← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070525.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070525.1 Rolnummer: C.05.0421.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2007-07-02 Raadplegingen: 560 - laatst gezien 2026-07-04 00:51 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Wanneer een vraag om uitlegging van een voor België, Luxemburg en Nederland gemeenschappelijke rechtsregel, die als dusdanig is aangewezen krachtens artikel 1 Verdrag Benelux-Gerechtshof, voor het Hof van Cassatie is gerezen, zoals de vraag of de dwangsomrechter die kennis neemt van een vordering als bedoeld in artikel 4, eerste lid , van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom, bevoegd is om kennis te nemen van een vordering die strekt tot de vaststelling dat de hoofdveroordeling werd nagekomen, legt het Hof die vraag aan het Benelux-Gerechtshof voor wanneer het oordeelt dat een beslissing over de uitlegging van die rechtsregel noodzakelijk is om een arrest te kunnen wijzen

(1).
(1)Zie Cass., 28 maart 2003, AR C.99.0446.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030328.3, met concl. O.M., www.cass.be; Cass., 2 sept. 2004, AR C.03.0076.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060602.6, www.cass.be. Thesaurus CAS: BENELUX - PREJUDICIELE GESCHILLEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Opheffing, vermindering GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - BENELUX - Beneluxverdrag Vrije woorden: Artikel 6, Verdrag Benelux-Gerechtshof - Vraag om uitlegging van een voor België, Luxemburg en Nederland gemeenschappelijke rechtsregel - Vraag ambtshalve opgeworpen door het Hof van Cassatie - Dwangsom - Verplichting voor het Hof van Cassatie Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 31-03-1965 - Artt. 1 en 6 - 30 Link Justel databank 19650331-30 Thesaurus CAS: DWANGSOM UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Opheffing, vermindering GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - BENELUX - Beneluxverdrag Vrije woorden: Vraag om uitlegging van een voor België, Luxemburg en Nederland gemeenschappelijke rechtsregel - Artikel 6, Verdrag Benelux-Gerechtshof - Vraag ambtshalve opgeworpen door het Hof van Cassatie - Dwangsom - Verplichting voor het Hof van Cassatie Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 31-03-1965 - Artt. 1 en 6 - 30 Link Justel databank 19650331-30 Tekst van de beslissing Nr. C.05.0421.N OOSTERBOSCH RENE ELITE VLOER-TUINSHOP, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 3740 Bilzen, Riemsterweg 155, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
  1. H.H.
  2. M.A. verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 24 mei 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 793, 795, 1385bis, 1385quinquies en 1395 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen De appelrechters beslissen dat zij niet bevoegd zijn om te oordelen over de vordering van de eiseres tot vaststelling dat de hoofdveroordeling werd uitgevoerd, op grond van de volgende overwegingen: ¿Het onderdeel van de vordering van (de eiseres) tot vaststelling dat de hoofdveroordeling werd uitgevoerd, betreft de uitvoering van de betrokken veroordeling, waarover de dwangsomrechter niet vermag te oordelen¿ (blz. 6 van het bestreden arrest). Grieven Artikel 1395 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat alle vorderingen betreffende middelen tot tenuitvoerlegging worden gebracht voor de beslagrechter. Onder middelen van tenuitvoerlegging worden verstaan: alle vorderingen die strekken tot de uitwinning van het vermogen van de debiteur. De beslagrechter is derhalve enkel bevoegd voor uitvoeringshandelingen op de goederen van de debiteur. De beslagrechter is daarentegen niet bevoegd om te oordelen over problemen die kunnen rijzen bij reële executie. Met betrekking tot de dwangsom is de beslagrechter bevoegd om te oordelen over de geschillen die bij de invordering van de dwangsom rijzen. Overeenkomstig de artikelen 793, 795, 1385bis en 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek komt het daarentegen enkel aan de dwangsomrechter toe om de beslissing met betrekking tot de dwangsom te interpreteren. Verder kan enkel de dwangsomrechter de dwangsom opheffen, de looptijd ervan opschorten gedurende de door hem te bepalen termijn of de dwangsom verminderen ingeval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen (1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek). Uit hetgeen voorafgaat volgt dat de beslagrechter, bij een geschil omtrent de invordering van de dwangsom, bevoegd is om te oordelen of de hoofdveroordeling werd uitgevoerd. Ingeval echter het geschil niet de invordering van de dwangsom betreft, maar wel de interpretatie van de beslissing van de dwangsomrechter en/of ¿de opheffing van de dwangsom wegens onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen, dan kan de dwangsomrechter overeenkomstig de artikelen 793, 795 1385bis en 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek wel oordelen of de hoofdveroordeling al dan niet werd uitgevoerd. Terzake betrof het tussen partijen bestaande geschil niet de invordering van de dwangsom, maar wel de opheffing van de dwangsom, de interpretatie van de draagwijdte van de hoofdveroordeling die door de dwangsomrechter werd opgelegd en, de vraag of de eiseres, gelet op de precieze draagwijdte van de hoofdveroordeling, hieraan had voldaan. De dwangsomrechter was in die omstandigheden wel degelijk bevoegd om te oordelen of de hoofdveroordeling al dan niet werd uitgevoerd. Hieruit volgt dat de appelrechters, door te beslissen dat zij niet vermogen te oordelen of de hoofdveroordeling werd uitgevoerd, de artikelen 793, 795, 1385bis, 1385quinquies en 1395 van het Gerechtelijk Wetboek schenden. III. BESLISSING VAN HET HOF
  3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat: - de eiseres bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Tongeren van 3 februari 1995 werd veroordeeld tot ¿de afbraak van alle vaste constructies op de percelen (...) gelegen te Martenslinde, en ontruiming van alle losse constructies, koopwaren, bouwmaterialen en goederen dienstig voor handelsuitbating¿ binnen zes maanden na betekening van het vonnis op straffe van de betaling van een dwangsom van 2.000 BEF per dag vertraging; - dit vonnis in hoger beroep werd bevestigd; - de eiseres op 18 april 2003 voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Tongeren een vordering instelde strekkende tot de opheffing, ondergeschikt tot de opschorting of vermindering van de dwangsom en te horen zeggen voor recht dat alle vaste constructies op de percelen te Martenslinde werden verwijderd en alle losse constructies, koopwaren, bouwmaterialen en goederen werden ontruimd; - deze vordering ongegrond werd verklaard; - de eiseres tegen dit vonnis hoger beroep heeft ingesteld; - de appelrechters het hoger beroep ongegrond verklaren.
  4. Het onderdeel van eiseres' vordering met betrekking tot de vaststelling dat de hoofdveroordeling werd uitgevoerd, wordt afgewezen omdat deze vordering ¿de uitvoering van de betrokken veroordeling (betreft), waarover de dwangsomrechter niet vermag te oordelen¿.
  5. De als geschonden aangewezen artikelen 793 en 795 van het Gerechtelijk Wetboek, betreffen de uitlegging van onduidelijke of dubbelzinnige beslissingen. Aangezien deze wetsbepalingen vreemd zijn aan het bestreden arrest, is het middel in zoverre niet ontvankelijk.
  6. Luidens artikel 1385quinquies, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, kan de rechter die de dwangsom heeft opgelegd, op vordering van de veroordeelde, de dwangsom opheffen, de looptijd ervan opschorten gedurende de door hem te bepalen termijn of de dwangsom verminderen in geval van blijvende of tijdelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen.
  7. Het arrest neemt aan dat de dwangsomrechter die kennisneemt van een vordering tot opheffing, opschorting of vermindering van de dwangsom als bedoeld in artikel 1385quinquies, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, niet bevoegd is om kennis te nemen van een vordering die strekt tot de vaststelling dat de hoofdveroordeling werd nagekomen.
  8. De beoordeling van de wettigheid van die beslissing noopt tot uitlegging van het genoemd artikel 1385quinquies, eerste lid.
  9. Voornoemd artikel stemt overeen met artikel 4, lid 1, van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom. Deze wetsbepaling is in België op 1 maart 1980 in werking getreden, samen met de Benelux-overeenkomst houdende Eenvormige wet betreffende de dwangsom en de genoemde Eenvormige wet, vervat in de bijlage van deze overeenkomst, ondertekend te ¿s-Gravenshage op 26 november 1973 en goedgekeurd bij de wet van 31 januari
  10. De rechtsregel die zowel in het genoemde artikel 1385quinquies als in artikel 4, lid 1, van de Eenvormige wet is besloten, is een rechtsregel die gemeen is aan België, Luxemburg en Nederland in de zin van artikel 1 van het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van het Benelux-Gerechtshof. De noodzakelijkheid van een beslissing over de uitlegging van de rechtsregel vervat in het genoemde artikel 4, lid 1, noopt het Hof de in het dictum gepreciseerde vraag aan het Benelux-Gerechtshof over te leggen. Dictum Het Hof, Houdt iedere nadere uitspraak aan tot het Benelux-Gerechtshof zich heeft uitgesproken over de volgende vraag: ¿Is de dwangsomrechter die kennisneemt van een vordering als bedoeld in artikel 4, lid 1, bevoegd om kennis te nemen van een vordering die strekt tot de vaststelling dat de hoofdveroordeling werd nagekomen?¿ Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Eric Dirix en Paul Maffei, en in openbare terechtzitting van 25 mei 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070525.1 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081114.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030328.3 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060602.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.