder de echtelijke woning heeft verlaten om een nieuw gezin te stichten, en ook op 3 februari 2004 effectief vader is geworden (tweede aanvullende en samenvattende beroepsbesluiten eiseres, p. 8, tweede alinea e.v.). De eiseres verwees ook naar de duidelijke motivering van de beschikking in kort geding van 17 oktober 2003 van de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen: ¿Dat het (de verweerder) is die de echtelijke woning heeft verlaten om met zijn nieuwe vriendin te gaan samenwonen. Dat (de verweerder) een duidelijke keuze heeft gemaakt door een nieuw gezin te willen stichten. Dat (de verweerder) niet gewacht heeft tot de echtscheiding werd uitgesproken vermits zijn vriendin van hem reeds een baby verwacht. Dat de kinderen van partijen niet het slachtoffer kunnen zijn van het feit dat (de verweerder) een nieuw gezin wenst te stichten, wat voor hem extra kosten meebrengt' (ibid. p. 8, sub 2). 3. Het bestreden arrest oordeelt dat overspel vermoed wordt beledigend te zijn, en dat de echtgenoot tegen wie het ingeroepen wordt behoort het bewijs moet leveren dat het overspel geen beledigend karakter heeft. De eiseres bewijst volgens het bestreden arrest niet ¿dat alle affectieve banden tussen partijen op het ogenblik van haar eigen overspelige relatie waren teloorgegaan¿. De door de eiseres in conclusie aangevoerde feitelijke omstandigheden dat de verweerder voordien de echtelijke woning had verlaten om met een andere vrouw te gaan samenleven en er inmiddels zelfs een kind mee heeft, volstaan volgens het bestreden arrest op zich niet om het beledigend karakter te weerleggen. 4. Wanneer, zoals te dezen, de bedrogen echtgenoot zelf de echtelijke woning heeft verlaten om te gaan samenwonen met een andere vrouw, en met deze vrouw een kind heeft en een gezin sticht, kan worden aangenomen dat het later overspel van de echtgenote niet beledigend is ingevolge de definitief verbroken affectieve band tussen partijen, behoudens tegenbewijs door de bedrogen echtgenoot. Het bestreden arrest kon dienvolgens niet wettig oordelen dat de omstandigheden dat de verweerder voordien de echtelijke woning had verlaten om met een andere vrouw te gaan samenleven en er inmiddels een kind mee heeft, niet volstaan ter weerlegging van het beledigend karakter, en inzonderheid niet aantonen dat alle affectieve banden tussen partijen op het ogenblik van het overspel waren teloorgegaan, zonder enig feitelijk gegeven in aanmerking te nemen waaruit zou blijken dat, ondanks de eigen houding van de verweerder, hij niettemin door het overspel van de eiseres beledigd is (schending van de artikelen 229 en 231 van het Burgerlijk Wetboek). Voor zoveel als nodig miskent het arrest aldus eveneens het wettelijk begrip feitelijk vermoeden, door uit de vaststellingen die het bevat aangaande de eigen houding van de verweerder, af te leiden dat niet is weerlegd dat de verweerder nog affectieve banden had met de eiseres, nu deze vaststellingen deze feitelijke gevolgtrekking onmogelijk kunnen verantwoorden (schending van de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel 1. Krachtens artikel 229 van het Burgerlijk Wetboek kan ieder der echtgenoten de echtscheiding vorderen op grond van overspel door de andere echtgenoot gepleegd. Die sanctie is het gevolg van de bij artikel 213 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde plicht dat echtgenoten jegens elkaar getrouwheid verschuldigd zijn. Voor overspel in de zin van artikel 229 van het Burgerlijk Wetboek is vereist dat een gehuwde persoon seksuele betrekkingen heeft met een andere persoon, die niet zijn echtgenoot is. 2. Krachtens artikel 110, §1, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, wordt onder werknemer met gezinslast onder meer verstaan, de werknemer die: 1°) samenwoont met een echtgeno(o)t(
  13. e)of een met de echtgeno(o)t(
  14. e)gelijkgestelde persoon, met name ¿de persoon die met de werknemer een feitelijk gezin vormt en die financieel te zijnen laste is, in zoverre deze persoon geen bloed- of aanverwant is tot en met de derde graad, noch een kind waarvoor de werknemer of een ander gezinslid aanspraak kan maken op gezinsbijslag¿, die noch over beroepsinkomens, noch over vervangingsinkomens beschikt; 2°) niet samenwoont met een echtgeno(o)t(
  15. e)of een met de echtgeno(o)t(
  16. e)gelijkgestelde persoon, doch uitsluitend samenwoont met:
  17. a)één of meerdere kinderen, op voorwaarde dat hij aanspraak kan maken op gezinsbijslagen voor ten minste één ervan of dat geen onder hen over beroeps- of vervangingsinkomens beschikt;
  18. b)één of meerdere kinderen en andere bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad, op voorwaarde dat hij aanspraak kan maken op gezinsbijslagen voor ten minste één van die kinderen en dat de andere bloed- en aanverwanten noch over beroeps- noch over vervangingsinkomens beschikken;
  19. c)één of meerdere bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad, die noch over beroeps-, noch over vervangingsinkomens beschikken. 3. Artikel 59, eerste lid, van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering, bepaalt dat onder samenwonen wordt verstaan het onder hetzelfde dak samenleven van twee of meer personen die hun huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen. Het samenwonen in de zin van deze bepaling, vereist dat twee of meer personen geregeld onder hetzelfde dak aanwezig zijn, maar niet dat zij daar ononderbroken zouden zijn. 4. Uit deze bepalingen volgt dat het begrip samenwonen in de werkloosheidsreglementering enkel betekent dat de betrokkene samenleeft met één of meer andere personen waarmee hij zijn huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelt. Dit kan onder meer betrekking hebben op het samenwonen van een werknemer met zijn kinderen, zelfs wanneer die kinderen niet ononderbroken onder hetzelfde dak zouden verblijven als hun ouder. 5. De vaststelling in het kader van de werkloosheidsreglementering, dat een werknemer samenwoont, houdt derhalve op zich niet in dat de betrokkene in overspel samenwoont. 6. Uit de vaststellingen van het bestreden arrest en uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat uit het huwelijk van de partijen drie kinderen geboren zijn en dat bij beschikking, uitgesproken op 17 oktober 2003 door de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen, geoordeeld werd dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de eiseres dienen te hebben, dat de eiseres het kinderbijslag dient te ontvangen en dat de kinderen afwisselend één week bij de eiseres en één week bij de verweerder dienen te verblijven. 7. Het bestreden arrest stelt vast dat de eiseres een brief van 8 december 2004 voorlegt, waaruit blijkt dat haar rechten met betrekking tot haar ¿inkomensgarantie-uitkering¿ vastgesteld werden rekening houdend met haar gezinssituatie als ¿samenwonende met gezinslast¿ en dat de eiseres de voormelde vaststelling in de brief van 8 december 2004 niet weerlegt. 8. Op de enkele grond hiervan kon het bestreden arrest niet wettig afleiden dat de eiseres in overspel samenwoonde met een andere partner en kon het niet wettig besluiten dat echtscheidingsvordering van de verweerder gegrond is wegens het beledigend overspel van de eiseres. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van eenentwintig mei tweeduizend en zeven uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070521.1 Gerelateerde publicatie(
  20. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220627.3F.3 ECLI:BE:CTLIE:2023:ARR.20230308.2 ECLI:BE:CTLIE:2025:ARR.20250115.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981217.5 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021007.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.