← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070525.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070525.4 Rolnummer: C.04.0281.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2007-07-02 Raadplegingen: 279 - laatst gezien 2026-07-03 06:38 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De miskenning van het recht van verdediging heeft de nietigheid van de arbitrale uitspraak tot gevolg, ongeacht of die miskenning van invloed is geweest op die uitspraak. Thesaurus CAS: ARBITRAGE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - ARBITRAGE - Nietigheid Vrije woorden: Arbitrale uitspraak - Miskenning van het recht van verdediging Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1704, 2,

  1. g)Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - BURGERLIJKE ZAKEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - ARBITRAGE - Nietigheid Vrije woorden: Arbitrage - Arbitrale uitspraak - Miskenning van het recht van verdediging Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1704, 2,
  2. g)Annotaties Publicaties: P&B/R.D.J.P. - Maud PIERS; De vernietiging van de arbitrale uitspraak op grond van een schending van de rechten van verdediging. - 2008, 92-101 Tekst van de beslissing Nr. C.04.0281.N 1. W.D., 2. AMOFRA, naamloze vennootschap, met zetel te 2530 Boechout, Janssenlei 16, eisers, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen 1. DEVER, naamloze vennootschap, met zetel te 2627 Schelle, Gouden Regentlaan 6, 2. TRANSBOX, naamloze vennootschap, met zetel te 2530 Boechout, Janssenlei 18, verweersters, vertegenwoordigd door mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 81, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 23 februari 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de Grondwet; - artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 870, 1694, 1695 en 1704, 2, g), van het Gerechtelijk Wetboek; - de algemene rechtsbeginselen van de eerbied voor het recht van verdediging en van de autonomie van de procespartijen in het burgerlijk geding (het beschikkingsbeginsel. Aangevochten beslissingen De appelrechters verklaren de vordering van de eisers tot nietigverklaring van de arbitrale uitspraak van 8 april 1999 gewezen tussen partijen door de Arbitragekamer van de Kamer van Koophandel en Nijverheid te Antwerpen ongegrond, op grond van de motieven dat: ¿2. Voor het (hof van beroep) is ten gronde het debat beperkt tot de gegrondheid van de vordering tot nietigverklaring van de arbitrale sententie. (De eisers) houden staande dat de eerste rechter zich bij de afwijzing van deze vordering tot nietigverklaring heeft vergist. 2.1. (De eisers) roepen in dat de beginselen van de tegenspraak van de rechtsprocedure en van hun recht van verdediging werden geschonden omdat na de pleidooien één partij eenzijdig werd gehoord in afwezigheid en zonder rechtsgeldige oproeping van de andere partij en dat zelfs een inhoudelijke beoordeling van de schending niet zou kunnen leiden tot een geldigverklaring tegen de manifeste inbreuk. Hiertoe doen (de eisers) gelden wat volgt: - op 11 december 1998 werd de zaak door de raadslieden gepleit en werd door de arbiters beslist de zaak pas op 12 februari 1999 in beraad te nemen om hen toe te laten, zonder de debatten te moeten heropenen, indien dit na onderzoek van de neergelegde bundels en conclusies nodig zou blijken, partijen nog uit te nodigen om gehoord te worden; - op 12 februari 1999 waren (de verweersters) aanwezig voor het beraad nemen van de zaak; (de eisers) die hiervoor geen uitnodiging hadden ontvangen, waren logischerwijze niet aanwezig; - in plaats van de zaak uit te stellen en partijen formeel uit te nodigen conform de afspraak tussen het arbitraal college en partijen eveneens conform het arbitragereglement, besluit het arbitraal college van de gelegenheid gebruik te maken om de heer L. te ondervragen; dit werd in tempore non suspecto niet ontkend; - de eerste rechter heeft dit cruciale verhoor waar de heer L. onder andere werd ondervraagd over de geleden schade ten onrechte totaal over het hoofd gezien. Het komt aan het (hof van beroep) toe de geldende rechtsregels toe te passen op de gegevens die hem door (de eisers) worden voorgebracht. De sententie van de arbitragekamer van de kamer van koophandel en nijverheid te Antwerpen d.d. 8 april 1999 verwijst naar de ingediende conclusies en de behandeling vermeldt als volgt: ¿(¿) dat de pleidooien vastgesteld werden op 11 december 1998 in de lokalen van de Arbitragekamer van de Kamer van Koophandel en Nijverheid te Antwerpen; Dat op voormelde datum partijen werden gehoord bij monde van hun advocaten mr. P. M. voor Dhr. W. en de NV Amofra, mr. L. D.D. voor de NV Transbox en NV Dever, die beiden een dossier neerlegden; (¿) dat de zaken in voortzetting verdaagd werden naar 12 februari 1999 op welke datum de debatten werden gesloten en de zaken in beraad werden genomen'. Op 11 december 1998 waren beide partijen ter terechtzitting aanwezig en werd de zaak op tegenspraak in voortzetting gesteld op de zitting van 12 februari 1999. Beide partijen waren dienvolgens verwittigd dat de zaak in voortzetting werd gesteld op de zitting van 12 februari 1999. (De verweersters) waren er vertegenwoordigd door hun raadsman. (De eisers) waren niet aanwezig noch vertegenwoordigd. De eerste rechter motiveert dat de op tegenspraak bepaalde zitting in voortzetting niet tot doel had om nog verdere pleidooien te houden of de zaken nog verder in staat te stellen. In de door (de eisers) voorgelegde briefwisseling tussen de raadsman van (de eisers) met de voorzitter van het arbitrale college wordt niet bevestigd doch evenmin ontkend dat op die zitting van 12 februari 1999 de heer L. onder andere werd ondervraagd over de geleden schade. De voorzitter van de arbiters schrijft hieromtrent aan de raadsman van (de eisers) bij brief van 3 mei 1999: ¿Op voormelde datum waren dus, behoudens de arbiters, Mr. D.D. en de zaakvoerder van zijn cliënte aanwezig. De arbiters hebben dan ongeveer een half uur gewacht op de komst, hetzij van uzelf, hetzij van uw cliënt, en toen u niet kwam opdagen, hebben de arbiters Mr. D.D. met zijn cliënt toegelaten en werd er beslist de zaak in beraad te nemen. Er werden geen nieuwe stukken of conclusies neergelegd, er werd niet gepleit, er werd ook niets geakteerd'. (De verweersters) voeren geen verweer tegen het niet gedateerde faxbericht van de genaamde P. T. aan eerste appellant, naar eigen zeggen de rechterhand van Transbox, volgens wie de heer L. hem op 15 februari bevestigde dat hij bij de rechters is geweest en dezen hem vragen hebben gesteld in verband met de geleden schade waarop de heer L. kon antwoord geven. Volgens de inleidende dagvaarding dateert dit faxbericht van 12 februari 1999. Het (hof van beroep) aanvaardt op grond van de door (de eisers) overgelegde stukken dat de genaamde L. ter zitting van 12 februari 1999 door de arbiters werd gehoord. Er is geen toepasbaar algemeen rechtsbeginsel inzake het tegensprekelijk karakter van het debat dat verschilt van het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging. Het verhoor van de heer L. op zich in afwezigheid van (de eisers) schendt het recht van verdediging niet wanneer de sententie van de arbitragekamer niet op dat verhoor steunt. Op die zitting van 12 februari 1999 werd krachtens voormelde brief van 3 mei 1999 van niets akte genomen. De sententie verwijst niet naar de beweerde verklaring van voormelde heer L. en steunt uitsluitend op de voorgelegde stukken en ingediende conclusies. Nu (de eisers) niet aantonen dat de arbiters rekening hielden met het verhoor van de genaamde L. werd hun recht van verdediging niet geschonden door de vaststelling dat zij tegen dat verhoor geen verweermiddelen hebben kunnen aanvoeren. 2.2. (De eisers) voeren de miskenning van de formele oproeping van partijen zoals voorgeschreven in het arbitragereglement aan. 2.2.1. (De eisers) roepen de formele schending van de artikelen XL3 en XL6 - bedoeld wordt de artikelen XIL3 en XIL4 - van het reglement van de arbitragekamer van de kamer van koophandel en nijverheid van Antwerpen in. Krachtens artikel XIL3 worden op vraag van de partijen, of één ervan, of ambtshalve, de partijen door de voorzitter van het scheidsgerecht opgeroepen om voor de arbiters te verschijnen op uur, dag en plaats die door de arbiters worden vastgesteld. De oproeping geschiedt bij aangetekende brief en minstens acht dagen voor de hoorzitting. De eerste rechter oordeelt dat geen inbreuk werd gepleegd op een dwingend voorgeschreven regel van het scheidsrechtelijk geding. De op tegenspraak bepaalde zitting in voortzetting had niet tot doel om nog verdere pleidooien te houden of de zaken nog verder in staat te stellen zodat volgens het arbitragereglement geen oproeping meer was vereist en het arbitragereglement niet uitsluit dat de arbiters beslissen de zaak in voortzetting te stellen op een latere datum. Voor de zitting van 11 december 1998 waarop het debat op tegenspraak werd gevoerd, werd de in artikel XIL3 bepaalde voorschriften met betrekking tot de oproeping nageleefd. Nu beide partijen op die zitting van 11 december 1998 zijn verschenen, kon de procedure worden voortgezet zonder de formele oproeping bij aangetekende brief op de zitting van 12 februari 1999. Bovendien werd de termijn van acht dagen in acht genomen. (De eisers) verschenen niet op de zitting van 12 februari 1999. Er was geen grond om (de eisers) uit te nodigen voor verder verhoor nu op de zitting van 12 februari 1999 geen nieuwe elementen in het debat werden gebracht, geen rekening werd gehouden met het verhoor van de heer L. en (de eisers) hun rechten in de reeds ingediende stukken en tijdens de vorige zittingen hadden laten gelden. De voortzetting op 12 februari 1999 had enkel tot doel op die datum de zaak in beraad te nemen vermits aan het debat tussen partijen niets werd toegevoegd. Alleszins werd, zoals door de eerste rechter aangenomen, op geen dwingend voorgeschreven regel van het scheidsrechtelijk geding enige inbreuk gepleegd. 2.2.2. (De eisers) konden de nietigheid opwerpen zodra zij meenden dat hun rechten werden miskend. Hiervan waren zij reeds op de hoogte omstreeks 12 februari 1999. Het stond (de eisers) vrij tijdens het beraad de heropening van het debat te vragen wanneer zij van oordeel waren dat hun recht van verdediging door dit verhoor werd miskend. Zij voeren geen aanvaardbare redenen aan waarom zij hebben gewacht tot na de arbitrale uitspraak om dit verhoor ter ondersteuning van de ingeroepen schending aan te wenden. Na de uitspraak kon het debat uiteraard niet heropend worden om de beweerde onregelmatigheid te regulariseren. Zoals reeds aangehaald, tonen (de eisers) bovendien niet aan dat bij de behandeling van de zaak hun recht van verdediging werd geschonden. Het loutere verhoor van de heer L. in hun afwezigheid op de zitting van 12 februari 1999 schendt die rechten niet, nu van dit verhoor geen akte werd genomen, niets over dit verhoor laat staan over de inhoud ervan, in de sententie is terug te vinden en de beslissing niet op dit verhoor steunt. 2.3. Met de eerste rechter wordt aangenomen dat artikel XII, 4°, te dezen niet van toepassing is. Partijen waren verschenen op de zitting van 11 december 1998 waartoe zij regelmatig werden opgeroepen. Op die zitting hebben partijen hun rechten laten gelden. Nu op de op tegenspraak bepaalde zitting van 12 februari 1999 de debatten werden gesloten en de zaak werd in beraad genomen, was het niet meer vereist uitdrukkelijk vast te stellen dat (de verweersters) zonder geldige reden afwezig zijn geweest. Deze vaststelling was enkel noodzakelijk zolang de arbiters of partijen van oordeel waren dat het debat niet kon worden gesloten. De arbiters waren voldoende geïnformeerd en (de eisers), die afwezig waren, wensten dienvolgens niets meer aan het debat toe te voegen. (De verweersters) hadden venmin enige nieuwe inbreng nu met het voormelde verhoor geen rekening werd gehouden en zij blijkbaar evenmin op de voortzetting van de procedure aandrongen¿ (bestreden arrest, blz. 6-11). Grieven Eerste onderdeel Artikel 1704, 2, g), van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat een arbitrale uitspraak kan worden vernietigd indien aan de partijen niet de gelegenheid is gegeven om voor hun rechten op te komen en hun middelen voor te dragen of indien er enige andere dwingend voorgeschreven regel van het scheidsrechterlijke geding is miskend, voor zover deze miskenning van invloed is geweest op de arbitrale uitspraak. Aldus bevat deze bepaling twee onderscheiden gronden tot vernietiging. Een arbitrale uitspraak kan in eerste instantie worden vernietigd indien aan de partijen niet de gelegenheid is gegeven om voor hun rechten op te komen en hun middelen voor te dragen. Daarnaast kan een arbitrale uitspraak worden vernietigd indien er enige andere dwingend voorgeschreven regel van het scheidsrechterlijke geding is miskend, voor zover deze miskenning van invloed is geweest op de arbitrale uitspraak. Uit de tekst van de wet zelf blijkt dat de voorwaarde dat er een invloed geweest is op de arbitrale uitspraak slechts betrekking heeft op de tweede in artikel 1704, 2, g), van het Gerechtelijk Wetboek vervatte grond tot vernietiging. Daarentegen geeft de miskenning van het recht van verdediging aanleiding tot vernietiging van de arbitrale uitspraak, zonder dat aangetoond moet worden dat deze miskenning van het recht van verdediging een invloed gehad heeft op de arbitrale uitspraak. Terzake stellen de appelrechters vast dat de heer L. gehoord werd in afwezigheid van de eisers. De appelrechters beslissen dat het recht van verdediging van eisers hierdoor niet geschonden werd, op grond dat de arbitrale uitspraak niet op dat verhoor steunt. Aldus beslissen de appelrechters dat een miskenning van het recht van verdediging enkel aanleiding kan geven tot vernietiging van de arbitrale uitspraak indien deze miskenning een invloed heeft gehad op de arbitrale uitspraak en voegen zij aan artikel 1704, 2, g), eerste regel van het Gerechtelijk Wetboek een voorwaarde toe die het niet bevat (schending van artikel 1704, 2, g), van het Gerechtelijk Wetboek). Tweede onderdeel Artikel 1704, 2, g), van het Gerechtelijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor het recht van verdediging vereisen dat alle elementen die aan de rechter ter beoordeling worden voorgelegd, aan de tegenspraak van de partijen onderworpen worden. Terzake stellen de appelrechters vast dat de heer L. gehoord werd in afwezigheid van de eisers op de zitting van 12 februari 1999 en dat de eisers hierover derhalve geen tegenspraak hebben kunnen voeren. In zoverre de appelrechters beslissen dat het enkele feit dat de heer L. gehoord werd in afwezigheid van de eisers geen aanleiding kan geven tot een schending van het recht van verdediging, schenden zij artikel 1704, 2, g), van het Gerechtelijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor het recht van verdediging. Derde onderdeel Overeenkomstig het beschikkingsbeginsel, zoals vervat in artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor het recht van verdediging en de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek mag de rechter geen feiten in twijfel trekken die door de tegenpartij niet betwist zijn. Terzake voerden de eisers aan dat de arbiters op de zitting van 11 december 1998, waarop alle partijen aanwezig waren en waarop gepleit werd, beslist hadden de zaak pas op 12 februari 1999 in beraad te nemen om hen toe te laten, zonder de debatten te moeten heropenen, indien dit na onderzoek van de neergelegde bundels en conclusies nodig zou blijken, partijen nog uit te nodigen om gehoord te worden. De eisers voerden aan dat de arbiters beslist hadden dat partijen formeel zouden worden uitgenodigd indien er op 12 februari 1999 nog enig onderzoek van de zaak zou gebeuren. Deze feiten werden door de verweersters niet betwist. In zoverre de appelrechters beslissen dat op de zitting van 11 december 1998 niet beslist werd dat partijen formeel zouden worden uitgenodigd indien er op 12 februari 1999 nog enig onderzoek van de zaak zou gebeuren, trekken zij door de eisers aangevoerde en door de verweersters niet betwiste feiten in twijfel en schenden zij de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek, 870 en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek alsook de algemene rechtsbeginselen van de autonomie van de procespartijen in het burgerlijk geding en van de eerbied voor het recht van verdediging. In zoverre de appelrechters op grond van deze beslissing de vordering tot vernietiging van de eisers afgeleid uit de schending van artikel 1704, 2, g), van het Gerechtelijk Wetboek afwijzen, schenden zij voornoemde bepalingen alsook artikel 1704, 2, g), van het Gerechtelijk Wetboek. Vierde onderdeel Artikel 1704, 2, g), van het Gerechtelijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor het recht van verdediging vereisen dat alle elementen die aan de rechter ter beoordeling worden voorgelegd, aan de tegenspraak van de partijen onderworpen worden. Hiertoe is vereist dat de partijen worden opgeroepen overeenkomstig de bepalingen van het arbitragereglement (de artikelen 1694, 1 en 2, en 1695 van het Gerechtelijk Wetboek). Terzake dienden de partijen krachtens artikel XIL3 van het arbitragereglement bij aangetekende brief te worden opgeroepen om te verschijnen voor de arbiters. De appelrechters stellen vast dat partijen weliswaar niet bij aangetekende brief werden uitgenodigd om op de zitting in voortzetting van 12 februari 1999 te verschijnen, maar beslissen dat de regels inzake de oproeping van de partijen zoals vervat in het arbitragereglement hierdoor niet geschonden werden, nu op de zitting van 12 februari 1999 geen nieuwe elementen in het debat werden gebracht, geen rekening werd gehouden met het verhoor van de heer L. en de eisers hun rechten in de reeds ingediende stukken en tijdens de vorige zittingen hadden laten gelden. Aldus verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht. Uit de vaststellingen van de appelrechters blijkt dat de heer L. gehoord werd op de zitting van 12 februari 1999. Er werd derhalve een element aan het debat toegevoegd, en dit ongeacht of de arbiters hiermee rekening hielden. Door enerzijds te beslissen dat de heer L. gehoord werd op de zitting van 12 februari 1999 en anderzijds te beslissen dat op die zitting geen nieuwe elementen in het debat werden gebracht, steunen de appelrechters hun beslissing op tegenstrijdige motieven en schenden zij artikel 149 van de Grondwet. In zoverre de appelrechters op grond van de in dit onderdeel aangevochten overwegingen beslissen dat niet blijkt dat aan de partijen niet de gelegenheid is gegeven om voor hun rechten op te komen en hun middelen voor te dragen en dat derhalve het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor het recht van verdediging in de arbitrale procedure niet geschonden werd, schenden zij voormeld algemeen rechtsbeginsel, alsook artikel 1704, 2, g), van het Gerechtelijk Wetboek. Vijfde onderdeel Artikel 1704, 2, g), van het Gerechtelijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor het recht van verdediging vereisen dat alle elementen die aan de rechter ter beoordeling worden voorgelegd, aan de tegenspraak van de partijen onderworpen worden. Uit artikel 1704, 2, g), van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat een schending van het recht van verdediging een grond is tot vernietiging van de arbitrale uitspraak, zonder dat vereist is dat de partij wiens recht van verdediging geschonden is een heropening van de debatten vraagt indien na het sluiten van de debatten blijkt dat haar recht van verdediging geschonden werd. In zoverre de appelrechters hun beslissing dat de door de eisers ingestelde vordering tot vernietiging gesteund op artikel 1704, 2, g), ongegrond is, steunen op de overweging dat eisers geen aanvaardbare reden aanvoeren waarom zij gewacht hebben tot na de arbitrale uitspraak om dit verhoor ter ondersteuning van de ingeroepen schending aan te wenden, voegen zij aan artikel 1704, 2, g), van het Gerechtelijk Wetboek een voorwaarde toe die het niet bevat en schenden zij deze bepaling. Zesde onderdeel Overeenkomstig het beschikkingsbeginsel, zoals vervat in artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor het recht van verdediging en de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek mag de rechter geen feiten in twijfel trekken die door de tegenpartij niet betwist zijn. Terzake voerden de eisers aan dat zij, zodra zij kennis genomen hadden van het verhoor van de heer L. , brieven schreven naar het arbitraal college en ervan uitgingen dat hiermee rekening gehouden zou worden. Dit feit werd door de verweerders niet betwist. Door te beslissen dat de eisers reeds omstreeks 12 februari 1998 op de hoogte waren van het verhoor van de heer L. en niettemin gewacht hebben tot na de arbitrale uitspraak om dit verhoor ter ondersteuning van de ingeroepen schending aan te wenden, trekken zij het door de eisers aangevoerde en door de verweerders niet betwiste feit dat zij, zodra zij kennis genomen hadden van het verhoor van de heer L. , brieven schreven naar het arbitraal college en ervan uitgingen dat hiermee rekening gehouden zou worden, in twijfel en schenden zij het beschikkingsbeginsel, zoals vervat in artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor het recht van verdediging en de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek. In zoverre de appelrechters op grond van deze beslissing de vordering tot vernietiging van de eisers afgeleid uit de schending van artikel 1704, 2, g), van het Gerechtelijk Wetboek afwijzen, schenden zij voornoemde bepalingen alsook artikel 1704, 2, g), van het Gerechtelijk Wetboek. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel Grond van niet-ontvankelijkheid 1. De verweersters werpen op dat de beslissing naar recht is verantwoord door de zelfstandige niet-bekritiseerde reden dat de eisers in de gelegenheid werden gesteld om op de zitting van 12 februari 1999 te verschijnen. 2. De omstandigheid dat de eisers in de gelegenheid werden gesteld op 12 februari 1999 te verschijnen maakt geen zelfstandige reden uit. De bestreden beslissing steunt tegelijkertijd op de omstandigheid dat op 12 februari 1999 zich geen relevante activiteit voordeed, en die omstandigheid wordt door de appelrechter gekoppeld aan de wijze waarop de zaak werd vastgesteld. De grond van niet-ontvankelijkheid dient te worden verworpen. Onderdeel zelf 3. Krachtens artikel 1704, 2, g), van het Gerechtelijk Wetboek, kan een arbitrale uitspraak worden vernietigd indien aan de partijen niet de gelegenheid is gegeven om voor hun rechten op te komen en hun middelen voor te dragen of indien er enige andere dwingend voorgeschreven regel van het scheidsgerechtelijk geding is miskend, voor zover deze miskenning van invloed is geweest op de arbitrale uitspraak. 4. De miskenning van het recht van verdediging heeft de nietigheid tot gevolg, ongeacht of die miskenning een invloed heeft gehad op de arbitrale uitspraak. 5. De appelrechters nemen aan dat een miskenning van het recht van verdediging alleen kan leiden tot vernietiging wanneer zij een invloed uitoefent op de rechtspraak en schenden aldus artikel 1704, 2, g, van het Gerechtelijk Wetboek. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Eric Dirix en Paul Maffei, en in openbare terechtzitting van 25 mei 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070525.4 Gerelateerde publicatie(
  3. s)zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110121.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.