← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070521.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070521.3 Rolnummer: C.06.0140.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2007-07-17 Raadplegingen: 525 - laatst gezien 2026-07-03 21:41 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het internationaal verzekeringsbewijs, de groene kaart, houdt het vermoeden in van het bestaan van een verzekering die in dekking van het risico voorziet vanaf de datum vermeld op de groene kaart; niettegenstaande de afgifte van de groene kaart, behoudt de verzekeraar het recht te bewijzen dat hij geen verzekering heeft gesloten die in dekking voorziet vanaf de erop vermelde datum

(1).
(1)Zie Cass., 26 april 1990, AR 8309, nr 501 met concl. adv.-gen. JANSSENS de BISTHOVEN; G. JOCQUE, "Controle en bewijs in de W.A.M.-verzekering", De Verz., 2002, p. 463, nr
  1. Thesaurus CAS: VERZEKERING - W.A.M.-VERZEKERING UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Verzekering motorrijtuigen Vrije woorden: Internationaal verzekeringsbewijs - Groene kaart - Afgifte - Gevolg - Bewijslast Fiche 2 Het vermoeden van het bestaan van een W.A.M.-verzekering wordt niet weerlegd door de vaststelling dat de groene kaart is uitgeschreven na het ongeval. Thesaurus CAS: VERZEKERING - W.A.M.-VERZEKERING UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Verzekering motorrijtuigen Vrije woorden: Internationaal verzekeringsbewijs - Groene kaart - Afgifte na het ongeval - Gevolg - Vermoeden van het bestaan van een W.A.M.-verzekering Fiche 3 De verzekeringsovereenkomst is nietig, wanneer het risico zich heeft verwezenlijkt voor het sluiten van de overeenkomst en wanneer de verzekeringnemer de verzekeraar heeft misleid bij de beoordeling van het risico door het schadegeval dat zich reeds heeft voorgedaan voor het sluiten van het contract te verzwijgen; deze nietigheid houdt evenwel alleen in dat de verzekeraar de nietigverklaring van de overeenkomst kan vorderen. Zolang deze vernietiging, die ex tunc uitwerking heeft, niet door de rechter is uitgesproken, bestaat de overeenkomst. Thesaurus CAS: VERZEKERING - ALGEMEEN UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Verzekering motorrijtuigen Vrije woorden: Verzekeringsovereenkomst - Nietigheid - Voorwaarden - Uitspraak door de rechter Wettelijke bepalingen: Wet - 25-06-1992 - Artt. 6 en 24 Tekst van de beslissing Nr. C.06.0140.N AGF BELGIUM INSURANCE, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Lakensestraat 35, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
  2. ING INSURANCE, naamloze vennootschap, verzekeringsmaatschappij voorheen DE VADERLANDSCHE, NV, met zetel te 1040 Etterbeek, Sint-Michielswarande 70, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
  3. G.J.,
  4. ARENA, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Jozef II-straat 36-36, verweerders
  5. GEMEENSCHAPPELIJK MOTORWAARBORGFONDS, onderlinge verzekeringsvereniging, met zetel te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Liefdadigheidsstraat 33/B1, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 25 maart 2005 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 12 maart 2007 verwezen naar de derde kamer. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 6, 24, eerste lid, en 87, §1, eerste en tweede lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomsten; - de artikelen 2, 7, eerste lid, en 16 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen (WAM-Wet), artikel 16 vóór zijn wijziging bij wet van 22 augustus 2002; - artikel 5 van het koninklijk besluit van 13 februari 1991 houdende de inwerkingtreding en uitvoering van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen; - de artikelen 1134, 1349, 1350 en 1352 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissing Het bestreden vonnis verklaart de vorderingen van de tweede verweerder en derde verweerster ongegrond opzichtens de eerste verweerster en gegrond opzichtens de eiseres, dienvolgens veroordeelt de rechtbank de eiseres tot betaling aan de tweede verweerder van een bedrag van 6.000,00 euro, meer de interesten, en tot betaling aan de derde verweerster van een bedrag van 5.750,68 euro , meer de interesten; de vierde verweerder werd buiten zake gesteld en de zaak werd verzonden naar de eerste rechter. De beslissing dat de Ford Fiësta op het ogenblik van het ongeval niet was verzekerd bij de eerste verweerster omdat ook de tweede groene kaart niet aanvaard kon worden als geldig bewijs van een verzekering, zodat de eiseres, op grond van artikel 4.1°.b van de Modelpolis, zijn tussenkomst diende te verlenen en tot schadeloosstelling van de benadeelden was gehouden, werd op de volgende overwegingen geschraagd: ¿Het bezit van een groene kaart geldt als vermoeden van het bestaan van een geldige verzekeringsovereenkomst, maar dit vermoeden kan door de verzekeraar worden weerlegd;(arrest 4.2.
  6. p. 17) 4.2.2.
  7. De tweede groene kaart: Twee dagen na het ongeval, met name op 8 september 1997 overhandigde A.H. aan de verbalisanten deze groene kaart afgeleverd door NV De Vaderlandsche thans na naamswijziging (de eerste verweerster). Het betrof een groene kaart op naam van A.H., voor een voertuig Ford Fiesta met nummerplaat XXXX geldig van 1 september 1997 tot 1 december 1997 - polisnummer XXXXXXXXXXX. A.H. bevestigde zelf in zijn schriftelijke en ondertekende verklaring van 30 september 1998 dat hij zich na het ongeval een groene kaart met terugwerkende kracht liet uitschrijven. Gelet op deze eigen verklaring dat hij deze groene kaart op onregelmatige wijze liet afleveren, kan deze tweede groene kaart niet aanvaard worden als bewijs van geldige verzekering van zijn Ford Fiesta op datum van het ongeval. Op datum van het ongeval bestond deze groene kaart nog niet. (arrest p. 18) 4.2.2.
  8. (¿) Gezien niet bewezen is dat op het ogenblik van het ongeval van 6 september 1997, het in het ongeval betrokken voertuig Ford Fiesta van A.H. geldig verzekerd was bij (de eerste verweerster), dienen alle vorderingen opzichtens deze partij gesteld te worden afgewezen. Het eerste vonnis dient te worden hervormd. 4.2.
  9. Gehoudenheid van (de eiseres) Daar de gehoudenheid van (de eerste verweerster) in casu niet is aangetoond, en de partijen die vergoeding vorderen zich in ondergeschikte orde richten opzichtens (de eiseres), dient de eventuele gehoudenheid van deze partij in tweede instantie te worden onderzocht. (¿) In casu dient d.M.G. beschouwd te worden als toevallige bestuurder in de zin van artikel 4.1°, b, van de modelpolis, zodat (de eiseres) conform dat artikel de verzekeraar is die haar dekking dient uit te breiden naar het door haar verzekerde toevallig bestuurde voertuig Ford Fiesta, betrokken in een verkeersongeval op 6 september
  10. 4.2.
  11. De gehoudenheid van (de vierde verweerder) Zoals hoger blijkt dient in casu (de eiseres) haar tussenkomst te verlenen, zodat alle vorderingen in zoverre zij zijn gesteld opzichtens (de vierde verweerder) ongegrond zijn. 4.2.
  12. De aanspraakgerechtigden en de door hen gevorderde sommen 4.2.4.
  13. (de tweede verweerder) Er is geen discussie over de hoedanigheid van (de tweede verweerder) van zwakke weggebruiker in de zin van artikel 29bis van de WAM-Wet. Zijn lichamelijke schade dient dan ook door (de eiseres) te worden vergoed. 4.2.4.
  14. (De derde verweerster) (De derde verweerster) ging in het kader van ongevallenverzekering over tot vergoeding van lichamelijke schade aan (de tweede verweerder). Zij toont wel degelijk aan dat zij gesubrogeerd werd in de rechten van (de tweede verweerster) om de door haar betaalde uitgaven te verhalen op (de eiseres) op grond van artikel 29bis WAM-Wet.¿ (arrest pagina's 19 tot 21). Grieven Eerste onderdeel Tot het verkeer op de openbare weg en op terreinen die toegankelijk zijn voor het publiek of slechts voor een zeker aantal personen die het recht hebben om er te komen, worden motorrijtuigen alleen toegelaten indien de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe zij aanleiding kunnen geven, gedekt is door een verzekeringsovereenkomst die aan de bepalingen van deze wet voldoet en waarvan de werking niet is geschorst (zie artikel 2, §1, eerste alinea, WAM-Wet). De verzekeraar geeft aan de verzekeringsnemer een bewijs af van het bestaan van de verzekeringsovereenkomst bedoeld in artikel 2 (artikel 7, eerste lid, WAM-Wet). Het bewijs bedoeld in artikel 7, eerste lid, WAM-Wet is het internationale verzekeringsbewijs (¿groene kaart¿), dat door het Belgisch Bureau van de Autoverzekeraars in het kader van de interbureauovereenkomsten wordt uitgegeven en aan de verzekerden bezorgd wordt door de toegelaten of de van toelating vrijgestelde verzekeraars op grond van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen. Het bezit van een groene kaart geldt als vermoeden van het bestaan van een geldige verzekeringsovereenkomst (artikelen 1349, 1350 en 1352 van het Burgerlijk Wetboek), doch de verzekeraar behoudt het recht om te bewijzen dat, niettegenstaande de afgifte van de groene kaart, het schadegeval niet is gedekt. De verzekeringsovereenkomst, die wettig is aangegaan, strekt niettemin, overeenkomstig artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek, tot wet jegens diegenen die ze hebben aangegaan. Wanneer de verzekeraar aan de verzekeringsnemer een groene kaart heeft afgeleverd waarvan de dekkingsperiode ingaat op een tijdstip dat de afgifte van die kaart voorafgaat, dan is de verzekeringsovereenkomst wettig aangegaan vanaf het op de groene kaart vermelde tijdstip en strekt de verzekeringsovereenkomst ook tot dekking van schadegevallen die zich hebben voorgedaan vóórdat de groene kaart werd afgeleverd, voor zover ze binnen de dekkingsperiode vallen die retroactief in werking is getreden. Geen enkele wettelijke bepaling verbiedt de verzekeraar immers om ten gunste van derden op retroactieve wijze de burgerrechtelijke aansprakelijkheid te dekken van de verzekeringsnemer. Ook de artikelen 6 en 24 van de wet van 25 juni 1992, die de nietigheid voorschrijven van de verzekeringsovereenkomst respectievelijk wanneer gegevens over het risico opzettelijk worden verzwegen of wanneer het risico zich bij het aangaan van de overeenkomst reeds heeft verwezenlijkt, staan er niet aan in de weg dat een verzekeraar de inwerkingtreding van de polis retroactief doet ingaan, zelfs wanneer hij hierdoor dekking moet verlenen voor een schadegeval dat zich heeft voorgedaan voor het sluiten van die polis. Het tijdstip van de afgifte van de groene kaart doet bijgevolg, als zodanig, niet ter zake voor het bepalen van de dekkingsplicht van de verzekeraar. Van belang is het tijdstip waarop de verzekeringsovereenkomst, volgens de vermeldingen op de groene kaart, in werking is getreden nu de verzekeraar er zich vanaf dat ogenblik toe verbindt om zijn dekking te verlenen, weze het retroactief. De verplichting in hoofde van de WAM-verzekeraar om zijn waarborg te verstrekken is derhalve niet onderworpen aan het bestaan van een groene kaart op de datum van het schadegeval zelf. Het bestreden arrest oordeelde derhalve ten onrechte dat de tweede groene kaart, die de eerste verweerster zelf na het ongeval met terugwerkende kracht had uitschreven met ingang van 1 september 1997, niet als bewijs van een geldige verzekering voor de Ford Fiësta kan worden aanvaard op grond dat deze kaart op datum van het ongeval van 8 september 1997 nog niet bestond. Hieruit volgt dat het bestreden vonnis niet wettig heeft kunnen oordelen dat de tweede groene kaart op onregelmatige wijze was afgeleverd, noch wettig, zonder schending van de verbindende kracht van de verzekeringsovereenkomst en van het wettelijk vermoeden klevend aan de groene kaart, heeft kunnen beslissen dat deze tweede groene kaart niet het bewijs inhield dat de Ford Fiësta op het ogenblik van het ongeval geldig was verzekerd bij de eerste verweerster (schending van de artikelen 1134, 1349, 1350 en 1352 van het Burgerlijk Wetboek, 2, 7, eerste lid, WAM-Wet, 6, 24 van de wet van 25 juni 1992 en 5 van het koninklijk besluit van 13 februari 1991). Tweede onderdeel De verzekering is overeenkomstig artikel 24, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992 nietig, wanneer bij het sluiten van de overeenkomst het risico reeds verwezenlijkt is. Evenzeer nietig is de verzekeringsovereenkomst wanneer het opzettelijk verzwijgen van gegevens over het risico de verzekeraar misleidt bij de beoordeling van het risico (zie artikel 6 van de wet van 25 juni 1992). Voor zover deze bepalingen zich verzetten tegen een retroactieve inwerkingtreding van de verzekeringsovereenkomst wanneer het schadegeval zich op het ogenblik van het afsluiten van de overeenkomst reeds heeft voorgedaan (quod non: zie het eerste onderdeel), dan kan de nietigheidssanctie die uit de toepassing van voormelde bepalingen voortvloeit niet worden tegengeworpen aan derden. Bij de verplichte burgerrechtelijke aansprakelijkheidsverzekeringen zijn de nietigheden voortvloeiend uit de wet of de overeenkomst en die hun oorzaak vinden in een feit dat zich voor of na het schadegeval heeft voorgedaan, overeenkomstig de artikelen 87, §1, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992 en 16 van de WAM-Wet, immers niet tegenstelbaar aan de benadeelden. De nietigheid waarmee de tweede groene kaart desgevallend zou zijn aangetast, heeft zich bovendien pas voorgedaan nadat het risico zich heeft gerealiseerd zodat deze nietigverklaring ook niet op grond van artikel 87, §1, tweede lid, tegenstelbaar is aan de benadeelden. Het feit dat een verzekeringsnemer de dekking heeft gemanipuleerd door de verzekeringsovereenkomst af te sluiten nadat het risico reeds was verwezenlijkt, zal bijgevolg enkel in het kader van een regresvordering van de verzekeraar tegen die verzekeringsnemer kunnen worden aangevoerd, doch niet tegen de benadeelden, noch tegen de eiseres. Hieruit volgt dat het bestreden vonnis niet wettig aan de benadeelden en aan de eiseres heeft kunnen tegenwerpen dat de tweede groene kaart niet als bewijs kan gelden dat de Ford Fiësta bij de eerste verweerster was verzekerd omdat deze groene kaart op onregelmatige wijze was afgeleverd in zoverre opzettelijk was verzwegen dat zich reeds een ongeval had voorgedaan binnen de periode waarvoor de dekking was aangevraagd. Het bestreden vonnis heeft bijgevolg niet wettig de vorderingen opzichtens de eerste verweerster ongegrond kunnen verklaren en de vordering jegens de eiseres gegrond (schending van de artikelen 6, 24 en 87, §1, eerste en tweede lid, van de wet van 25 juni 1992, 16 WAM-Wet). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het middel
  15. De vierde verweerder werpt op dat het middel niet ontvankelijk is omdat artikel 1 van het koninklijk besluit van 14 december 1992 betreffende de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering voor motorvoertuigen en artikel 4, 1°, b, van de modelpolis in bijlage aan dit koninklijk besluit, in het verzoekschrift tot cassatie niet als geschonden zijn aangewezen: Het verzoekschrift tot cassatie kan zonder de aanwijzing van voormeld artikel 4, 1°, b, tot cassatie leiden nu het opkomt tegen haar eigen veroordeling op grond van het oordeel dat de eerste verweerster niet gehouden is tot vergoeding. Indien de eerste verweerster wel gehouden is tot vergoeding kan de eiseres niet worden veroordeeld en is voormeld artikel 4, 1°, b, niet toepasselijk. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Het middel zelf Ontvankelijkheid van het eerste onderdeel
  16. De eerste verweerster werpt op dat het onderdeel niet ontvankelijk is in zoverre dit het Hof verplicht tot een onderzoek van het feit of A. zich de groene kaart onregelmatig heeft laten overhandigen. Het onderdeel komt niet op tegen een onregelmatigheid van de overhandiging van de groene kaart. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Het onderdeel zelf
  17. Het recht op vergoeding van de slachtoffers en hun rechthebbenden jegens de verzekeraar van het bij het ongeval betrokken motorrijtuig op grond van artikel 29bis van de WAM-Wet is afhankelijk van het bestaan van een verzekering die in dekking van het risico voorziet op het ogenblik van het ongeval.
  18. Het internationaal verzekeringsbewijs, de groene kaart, houdt het vermoeden in van het bestaan van een verzekering die in dekking van het risico voorziet vanaf de datum vermeld op de groene kaart. Niettegenstaande de afgifte van de groene kaart, behoudt de verzekeraar het recht te bewijzen dat hij geen verzekering heeft gesloten die in dekking voorziet vanaf de erop vermelde datum.
  19. Het vermoeden van het bestaan van een verzekering wordt niet weerlegd door de vaststelling dat de groene kaart is uitgeschreven na het ongeval, aangezien hiermee niet is aangetoond dat de verzekeraar geen verzekeringsovereenkomst zou hebben gesloten die in de dekking voorziet vanaf de datum vermeld op de groene kaart.
  20. Weliswaar is de verzekeringsovereenkomst nietig, overeenkomstig artikel 24 van de Landverzekeringsovereenkomstenwet, wanneer het risico zich heeft verwezenlijkt voor het sluiten van de overeenkomst, en, krachtens artikel 6 van diezelfde wet, wanneer de verzekeringnemer de verzekeraar heeft misleid bij de beoordeling van het risico door het schadegeval dat zich reeds heeft voorgedaan voor het sluiten van het contract te verzwijgen. Deze nietigheid houdt evenwel alleen in dat de verzekeraar de nietigverklaring van de overeenkomst kan vorderen. Zolang deze vernietiging, die ex tunc uitwerking heeft, niet door de rechter is uitgesproken, bestaat de overeenkomst.
  21. Het bestreden vonnis stelt vast dat: - H.A. twee dagen na het ongeval, met name op 8 september 1997, aan de verbalisanten een groene kaart met de eerste verweerster als verzekeraar overhandigde; - het een groene kaart betrof op naam van Helmut Anthonissen, voor een voertuig Ford Fiesta met kenteken XXXXXX, geldig van 1 september 1997 tot 1 december
  22. - H.A. zelf bevestigde in zijn schriftelijke en ondertekende verklaring van 30 september 1998, dat hij zich na het ongeval die groene kaart met terugwerkende kracht liet uitschrijven.
  23. Door op grond van deze vaststellingen te oordelen dat deze groene kaart, die op het ogenblik van het ongeval nog niet bestond, niet kan worden aanvaard als bewijs van een verzekering door de eerste verweerster van het betrokken voertuig op datum van het ongeval, schendt het vonnis de artikelen 1349, 1350 en 1352 van het Burgerlijk Wetboek. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Overige grieven
  24. De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden. Omvang van de cassatie
  25. De vernietiging van de beslissingen over de vorderingen van de tweede en derde verweerders tegen de eerste verweerster en de eiseres dient te worden uitgebreid tot de beslissing over de vordering van de tweede en de derde verweerders tegen de vierde verweerder, nu de appelrechters tussen de voormelde beslissingen een nauw verband hebben gelegd. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het uitspraak doet over de vorderingen van de tweede en derde verweerders tegen de eiseres, de eerste verweerster en de vierde verweerder en uitspraak doet over de kosten in dit verband. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen, zitting houdende in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van eenentwintig mei tweeduizend en zeven uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070521.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240624.3F.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.