← België

ANTWERP DIAMOND HOUSE contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070521.2 Rolnummer: S.06.0015.N Zaak: ANTWERP DIAMOND HOUSE contra D. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2007-07-17 Raadplegingen: 226 - laatst gezien 2026-06-17 05:25 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het begrip "particuliere sector" van 's lands bedrijfsleven is in artikel 1 van het koninklijk besluit van 10 februari 1965 tot aanwijzing van de personen die met een leidende functie of met een vertrouwenspost zijn bekleed in de particuliere sector van 's lands bedrijfsleven, voor de toepassing van de wet betreffende de arbeidsduur, niet beperkt tot de handels- of nijverheidsondernemingen. Thesaurus CAS: ARBEID - ARBEIDSTIJDEN EN RUSTTIJDEN Vrije woorden: Arbeidstijden - Personen die met een leidende functie of met een vertrouwenspost zijn bekleed in de particuliere sector van 's lands bedrijfsleven - Particuliere sector van 's lands bedrijfsleven - Begrip Wettelijke bepalingen: KB 10 februari 1965 tot aanwijzing van de personen die met een leidende functie of met een vertrouwenspost zijn bekleed in de particuliere sectors van 's lands bedrijfsleven, voor de toepassing van de wet betreffende de arbeidsduur - 10-02-1965 - Art. 1 - 02 ELI link Pub nr 1965021001 Tekst van de beslissing Nr. S.06.0015.N ANTWERP DIAMOND HOUSE, vereniging van mede-eigenaars, met zetel te 2018 Antwerpen, Hoveniersstraat 30, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen D.E., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 27 september 2005 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan.

  1. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 Aangevochten beslissing In het bestreden arrest verklaart het arbeidshof, recht sprekend over de oorspronkelijke vordering van de verweerder, het incidenteel beroep van de eiseres ontvankelijk doch ongegrond. Het arbeidshof vernietigt het vonnis van de arbeidsrechtbank van 19 december 2003 niet in zoverre het de vordering van de verweerder ontvankelijk verklaarde, op grond van de volgende motieven: “5.
  2. Ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering: (De eiseres) laat gelden dat de uitbaters van de in het gebouw gevestigde handelszaken de respectievelijke werkgevers van (de verweerder) waren, zodat de vordering die tegen haar gericht is onontvankelijk dient te worden verklaard. Het (arbeidshof) kan deze zienswijze geenszins bijtreden om de hiernavolgende redenen. Uit de door (de verweerder) neergelegde stukken blijkt onmiskenbaar dat (de eiseres) zich ononderbroken en op ondubbelzinnige wijze heeft gekwalificeerd als werkgever in het kader van een arbeidsovereenkomst voor arbeiders. Zo vermeldt het addendum van 8 januari 1999 als werkgever: ‘Antwerp Diamond House-mede-eigenaars - Hoveniersstraat 30 bus 200 - 2018 Antwerpen’ (...). Het attest van tewerkstelling van 30 januari 2001 duidt eveneens aan als werkgever: ‘Mede-eig.Antw.Diamond House, Hoveniersstraat 30, 2018 Antwerpen’ (...). Ook de ingebrekestelling van 15 januari 2002 van de vakorganisatie van (de verweerder) werd door de raadsman van (de eiseres) beantwoord op 29 januari 2002 namens de vereniging voor mede-eigenaars (...). Tenslotte kan nog verwezen worden naar stuk 5 van het dossier van (de eiseres) houdende verklaring van 25 maart 1994 van (de verweerder), die werd genoteerd op briefpapier van de Gemeenschap der Eigenaars. De door (de eiseres) ontwikkelde argumentatie dat zij in de zin van de wet van 30 juni 1994 appartementsmede-eigendom niet kan optreden als werkgever van bewakingsagenten, is volkomen onjuist. In dit verband hebben de eerste rechters terecht geoordeeld dat, overeenkomstig het bepaalde van artikel 577-5, §1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, de vereniging voor medeëigenaars rechtspersoonlijkheid verkrijgt wanneer twee voorwaarden vervuld zijn; 1°, het ontstaan van de onverdeeldheid door de overdracht of de toekenning van minstens één kavel; 2°, de overschrijving van de basisakte en van het reglement van medeëigendom op het hypotheekkantoor. De plannen van het gebouw kunnen daarbij in de vorm van een door een notaris voor eensluidend verklaard afschrift als bijlage worden gevoegd. Opdat de vereniging voor mede-eigenaars rechtspersoonlijkheid kunnen verwerven moet bijgevolg naast een effectief ontstaan van onverdeeldheid, er ook een overschrijving van de statuten van het gebouw of de groep van gebouwen in mede-eigendom zijn. Zodra aan beide voorwaarden is voldaan, verkrijgt de mede-eigendom automatisch en van rechtswege het statuut van vereniging met rechtspersoonlijkheid (...). Dat aan beide voorwaarden werd voldaan, staat als zodanig niet ter discussie. Een van de gevolgen van de rechtspersoonlijkheid van de vereniging voor mede-eigenaars is dat zij als zelfstandig rechtssubject dient te worden aangezien. Zij is een rechtspersoon met burgerrechtelijk doel; zij stelt geen daden van koophandel en is geen handelaar (...). Zoals blijkt uit het bepaalde van artikel 577-5, §3, van het Burgerlijk Wetboek is bedoelde Vereniging voor mede-eigenaars bedacht om de exploitatie van het gebouw te vergemakkelijken, waardoor zij de functionele bevoegdheid krijgt van het behoud en het beheer van het gebouw. De vereniging voor mede-eigenaars staan in voor de behartiging van de gemeenschappelijke belangen van de mede-eigenaars en niet van hun privé-belangen. Het is duidelijk dat de arbeidsovereenkomst van (de verweerder) en zijn tewerkstelling als bewakingsagent als zodanig in het gebouw met alle aanhorigheden (genaamd Antwerp Diamond House) aan de Hoveniersstraat 30-38 te Antwerpen, kadert in de door de Appartementswet aan (de eiseres) toegekende bevoegdheid van daden van beheer van de gemeenschappelijke gedeelten van het onroerend goed in mede-eigendom. De omstandigheid dat de feitelijke vereniging op zich blijft voortbestaan, zoals (de eiseres) pretendeert, doet evident geen afbreuk aan bovenstaande overwegingen en besluitvorming. Het incidenteel beroep is bijgevolg ongegrond”. (blz. 4 en 5 van het arrest). Grieven
  3. Eerste onderdeel Artikel 577-5, §3, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de vereniging van mede-eigenaars geen ander vermogen kan hebben dan de roerende goederen nodig voor de verwezenlijking van haar doel dat uitsluitend bestaat in het behoud en het beheer van het gebouw of de groep van gebouwen. Het behoud en het beheer van het gebouw is het enige doel van de rechtspersoon; andere activiteiten mogen niet worden ontplooid. De rechtspersoonlijkheid van de vereniging voor mede-eigenaars geldt uitsluitend voor de verwezenlijking van haar maatschappelijk doel. Het Hof kan nagaan of de feitenrechter op grond van de door hem gedane vaststellingen wettig beslist of een bepaalde handeling behoort tot de bevoegdheid van de vereniging van mede-eigenaars, gelet op haar doel dat enkel bestaat in het behoud en het beheer van het gebouw of de groep van gebouwen. Door op grond van de loutere vaststelling dat het duidelijk is dat de arbeidsovereenkomst van de verweerder en zijn tewerkstelling als bewakingsagent als zodanig in het gebouw van de eiseres, met alle aanhorigheden, gelegen aan de Hoveniersstraat 30-38 te Antwerpen, kaderen in de door de wet aan de eiseres toegekende bevoegdheid van daden van beheer van de gemeenschappelijke gedeelten van het onroerend goed in mede-eigendom, zonder na te gaan en vast te stellen wat de tewerkstelling van de verweerder als bewakingsagent precies inhield, maakt het arbeidshof het wettigheidstoezicht van het Hof onmogelijk en schendt het dan ook artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Aldus beslist het arbeidshof met miskenning van de grondwettelijke motiverings-verplichting dat de arbeidsovereenkomst van de verweerder en zijn tewerkstelling als bewakingsagent als zodanig in het gebouw van de eiseres kaderen in de door de wet aan de eiseres toegekende bevoegdheid van daden van beheer van de gemeenschappelijke gedeelten van het onroerend goed in mede-eigendom. Bijgevolg verklaart het arbeidshof het incidenteel beroep van de eiseres op die basis niet wettig ongegrond (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet).
  4. Tweede onderdeel De eiseres voerde in regelmatig voor het arbeidshof neergelegde conclusies aan dat niet zij de werkgever van de verweerder was, maar de uitbaters van de in het gebouw gevestigde handelszaken, zoals het arbeidshof ook vaststelt (blz. 4, punt 5.1., eerste alinea, van het arrest). De eiseres voerde aan dat de uitbaters van de in het gebouw gevestigde handelszaken in werkelijkheid de werkgever waren en de kosten van bewaking droegen (blz. 3, onderaan, van de “Aanvullende beroepsconclusies (tevens syntheseconclusie)”, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 28 januari 2005). Ook voerde de eiseres in een regelmatig aan het arbeidshof voorgelegde conclusie aan: “(De verweerder) gaat er bovendien te onrechte vanuit dat de wettelijke verplichting tot het oprichten van een vereniging van mede-eigenaars het bestaan van de feitelijke vereniging van de gebruikers van het gebouw opheft. Deze feitelijke vereniging blijft onverkort voortbestaan en is trouwens niet noodzakelijk identificeerbaar met de vereniging van mede-eigenaars: niet alle mede-eigenaars baten noodzakelijk een diamanthandel uit in het gebouw en niet alle handelaars zijn noodzakelijk mede-eigenaar. Niets belet dan ook dat de feitelijke vereniging blijft bestaan en in die hoedanigheid beroep doet op een bewakingsdienst om haar handel te bewaken. Met het oog op het uitvoeren van hun bedrijfsactiviteiten hebben de individuele leden van deze feitelijke vereniging nood aan een constante bewaking. Het zijn immers niet de gebouwen zelf die bewaking behoeven, doch wel de uitbaters van de diamantfirma's, hun personeel en klanten en niet in het minst de koopwaar, bestaande uit partijen diamanten en edelstenen, alsook uit de gelden die met de verhandeling ervan gepaard gaan. Of zij deze bewaking zelf verzorgen, dan wel deze uitbesteden is irrelevant. Indien in het gebouw andere bedrijfsactiviteiten zouden uitgeoefend worden, zou de nood aan permanente bewaking trouwens ook komen te vervallen. De betaling van het loon van de bewakingsagenten, die instaan voor de bewaking, is dan ook een louter bedrijfsmatige kost, die gedragen wordt door de gebruikers, uitbaters van diamantfirma's en niet door de mede-eigenaars die volledig vreemd zijn aan de arbeidsovereenkomsten met de bewakers. De vordering van (de verweerder) lastens (de eiseres) diende dan ook afgewezen te worden als onontvankelijk c.q. ontoelaatbaar bij gebreke aan hoedanigheid van deze laatste als werkgever van de bewakingsagenten”. (blz. 4, onderaan, en 5, van de “Aanvullende beroepsconclusies (tevens syntheseconclusie)”, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 28 januari 2005). Aldus voerde de eiseres omstandig aan dat de bewakingsagenten, waaronder de verweerder, in werkelijkheid niet voor haar diensten presteerden, maar voor de (feitelijke vereniging van) uitbaters van de in de gebouwen gevestigde handelszaken. Het hierboven geciteerde verweer van de eiseres wordt niet beantwoord, noch al dan niet impliciet weerlegd, door de vaststellingen van het arbeidshof in het arrest. Het bestreden arrest is dan ook niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). Aldus beslist het arbeidshof met miskenning van de grondwettelijke motiveringsverplichting dat de arbeidsovereenkomst van de verweerder en zijn tewerkstelling als bewakingsagent als zodanig in het gebouw van de eiseres kaderen in de door de wet aan de eiseres toegekende bevoegdheid van daden van beheer van de gemeenschappelijke gedeelten van het onroerend goed in mede-eigendom. Bijgevolg verklaart het arbeidshof het incidenteel beroep van de eiseres op die basis niet wettig ongegrond (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet).
  5. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1 en 3, §3, 1°, van de Arbeidswet van 16 maart 1971; - artikel 1 van het koninklijk besluit van 10 februari 1965 tot aanwijzing van de personen die met een leidende functie of met een vertrouwenspost zijn bekleed in de particuliere sectors van 's lands bedrijfsleven, voor de toepassing van de wet betreffende de arbeidsduur; - de artikelen 10, 11, 149 en 159 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari
  6. Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekend over de oorspronkelijke vordering van de verweerder, het hoger beroep van de verweerder ontvankelijk en als volgt gegrond. Het arbeidshof vernietigt het vonnis van de arbeidsrechtbank van 19 december 2003, behoudens in zoverre het de vordering van de verweerder ontvankelijk verklaarde. Opnieuw rechtsprekend, veroordeelt het arbeidshof de eiseres tot betaling van 53.752,22 euro als schadevergoeding gelijk aan het gederfde loon, loon voor overwerk, feestdagenloon en premies voor nachtarbeid, bedrag te vermeerderen met de interest. Ook veroordeelt het arbeidshof de eiseres tot afgifte van de gevraagde sociale en fiscale documenten en tot de kosten van beide instanties. Het arbeidshof beslist dat onder meer op grond van de volgende motieven: “5.
  7. Geen toepassing van het koninklijk besluit van 10 februari 1965: Sub 5.
  8. van dit arrest heeft het (arbeidshof) beslist dat (de eiseres) een privaatrechtelijk rechtspersoon is met een burgerrechtelijk doel ingevolge artikel 577-5, §1, van het Burgerlijk Wetboek en dat deze rechtspersoon de werkgever van (de verweerder) is. Eveneens werd beslist dat de door (de verweerder) uitgevoerde bewakingsopdrachten voor (de eiseres) kaderen in het maatschappelijk doel van deze gemeenschap, met name het behoud en het beheer van het gebouw aan de Hoveniersstraat te Antwerpen. Artikel 577 van het Burgerlijk Wetboek inzake mede-eigendom is van toepassing op appartementsgebouwen ongeacht de bestemming die ze hebben meegekregen: woon- verblijfplaats dan wel gebouwen waarin handelsverrichtingen worden uitgevoerd. De omstandigheid dat de mede-eigenaars van het gebouw aan de Hoveniersstraat te Antwerpen hoofdzakelijk handelsactiviteiten (in casu diamanthandel) laten plaatsgrijpen in hun privé-eigendommen, staat er niet aan in de weg dat de bewakingsopdrachten die door (de verweerder) werden verricht, de behartiging van de gemeenschappelijke belangen tot doel hadden en bijgevolg plaatsvonden binnen het beheer van het gebouw en het doel van deze rechtspersoon. Ten onrechte beroept (de eiseres) zich op het koninklijk besluit van 10 februari 1965 tot aanwijzing van de personen die met een leidende functie of met een vertrouwenspost zijn bekleed in de particuliere sector van 's lands bedrijfsleven, voor toepassing van de wet betreffende de arbeidsduur, hierin gevolgd door de eerste rechters, teneinde de vordering van (de verweerder) in betaling van een schadevergoeding gelijk aan het gederfde loon, loon voor overwerk, feestdagenloon en premie voor nachtarbeid wegens inbreuken op de Arbeidswet als ongegrond te doen afwijzen. Er dient inderdaad vastgesteld te worden dat artikel 1,4°, van de Arbeidswet van 16 maart 1971 de arbeidsduurregeling van toepassing verklaart op ‘de inrichtingen van de werkgevers en met werkgevers gelijkgestelde personen, die een activiteit buiten het bedrijfsleven uitoefenen’. (De eiseres) gaat er evenwel aan voorbij dat in artikel 3, §3, 1°, van diezelfde wet de bepalingen van hoofdstuk III, afdelingen II (bepalingen inzake arbeidsduur) en IV tot VII niet van toepassing zijn op de door de Koning aangewezen werknemers die een leidende functie uitoefenen of een vertrouwenspost bekleden. Het voormeld koninklijk besluit van 10 februari 1965 bepaalt evenwel uitdrukkelijk in zijn artikel 1: ‘Dit besluit is van toepassing op de werknemers die in de particuliere sector van 's lands bedrijfsleven tewerkgesteld zijn’. Terecht merkt (de verweerder) in dit verband op dat op grond van artikel 3 van de Arbeidswet de Koning de mogelijkheid had om de leidinggevende en vertrouwensfuncties met betrekking tot de niet economische werkgevers zoals (de eiseres), aan te duiden, wat hij evenwel niet heeft gedaan. Het koninklijk besluit van 10 februari 1965, dat uitzonderingen invoert op de bepalingen van de Arbeidswet, dient beperkend te worden geïnterpreteerd, zodat evident niet kan ingegaan worden op het verzoek van (de eiseres), zijnde een rechtspersoon die geen handels- of nijverheidsonderneming is, om voornoemd koninklijk besluit bij gelijkstelling op haar van toepassing te verklaren. Uit wat voorafgaat besluit het (arbeidshof) dat (de verweerder) niet werd tewerkgesteld in de particuliere sector van 's lands bedrijfsleven zodat geen toepassing kan worden gemaakt van het koninklijk besluit van 10 februari
  9. In de gegeven omstandigheden dient niet verder onderzocht te worden of (de verweerder) kan gekwalificeerd worden als een persoon belast met de controle- of inspectieopdrachten welke geheel of gedeeltelijk buiten de normale werkuren uitgeoefend moeten worden in de zin van artikel 2.1.6°, van het koninklijk besluit van 10 februari
  10. Tenslotte besluit het (arbeidshof) dat bedoeld artikel 1 van het koninklijk besluit van 10 februari 1965 geen schending uitmaakt van het gelijkheidsbeginsel. Het door de Koning gekozen criterium om het in artikel 1 van voormeld koninklijk besluit bepaalde onderscheid vast te stellen, ligt in de aard van de activiteit die wordt uitgeoefend door degene die de werknemer tewerkstelt. Het is duidelijk dat de particuliere sectoren van 's lands bedrijfsleven en de niet economische sectoren aparte categorieën zijn, zodat voor hen een verschillende behandeling mogelijk is. Doordat de Koning een principieel verschil in behandeling maakt tussen de niet economische sectoren die geen handelsactiviteit uitoefenen en de andere particuliere sectoren van 's lands bedrijfsleven die dat wel doen, heeft hij zich op een objectief en relevant criterium gebaseerd, namelijk de organisatie, de werking en de eigen vereisten van de economische sectoren. Er kan derhalve geen schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet worden weerhouden”. (blz. 5, onderaan, t.e.m. blz. 7, achtste alinea, van het arrest). Grieven Krachtens artikel 3, §3, 1°, van de Arbeidswet van 16 maart 1971 zijn de bepalingen van hoofdstuk III, afdelingen II, en IV tot VII, niet van toepassing op de door de Koning aangewezen werknemers die een leidende functie uitoefenen of een vertrouwenspost bekleden. Aan dat besluit is uitvoering gegeven door het koninklijk besluit van 10 februari 1965 tot aanduiding van de met een leidende functie of vertrouwenspost beklede personen in de particuliere sectors van 's lands bedrijfsleven voor de toepassing van de wet betreffende de arbeidsduur. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 10 februari 1965 tot aanwijzing van de personen die met een leidende functie of met een vertrouwenspost zijn bekleed in de particuliere sectors van 's lands bedrijfsleven, voor de toepassing van de wet betreffende de arbeidsduur, hieronder afgekort als koninklijk besluit van 10 februari 1965, bepaalt dat het koninklijk besluit van toepassing is op de werknemers die in de particuliere sectors van 's lands bedrijfsleven zijn tewerkgesteld. Het arbeidshof oordeelt dat de verweerder niet werd tewerkgesteld in de particuliere sector van 's lands bedrijfsleven zodat geen toepassing kan gemaakt worden van het koninklijk besluit van 10 februari 1965 (blz. 7, tweede alinea, van het arrest). 3.
  11. Eerste onderdeel Het arbeidshof neemt de voornoemde beslissing op grond van volgende vaststellingen en overwegingen: - de eiseres is een privaatrechtelijk rechtspersoon met een burgerrechtelijk doel ingevolge artikel 577-5, §1, van het Burgerlijk Wetboek, en is de werkgever van de verweerder (blz. 5, laatste alinea, van het arrest), - de door de verweerder uitgevoerde bewakingsopdrachten voor de eiseres kaderen in het maatschappelijk doel van de eiseres, met name het behoud en het beheer van het gebouw aan de Hoveniersstraat te Antwerpen (blz. 6, eerste alinea, van het arrest), - de omstandigheid dat de mede-eigenaars van het gebouw aan de Hoveniersstraat te Antwerpen hoofdzakelijk handelsactiviteiten laten plaatsgrijpen in hun privé-eigendommen, staat er niet aan in de weg dat de bewakingsopdrachten die de verweerder verrichtte, de behartiging van de gemeenschappelijke belangen van alle mede-eigenaars tot doel hadden en bijgevolg plaatsvonden binnen het beheer van het gebouw en het doel van de eiseres (blz. 6, derde alinea, van het arrest), - het koninklijk besluit van 10 februari 1965 bepaalt uitdrukkelijk in zijn artikel 1 dat het van toepassing is op de werknemers die in de particuliere sector van 's lands bedrijfsleven zijn tewerkgesteld (blz. 6, voorlaatste alinea, van het arrest), - de Koning had de mogelijkheid om de leidinggevende en vertrouwensfuncties met betrekking tot de niet-economische werkgevers, zoals de gemeenschap van mede-eigenaars, aan te duiden, wat hij evenwel niet heeft gedaan (blz. 6, laatste alinea, van het arrest), - de eiseres is een rechtspersoon die geen handels- of nijverheidsonderneming is (blz. 7, eerste alinea, van het arrest). Door op grond van de hierboven weergegeven vaststellingen en overwegingen te oordelen dat de verweerder niet is tewerkgesteld in de particuliere sector van 's lands bedrijfsleven, zodat geen toepassing kan worden gemaakt van het koninklijk besluit van 10 februari 1965, maakt het arbeidshof het voor het Hof onmogelijk na te gaan of die beslissing van het arbeidshof wettig is. Het bestreden arrest bevat daartoe immers niet de vereiste feitelijke vaststellingen. Aangezien het aldus het aan het Hof opgedragen wettigheidstoezicht onmogelijk maakt, schendt het bestreden arrest artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Uit geen enkele vaststelling of overweging van het arbeidshof kan immers worden afgeleid dat de eiseres niet behoort tot de particuliere sector van 's lands bedrijfsleven. In de mate dat het arbeidshof oordeelt dat de verweerder niet tewerkgesteld is in de particuliere sector van 's lands bedrijfsleven op grond van de vaststellingen dat de bewakingsopdrachten van de verweerder voor de eiseres, die een privaatrechtelijke rechtspersoon is met een burgerrechtelijk doel, met name het behoud en het beheer van een gebouw, kaderen in dat maatschappelijk doel, dat de eiseres geen handels- of nijverheidsonderneming is en dat de gemeenschap van mede-eigenaars een “niet-economische” werkgever is, miskent het arbeidshof het begrip “particuliere sector van 's lands bedrijfsleven” en dus artikel 1 van dat koninklijk besluit. De vaststellingen dat de eiseres een privaatrechtelijke rechtspersoon is met een burgerrechtelijk doel, met name het behoud en beheer van een gebouw, dat de bewakingsopdrachten van de verweerder voor de eiseres kaderen in dat maatschappelijk doel, dat de eiseres geen handels- of nijverheidsonderneming is en dat de gemeenschap van mede-eigenaars een “niet-economische” werkgever is, impliceren nog niet dat de eiseres niet behoort tot de particuliere sector van 's lands bedrijfsleven zoals bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 10 februari 1965, zeker niet gelet op het feit dat het arbeidshof tevens vaststelt dat de mede-eigenaars van het gebouw hoofdzakelijk handelsactiviteiten laten plaatsgrijpen in hun privé-eigendommen. Aldus oordeelt het arbeidshof niet wettig dat de verweerder niet werd tewerkgesteld in de particuliere sector van 's lands bedrijfsleven zodat geen toepassing kan gemaakt worden van het koninklijk besluit van 10 februari
  12. Het arbeidshof verklaart het hoger beroep dan ook niet wettig gegrond en vernietigt dienvolgens niet wettig het vonnis van de arbeidsrechtbank van 19 december 2003 behoudens in zoverre het de oorspronkelijke vordering van de verweerder ontvankelijk verklaarde. Opnieuw recht sprekend, veroordeelt het arbeidshof de eiseres niet wettig tot betaling van 53.752,22 euro als schadevergoeding gelijk aan het gederfde loon, loon voor overwerk, feestdagenloon en premies voor nachtarbeid, bedrag te vermeerderen met de interest (schending van de artikelen 1 en 3, §3, 1°, van de Arbeidswet van 16 maart 1971, artikel 1 van het koninklijk besluit van 10 februari 1965 tot aanwijzing van de personen die met een leidende functie of met een vertrouwenspost zijn bekleed in de particuliere sectors van 's lands bedrijfsleven, voor de toepassing van de wet betreffende de arbeidsduur en van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet).
  13. Tweede onderdeel Het arbeidshof beslist voorts dat artikel 1 van het koninklijk besluit van 10 februari 1965 geen schending uitmaakt van het gelijkheidsbeginsel. Het arbeidshof beslist dat op grond van de overwegingen dat de eiseres een niet economische werkgever is en een rechtspersoon die geen handels- of nijverheidsonderneming is, zodat de verweerder niet werd tewerkgesteld in de particuliere sector van 's lands bedrijfsleven. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet houden in dat eenieder die zich in dezelfde toestand bevindt, op dezelfde wijze wordt behandeld, maar sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover voor het criterium van onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet beoordeeld worden met betrekking tot het doel en de gevolgen van de maatregel. Het gelijkheidsbeginsel is ook geschonden wanneer vaststaat dat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel geen redelijk verband van evenredigheid bestaat. In de mate dat het voormelde artikel 1 zo wordt geïnterpreteerd dat het het koninklijk besluit van 10 februari 1965 enkel toepasselijk maakt op de werknemers tewerkgesteld door economische werkgevers, zijnde de werkgevers van een landbouw-, nijverheids- of commerciële dienstenonderneming en dus de werknemers tewerkgesteld door werkgevers van andere onderneming uitsluit, voert het een verschil in behandeling in tussen beide categorieën van werknemers en tussen de categorieën bestaande uit hun respectieve werkgevers waarvoor, rekening houdend met het doel en de gevolgen van het koninklijk besluit van 10 februari 1965 geen redelijk verband van evenredigheid bestaat. Krachtens artikel 159 van de Grondwet passen de hoven en de rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toe in zoverre zij met de wetten overeenstemmen. Aangezien, zoals hierboven uiteengezet, artikel 1 van het koninklijk besluit van 10 februari 1965 niet overeenstemt met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, beslist het arbeidshof niet wettig dat die bepaling geen schending uitmaakt van het gelijkheidsbeginsel. Aldus beslist het arbeidshof niet wettig dat artikel 1 van het koninklijk besluit van 10 februari 1965 tot aanwijzing van de personen die met een leidende functie of met een vertrouwenspost zijn bekleed in de particuliere sector van 's lands bedrijfsleven geen schending uitmaakt van het gelijkheidsbeginsel en dat geen schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet kan worden aangehouden (schending van de artikelen 1 en 3, §3, 1°, van de Arbeidswet van 16 maart 1971, artikel 1 van het koninklijk besluit van 10 februari 1965 tot aanwijzing van de personen die met een leidende functie of met een vertrouwenspost zijn bekleed in de particuliere sectors van 's lands bedrijfsleven, voor de toepassing van de wet betreffende de arbeidsduur en van de artikelen 10, 11 en 159 van de gecoördineerde Grondwet). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  14. Het arrest laat zijn beslissing steunen op de op bladzijde 2 vermelde feitelijke gegevens, op de in het middel aangehaalde redenen en op het oordeel op bladzijde 6 van het arrest: “de omstandigheid dat de mede-eigenaars van het gebouw aan de Hoveniersstraat te Antwerpen hoofdzakelijk handelsactiviteiten (in casu diamanthandel) laten plaatsgrijpen in hun privé-eigendommen, staat er niet aan in de weg dat de bewakingsopdrachten die door de heer D. werden verricht, de behartiging van de gemeenschappelijke belangen van alle mede-eigenaars tot doel hadden en bijgevolg plaatsvonden binnen het beheer van het gebouw en het doel van deze rechtspersoon”.
  15. Met deze vaststellingen en redenen verwerpt en beantwoordt het arrest het bedoelde verweer van de eiseres en laat het aan het Hof toe zijn wettelijkheids-toezicht uit te oefenen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  16. Met de in randnummer 1 vermelde feitelijke gegevens en redenen verwerpt en beantwoordt het bestreden arrest het door de eiseres aangevoerde daarmee strijdig verweer omtrent de hoedanigheid van werkgever van de verweerder. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede middel Eerste onderdeel
  17. Krachtens artikel 3, §3, 1°, van de Arbeidswet van 16 maart 1971 zijn de bepalingen van hoofdstuk III, afdeling II, die de arbeidsduur betreffen, en na de wijziging bij artikel 2, 2°, van de wet van 4 december 1998, de bepalingen van hoofdstuk III, afdelingen II en IV tot VII, niet van toepassing op de door de Koning aangewezen werknemers die een leidende functie uitoefenen of een vertrouwenspost bekleden. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 10 februari 1965 tot aanwijzing van de personen die met een leidende functie of met een vertrouwenspost zijn bekleed in de particuliere sector van ’s lands bedrijfsleven voor de toepassing van de wet betreffende de arbeidsduur, bepaalt dat dit besluit van toepassing is op de werknemers die in de particuliere sector van ’s lands bedrijfsleven tewerkgesteld zijn.
  18. Het koninklijk besluit van 10 februari 1965 is genomen ter uitvoering van artikel 2, 2°, van de wet van 15 juli 1964 betreffende de arbeidsduur in de openbare en particuliere sector van ’s lands bedrijfsleven. Zoals thans artikel 3, §3, 1°, van de Arbeidswet, gaf dat artikel aan de Koning de bevoegdheid de personen aan te duiden die moesten worden beschouwd als zijnde bekleed met een leidende functie of met een vertrouwenspost. Uit de wetsgeschiedenis van de wet van 15 juli 1964, blijkt dat het begrip “bedrijfsleven” in deze wet ruim dient te worden begrepen, aangezien, behoudens uitzonderingen, al degenen die arbeid verrichten of doen verrichten in ondergeschikt verband onder het toepassingsgebied van de arbeidsduurregeling vallen, ongeacht of de betrokkenen al dan niet onder een bedrijfstak ressorteren of in een bedrijf arbeiden of doen arbeiden. Het begrip particuliere sector van ’s lands bedrijfsleven is dan ook in deze wet, en derhalve eveneens in artikel 1 van het koninklijk besluit van 10 februari 1965, niet beperkt tot de handels- of nijverheidsondernemingen.
  19. Het arrest stelt vast dat de verweerder tewerkgesteld werd door de eiseres, een privaatrechtelijk persoon met een burgerrechtelijk doel ingevolge artikel 577-5, §5, van het Burgerlijk Wetboek. Het oordeelt dat de verweerder aldus niet tewerkgesteld was in de particuliere sector van ’s lands bedrijfsleven, op grond van de overweging dat de gemeenschap van mede-eigenaars, zoals de eiseres, een niet-economische werkgever was en dat eiseres geen handels- of nijverheidsonderneming was.
  20. Door aldus te oordelen en op grond hiervan de gehele vordering van de eiser te verwerpen als ongegrond, schenden de appelrechters de artikelen 1 en 3, §3, 1°, van de Arbeidswet en artikel 1 van het koninklijk besluit van 10 februari
  21. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Overige grieven
  22. De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het de eiseres veroordeelt tot betaling van 53.752,11 euro en tot afgifte van sociale documenten, alsmede uitspraak doet over de kosten. Wijst het cassatieberoep af voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigd arrest. Veroordeelt de eiseres in de helft van de kosten. Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Brussel. De kosten zijn begroot op de som van 167,95 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van eenentwintig mei tweeduizend en zeven uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070521.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.