← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070525.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070525.2 Rolnummer: C.05.0521.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2007-07-17 Raadplegingen: 194 - laatst gezien 2026-07-03 06:37 Versie(s): Vertaling FR Fiche De staat van alcoholintoxicatie die oorzaak of medeoorzaak is van het ongeval is geen feit dat aan het schadegeval voorafgaat zodat de excepties, de nietigheid en het verval van recht, voortvloeiend uit de wet of de overeenkomst, welke hun oorzaak vinden in een dergelijk feit, niet aan de benadeelde persoon kunnen worden tegengeworpen

(1).
(1)Cass., 24 okt. 2000, AR P.98.1173.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001024.9, A.C., 2000, nr.
  1. Thesaurus CAS: VERZEKERING - LANDVERZEKERING UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Landverzekering - Schadeverzekering - Aansprakelijkheidsverzekering Vrije woorden: Andere dan de verplichte burgerrechtelijke aansprakelijkheidsverzekeringen - Excepties, nietigheid en verval van recht - Tegenwerping aan de benadeelde - Voorwaarde - Oorsprong in een feit dat het schadegeval voorafgaat - Toepassing - Staat van alcoholintoxicatie Wettelijke bepalingen: Wet - 25-06-1992 - Art. 87, § 2 Tekst van de beslissing Nr. C.05.0521.N V.G., eiser, vertegenwoordigd door mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen DEXIA VERZEKERINGEN BELGIË, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Livingstonelaan 6, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de vonnissen, op 3 februari 2004 en 22 februari 2005 gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen, zetelend in hoger beroep. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in het verzoekschrift drie middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 779, lid 1, en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Na de zaak te hebben behandeld op de zittingen van 6 januari 2004 en 20 januari 2004, hebben de appelrechters het bestreden tussenvonnis uitgesproken op de zitting van 3 februari
  2. Grieven Krachtens artikel 779, lid 1, van het Gerechtelijk Wetboek, dat overeenkomstig artikel 1042 van het Gerechtelijk Wetboek ook van toepassing is in hoger beroep, kan het vonnis of arrest, op straffe van nietigheid, enkel worden gewezen door rechters die alle zittingen over de zaak hebben bijgewoond. Blijkens het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen werd de zaak ten gronde behandeld tijdens de terechtzitting van 6 januari 2004 van de eerste kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen, samengesteld door kamervoorzitter V.P. en rechters V.M. en D., en verder tijdens de terechtzitting van 20 januari 2004 van de eerste kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen, samengesteld door kamervoorzitter V.P. en rechters V.D. en V.M., die het bestreden tussenvonnis van 3 februari 2004 hebben gewezen. Uit geen van de vermeldingen van het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen noch uit enig ander stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de rechtbank na de terechtzitting van 6 januari 2004 de behandeling van zaak volledig (¿ab initio¿) heeft hernomen in de samenstelling waarin de rechtbank het bestreden tussenvonnis van 3 februari 2004 heeft gewezen. Nu het bestreden tussenvonnis van 3 februari 2004 mee werd gewezen door een rechter - namelijk dhr. V.D. - die niet alle zittingen over de zaak heeft bijgewoond, is het nietig (schending van de artikelen 779, lid 1, en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 779, lid 1, en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen De appelrechters hebben de zaak behandeld op de zittingen van 6 januari 2004 en 20 januari 2004, hebben het bestreden tussenvonnis, waarbij een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof werd gesteld, uitgesproken op de zitting van 3 februari 2004, hebben vervolgens de behandeling van de zaak verdergezet op de zittingen van 18 januari en 15 februari 2005 en hebben ten slotte het bestreden eindvonnis van 22 februari 2005 uitgesproken. Grieven Krachtens artikel 779, lid 1, van het Gerechtelijk Wetboek, dat overeenkomstig artikel 1042 van het Gerechtelijk Wetboek ook van toepassing is in hoger beroep, kan het vonnis of arrest, op straffe van nietigheid, enkel worden gewezen door rechters die alle zittingen over de zaak hebben bijgewoond. Blijkens het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen werd de zaak ten gronde behandeld tijdens de terechtzitting van 6 januari 2004 van de eerste kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen, samengesteld door kamervoorzitter V.P. en rechters V.M. en D. en tijdens de terechtzitting van 20 januari 2004 van de eerste kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen, samengesteld door kamervoorzitter V.P. en rechters V.D. en V.M., die het bestreden tussenvonnis van 3 februari 2004 hebben gewezen. Op de vermelde zittingen werd voor de rechtbank van eerste aanleg o.m. gedebatteerd over de vraag of de verweerster de staat van alcoholintoxicatie van haar verzekerde (dhr. V.L.) kon tegenwerpen aan de benadeelde persoon (de eiser), zoals blijkt uit het bestreden tussenvonnis van 3 februari 2004, waarin de appelrechters overwegen dat de alcoholintoxicatie van dhr. V.L. een exceptie is die haar oorzaak vindt in een feit dat per definitie noodzakelijk aan het schadegeval voorafgaat. In het vermelde tussenvonnis stellen de appèlrechters, alvorens recht te doen, een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof. De rechtbank heeft de zaak vervolgens, na het vermelde tussenvonnis en het daarop gewezen arrest van het Arbitragehof, verder ten gronde behandeld tijdens de terechtzittingen van 18 januari en 15 februari 2005, waarop de zetel was samengesteld door kamervoorzitter D.G. en de heren V. en V.R., die het bestreden eindvonnis van 22 februari 2005 hebben uitgesproken. In die samenstelling heeft de rechtbank van eerste aanleg het debat, over de vraag of verweerster de staat van alcoholintoxicatie van haar verzekerde (dhr. V.L.) kon tegenwerpen aan de benadeelde persoon (de eiser), verdergezet en hebben zij hierover beslist. Uit geen van de vermeldingen van het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen noch uit enig ander stuk waarop uw Hof regelmatig vermag acht te slaan, blijkt dat de rechtbank na de terechtzittingen van 6 januari 2004 en 20 januari 2004 de behandeling van zaak volledig (¿ab initio¿) heeft hernomen in de samenstelling waarin de rechtbank het bestreden eindvonnis van 22 februari 2005 heeft gewezen. Nu het bestreden eindvonnis van 22 februari 2005 werd gewezen is door rechters - namelijk kamervoorzitter D.G. en de heren V. en V.R. - die niet alle zittingen over de zaak hebben bijgewoond - meer bepaald de aan het bestreden tussenvonnis voorafgaande debatten, die voor hen werden voortgezet - is het nietig (schending van de artikelen 779, lid 1, en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek). Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 87, §2, van de wet van 25 juni 1992 op de Landverzekeringsovereenkomst (Wet Landverzekeringsovereenkomst). Aangevochten beslissingen De appelrechters wijzen de vordering van de eiser tegen de verweerster af als ongegrond, op grond van volgende overwegingen uit het bestreden tussenvonnis van 3 februari 2004: ¿Tussen partijen is er volledige betwisting nopens de al dan niet gehoudenheid van (de verweerster), als Familiale verzekeraar van de heer F.V.L., die voor de gevolgen van het verkeersongeval van 11 februari 2000 te Berlaar bij definitief vonnis van 9 februari 2001 van de Correctionele Rechtbank te Mechelen, veroordeeld werd wegens inbreuken op artikel 9.1.2.1, §2, en 8.3 van het KB van 1/12/1975, de artikelen 418/420 Sw., en artikel 34, §2, van het KB van 16/3/1968, en tevens aansprakelijk werd gesteld op burgerlijk gebied. (De eiser en mevr. W.), daarin gevolgd door de eerste rechter, steunden hun vordering op artikel 87, §2, van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst van 25 juni 1992, en het cassatiearrest van 24/10/2000, terwijl (de verweerster) zich tot afwijzing van de vorderingen baseerde op artikel 8 der voormelde wet en artikel 4.c. van het verzekeringscontract van 13/12/
  3. In casu wordt niet betwist dat de heer F.V.L., bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Correctionele Rechtbank te Mechelen de dato 9 februari 2001 zowel strafrechtelijk als civielrechtelijk aansprakelijk gesteld werd voor het kwestieuze verkeersongeval van 11/2/2000, doch bovendien werd veroordeeld wegens inbreuk op artikel 34, §2, van het KB van 16/3/
  4. De graad van alcoholintoxicatie bedroeg immers 1,62 promile. Blijkens de door (de verweerster) voorgelegde polis Familiale verzekering wordt onder artikel 4 c expliciet vermeld onder de gevallen waarin (de verweerster) geen dekking verleen(t): ¿de persoonlijke burgerlijke aansprakelijkheid voor schadegevallen die veroorzaakt zijn door grove schuld van een verzekerde die minstens 16 jaar oud is. Onder grove schuld wordt verstaan: (onder meer)... het zich bevinden in een staat van dronkenschap of alcoholintoxicatie ...'; wat ten deze bewezen is op grond van het gezag van gewijsde van het correctioneel vonnis van 9 februari 2001 voormeld. Nu de Familiale verzekering een niet verplichte en dus facultatieve burgerlijke aansprakelijkheidsverzekering is, vindt te dezen artikel 87, §2, van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst van 25 juni 1992 toepassing, zoals de eerste rechter terecht stelde. Daaruit volgt dat ¿voor de andere (dus niet verplichte) burgerlijke aansprakelijkheidsverzekeringen, de verzekeraar slechts de excepties, de nietigheid en het verval van recht voortvloeiend uit de wet op de overeenkomst aan de benadeelde slechts kan tegenwerpen, voor zover deze hun oorzaak vinden in een feit dat het schadegeval voorafgaat'. In casu is in de verzekeringspolis ¿alcoholintoxicatie' conform artikel 8 wet op de Landverzekeringsovereenkomst uitdrukkelijk voorzien in artikel c van de polis. Weliswaar stelt het Hof van Cassatie in zijn arrest van 24 oktober 2000 dat in de alsdan voor het Hof voorgelegde zaak, de staat van alcoholintoxicatie die oorzaak of mede oorzaak is van het ongeval, geen feit is dat het schadegeval voorafgaat. De rechtbank, als feitenrechter, is in casu evenwel van oordeel dat de manifeste alcoholintoxicatie van 1,62 promille van de heer F.V.L. , wel degelijk een exceptie is die haar oorzaak vindt in een feit dat per definitie noodzakelijk aan het schadegeval voorafgaat. Er anders over oordelen zou volstrekt onbegrijpelijk zijn, en erop neerkomen te stellen ¿dat de oorzaak na het gevolg komt'; wat uiteraard niet kan (cfr. L. Schuermans, Grondslagen van het Belgisch verzekeringsrecht, 2001, pagina 349, nummer 528). Uit artikel 147 Grondwet en de artikelen 608 e.v. Ger. W., volgt dat het Hof van Cassatie niet in de beoordeling van de zaken zelf treedt, zodat zijn arresten doorgaans geen gezag van gewijsde hebben, en de feitenrechter niet binden¿, (p. 3 en 4 van het bestreden tussenvonnis van 3 februari 2004) en op grond van volgende overwegingen uit het bestreden eindvonnis van 22 februari 2005: 3.5 Deze rechtbank heeft echter in haar eerder vonnis van 3 februari 2004 reeds geoordeeld dat de manifeste alcoholintoxicatie van 1,62 promille van F.V.L. wel degelijk een exceptie is die haar oorzaak vindt in een feit dat per definitie noodzakelijk aan het schadegeval voorafgaat. (¿) 3.7 (De verweerster) kan derhalve, in het kader van de niet verplichte familiale verzekering, op grond van artikel 87, §2, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst het verval van het recht voortvloeiend uit artikel 4 c van de familiale polis tegenwerpen aan (de eiser en mevr. W. ) nu eerder werd geoordeeld dat de alcoholintoxicatie haar oorzaak vindt in een feit dat het schadegeval voorafgaat. (De verweerster) kan derhalve op grond van artikel 87, §2, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst en op grond van artikel 4 c van de familiale polis haar tussenkomst aan (de eiser en mevr. W. ) weigeren. De oorspronkelijke vordering van (de eiser en mevr. W. ) tegen (de verweerster) is derhalve ongegrond' (vierde, vijfde en zesde blad van het bestreden eindvonnis van 22 februari 2005). Grieven Krachtens artikel 87, §2, van de Wet Landverzekeringsovereenkomst kan de verzekeraar, voor de andere dan de verplichte burgerrechtelijke aansprakelijkheidsverzekeringen, slechts de excepties, de nietigheid en het verval van recht, voortvloeiend uit de wet of de overeenkomst, aan de benadeelde persoon tegenwerpen voor zover deze hun oorzaak vinden in een feit dat het schadegeval voorafgaat. De staat van alcoholintoxicatie die oorzaak of mede-oorzaak is van een ongeval, is geen feit dat het schadegeval voorafgaat waardoor de verzekeraar voor de andere dan de verplichte burgerrechtelijke aansprakelijkheidsverzekeringen de excepties, de nietigheid en het verval van recht, voortvloeiend uit de wet of de overeenkomst, aan de benadeelde persoon kan tegenwerpen. Door te oordelen dat ¿de manifeste alcoholintoxicatie van 1,62 promille van de heer F.V.L. , wel degelijk een exceptie is die haar oorzaak vindt in een feit dat per definitie noodzakelijk aan het schadegeval voorafgaat¿ (p. 3 en 4 van het bestreden tussenvonnis van 3 februari 2004), dat de verweerster derhalve het verval van het recht voortvloeiend uit artikel 4 c van de familiale polis aan de eiser kan tegenwerpen en haar tussenkomst t.o.v. de eiser kan weigeren, zodat dat de vordering van de eiser tegen de verweerster ongegrond is, miskennen de appelrechters artikel 87, §2, van de Wet Landverzekeringsovereenkomst. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Derde middel
  5. De verweerster voert volgende grond van niet-ontvankelijkheid aan: de beslissing van de appelrechters steunt ook op de zelfstandige en niet bekritiseerde redengeving dat de staat van alcoholintoxicatie in de polisvoorwaarde als een grove fout wordt aangemerkt in de zin van artikel 8 Wet Landverzekeringsovereenkomst. De appelrechters oordelen in het eindvonnis van 22 februari 2005 dat alcoholintoxicatie in de polisvoorwaarde als een grond van verval wordt omschreven. Artikel 87, §2, van de Wet Landverzekeringsovereenkomst regelt ook de tegenwerpelijkheid aan de benadeelde van de gronden van verval van recht voortvloeiend uit de overeenkomst. De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.
  6. Krachtens artikel 87, §2, Wet Landverzekeringsovereenkomst, kan, voor de andere dan de verplichte burgerrechtelijke aansprakelijkheidsverzekeringen, de verzekeraar slechts de excepties, de nietigheid en het verval van recht, voortvloeiend uit de wet of de overeenkomst, aan de benadeelde persoon tegenwerpen voor zover deze hun oorzaak vinden in een feit dat aan het schadegeval voorafgaat. De staat van alcoholintoxicatie die oorzaak of medeoorzaak is van het ongeval, is geen feit dat aan het schadegeval voorafgaat waardoor de excepties, de nietigheid en het verval van recht, voortvloeiend uit de wet of de overeenkomst, aan de benadeelde persoon kan worden tegengeworpen.
  7. Krachtens artikel 4 c van de familiale polis wordt geen dekking verleend voor grove schuld, waaronder met name wordt verstaan ¿de staat van dronkenschap of alcoholintoxicatie¿.
  8. Door te oordelen dat ¿de manifeste alcoholintoxicatie van 1,62 promille van de heer F.V.L. , wel degelijk een exceptie is die haar oorzaak vindt in een feit dat per definitie noodzakelijk aan het schadegeval voorafgaat¿ zodat de verweerster het verval van recht voortvloeiend uit artikel 4 c van de familiale polis aan de eiser kan tegenwerpen, schenden de appelrechters artikel 87, §2, Wet Landverzekeringsovereenkomst. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt de bestreden vonnissen. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde vonnissen. Houdt de kosten aan en laat de betwisting daaromtrent over aan de feitenrechter. Verwijst de zaak naar het Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen, zitting houdende in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Eric Dirix en Paul Maffei, en in openbare terechtzitting van 25 mei 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070525.2 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001024.9 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120626.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.