id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070525.6 Rolnummer: F.05.0020.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Overige Invoerdatum: 2008-01-30 Raadplegingen: 203 - laatst gezien 2026-07-03 06:37 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070525.6 Fiche 1 De nationale regeling van teruggaaf van accijns in het bijzondere geval waarin de vernietiging van de fiscale kentekens geconstateerd wordt door de belastingautoriteiten van de lidstaat die ze heeft afgegeven, moet van die aard zijn dat zij misbruik en fraude niet in de hand mag werken en de teruggaaf niet mag uitsluiten in gevallen waar dergelijke uitsluiting onevenredig zou zijn met het gestelde doel; een verplichte constatatie door de belastingautoriteiten, vooraleer de goederen tot het verbruik worden uitgeslagen, is van aard alle misbruiken te vermijden en is evenredig met het gestelde doel
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Vormen - Vorm van het cassatieberoep en vermeldingen Vrije woorden: Accijnzen - Gefabriceerde tabak - Fiscale kentekens - Terugname of omruiling door de administratie - Verbod - Uitzondering - Kentekens die onbruikbaar zijn geworden Wettelijke bepalingen: Ministerieel Besluit - 01-08-1994 - Art. 46 Fiches 3 - 4 Concl. adv.-gen. THIJS, Cass., 25 mei 2007, AR F.05.0020.N, A.C., 2007, nr... Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Vormen - Vorm van het cassatieberoep en vermeldingen Vrije woorden: Accijnzen - Gefabriceerde tabak - Fiscale kentekens - Vernietiging - Teruggaaf van accijns - Nationale regeling - Aard - Noodwendigheden Accijnzen - Gefabriceerde tabak - Fiscale kentekens - Terugname of omruiling door de administratie - Verbod - Uitzondering - Kentekens die onbruikbaar zijn geworden Tekst van de beslissing Nr. F.05.0020.N 1. BRITISH AMERICAN TOBACCO BELGIUM, naamloze vennootschap, met zetel te 1080 Brussel, De Koninckstraat 38, en voor zoveel als nodig: 2. ALLGEMEINE VERSICHERUNGSAKTIENGESELLSCHAFT, verzekeringsmaatschappij, met zetel te 1150 Brussel, Tervurenlaan 273, 3. TOBACCO INSURANCE COMPANY Ltd., vennootschap naar Engels recht, met zetel te WC2R2PG Londen (Verenigd Koninkrijk), Global Home, 4 Temple Place, 4. FORTIS CORPORATE INSURANCE, naamloze vennootschap, vennoot¬schap naar Nederlands recht, met zetel te Amstelveen (Nederland), met bijkantoor te 1000 Brussel, Emile Jacqmainlaan 53, 5. AXA BELGIUM, naamloze vennootschap, met zetel te 1170 Brussel, Vorstlaan 25, 6. HANNOVER INTERNATIONAL BELGIE, naamloze vennootschap, met zetel te 1050 Brussel, Louizalaan 65, 7. AVERO SCHADEVERZEKERING BENELUX, naamloze vennootschap, vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te 1070 DL Amsterdam (Nederland), Gebouw Rivierstraete, Amsteldijk 166, PB 74789, eiseressen, vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen BELGISCHE STAAT, in de persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12-14, voor wie optreedt de ontvanger van het ontvangkantoor van douane en accijnzen, met kantoor te 1140 Brussel, Goede Herderstraat 62 en de gewestelijke directeur der douane en accijnzen te Brussel, met kantoor te 1210 Brussel, Picardstraat 1-3, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 27 oktober 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. FEITEN Uit het arrest blijkt dat: 1. op 29 december 1994, een brand in een opslagplaats de tabaksproducten die toebehoorden aan de eerste eiseres volledig vernielde; 2. de tabaksproducten in België tot verbruik waren uitgeslagen en uit dien hoofde waren voorzien van een Belgisch fiscaal kenteken; 3. die fiscale kentekens reeds waren betaald; 4. de tabaksproducten bestemd waren voor verbruik in België. III. CASSATIMIDDELEN De eiseressen voeren in hun verzoekschrift twee middelen aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 22 van de Richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop; - artikel 22 van het koninklijk besluit van 29 december 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop. Aangevochten beslissingen Het hof van beroep verwerpt de vordering tot teruggaaf die de eiseressen met toepassing van de bovenvermelde Europese richtlijn en het koninklijk besluit van 29 december 1992 instelden, op grond van de volgende overwegingen: "BAT NV beroept zich in hoofdorde op artikel 22, 2,
- d)van de Richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop. Deze Richtlijn beoogt, zoals blijkt uit de eraan voorafgaande overwegingen met verwijzing naar het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschappen, het vrije verkeer van goederen, ook van accijnsgoederen, in functie van het tot stand brengen van een werkzame gemeenschappelijke markt; anders gezegd behelst de Richtlijn regels ter uitschakeling van belemmeringen van het intracommunautair verkeer die hun oorzaak vinden in accijnzen die geheven worden in de Lid-Staten. Onder titel IV-Teruggaaf bevindt zich één enkel artikel, artikel 22, dat is onderverdeeld in vijf nummers. Enkel het eerste en het tweede nummer zijn in dit geval van belang. Het eerste nummer stelt de algemene regel vast dat de accijns kan worden teruggegeven wanneer de tot verbruik uitgeslagen accijnsproducten niet bestemd zijn om te worden verbruikt in de Lid-Staat, waarin de uitslag tot verbruik heeft plaatsgevonden. Accijns is verschuldigd bij de uitslag tot verbruik en onder meer de fabricage van tabaksproducten wordt als uitslag tot verbruik beschouwd (zie artikel 6, 1, b van de Richtlijn). In dit geval staat vast dat de uitslag tot verbruik, dit is de fabricage, plaatsgreep in België, dat de Belgische accijns is betaald en dat de producten wél bestemd waren om in België te worden verbruikt. Het tweede nummer van artikel 22 van de Richtlijn somt de voorwaarden op waaraan moet worden voldaan om beroep te kunnen doen op de teruggaaf, die vermeld is in het eerste nummer. Zo moet de afzender, vóór de verzending van de goederen, een verzoek om teruggaaf indienen en naar behoren aantonen dat de accijns voldaan is (littera a); het verkeer van de goederen moet geschieden door middel van een bepaald document (littera b); de afzender moet het teruggezonden document voorleggen aan de bevoegde instanties van zijn Lid-Staat onder meer samen met een document waaruit blijkt dat betaling van de accijns is verzekerd in de Lid-Staat van verbruik (littera c). Het is duidelijk dat al deze bepalingen, dit zijn de nummers 1 en 2 van artikel 22 van de Richtlijn en met name, onder nummer 2, de litterae
- a)tot en met c), betrekking hebben op het communautair verkeer van accijnsproducten, dit is het verkeer van accijnsproducten tussen Lid-Staten; zij zijn bijgevolg niet toepasselijk in onderhavig geschil, omdat de accijnsproducten in dit geval niet bestemd waren voor communautair verkeer maar wel voor verbruik in België. Het tweede nummer van artikel 22 van de Richtlijn vermeldt, onder littera d), nog een bepaling die, zoals blijkt uit de aanhef van het tweede nummer, geldt voor de toepassing van de onder het eerste nummer voorziene mogelijkheid tot teruggaaf. Deze littera
- d)luidt als volgt: ‘Voor de accijnsproducten die in een Lid-Staat tot verbruik zijn uitgeslagen en uit dien hoofde voorzien zijn van een fiscaal merkteken of een herkenningsteken van die Lid-Staat, kan de accijns die moet worden betaald bij de belastingautoriteiten van de Lid-Staat welke deze fiscale merktekens of herkenningstekens heeft afgegeven, worden teruggegeven, voor zover de vernietiging van deze tekens geconstateerd wordt door de belastingautoriteiten van de Lid-Staat die ze heeft afgegeven'. In onderhavig geval zijn de tabaksproducten in België tot verbruik uitgeslagen en uit dien hoofde voorzien van een Belgisch fiscaal kenteken. Luidens het vervolg van de geciteerde bepaling van de Richtlijn, bestaat er in dat geval mogelijkheid tot terugbetaling van de accijns door de Belgische belastingautoriteiten die de fiscale kentekens heeft afgegeven, voor zover doe belastingautoriteiten de vernietiging van deze kentekens hebben geconstateerd. Wanneer deze regel wordt samen gelezen met de regel vervat in het eerste nummer van artikel 22 van de Richtlijn, luidt hij als volgt: accijns op tabaksproducten die in België tot verbruik zijn uitgeslagen, uit dien hoofde van een Belgisch fiscaal teken zijn voorzien en die niet bestemd zijn om in België verbruikt te worden, kan worden teruggegeven voor zover de Belgische belastingautoriteiten de vernietiging van die tekens hebben geconstateerd. Vermits vaststaat dat de tabaksproducten in dit geval wel bestemd waren voor verbruik in België, vervalt de mogelijkheid tot teruggaaf op grond van artikel 22 van de Richtlijn. BAT NV houdt voor dat littera
- d)een zelfstandige bron van teruggaaf is, dit is ook toepasselijk is - en, volgens BAT NV, zelfs uitsluitend toepasselijk is - op accijnsproducten die bestemd zijn om in België te worden verbruikt. Zij leidt dit af uit het feit dat littera
- d)in de oorspronkelijke projecten die hebben geleid tot de Richtlijn niet voorkwam en slechts ‘op het allerlaatste ogenblik' is toegevoegd. Zij voegt daaraan toe dat deze toevoeging slordig gebeurd is en formeel had moeten ondergebracht worden in een afzonderlijke categorie, dit is onderscheiden van de hypotheses voorzien bij artikel 22, nummers 1 en 2, litterae
- a)tot en met c). Ten slotte beweert zij dat de bepaling, opgenomen in littera d), geen zin heeft indien zij wordt gelezen in samenhang met nummer 1 en nummer 2, litterae
- a)tot en met c): vernietiging houdt, volgens haar, in dat de producten het land niet hebben verlaten, waarin zij tot verbruik zijn uitgeslagen. Deze beweringen worden niet bewezen en zijn ongegrond. Zelfs indien aangenomen wordt dat de bepaling; die is opgenomen onder littera d), op het allerlaatste ogenblik is toegevoegd, levert deze loutere vaststelling nog niet het bewijs op van het feit dat zij om die reden slordig is gebeurd, laat staan dat het bedoeling was van de richtlijn gever om een afzonderlijke categorie van teruggaaf te creëren, die losstaat van de reeds opgenomen categorieën tot teruggaaf. Bovendien leest BAT NV de tekst van de bepaling verkeerd: littera
- d)is niet beperkt tot de vernietiging in het land waar de producten zijn uitgeklaard voor verbruik; samen gelezen met de overige bepalingen van artikel 22 betreft het de hypothese van vernietiging in een andere Lid-Staat dan de Lid-Staat waarin de producten tot verbruik zijn uitgeslagen. Deze lezing stemt overeen met de bedoeling van de Richtlijn, met name het communautair verkeer inzake accijnsproducten te regelen, en, in dat kader, de teruggaaf van accijnzen in welbepaalde gevallen en onder welbepaalde voorwaarden. Dezelfde redenering geldt in de mate dat de teruggaaf wordt gevorderd op grond van artikel 22, §2,
- d)van het koninklijk besluit..., omdat deze Belgische wet een letterlijke transcriptie is van het hiervoor geciteerde artikel 22 van de Richtlijn. Deze Belgische wet mag geen ander toepassingsgebied hebben dan het toepassingsgebied dat de Europese Richtlijn gever voor ogen had. Samengevat komt het voorgaande er op neer dat accijnsproducten die in België zijn uitgeslagen tot verbruik en bestemd zijn om in België te worden verbruikt, en waarop accijnsrechten zijn betaald, niet in aanmerking komen voor teruggaaf in geval van vernietiging van de fiscale kentekens door een brand in een opslagplaats in België, noch op grond van artikel 22 van de geciteerde Richtlijn noch op grond van artikel 22 van het geciteerd koninklijk besluit. De vordering tot teruggaaf op grond van deze wetsbepalingen is ongegrond". Grieven Schending van artikel 22 van de Richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsprodukten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (hierna de Acciinsrichtlijn) en van artikel 22 van het koninklijk besluit van 29 december 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsprodukten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (hierna het koninklijk besluit). 1. Artikel 22, eerste lid, van de Accijnsrichtlijn bepaalt dat "voor de tot verbruik uitgeslagen accijnsproducten in daarvoor in aanmerking komende gevallen op verzoek van een bedrijf in het kader van de bedrijfsuitoefening de accijns (kan) worden teruggegeven door de belastingautoriteiten van de Lid-Staat waarin die uitslag tot verbruik heeft plaatsgevonden, wanneer die producten niet bestemd zijn om in die Lid-Staat te worden verbruikt. Het staat de Lid-Staten evenwel vrij niet in te gaan op dit verzoek om teruggaaf wanneer zij niet voldoet aan de regelmatigheidscriteria die zij vaststellen". Artikel 22, tweede lid, d), van de Accijnsrichtlijn luidt als volgt: "Voor de accijnsproducten die in een Lid-Staat tot verbruik zijn uitgeslagen en uit dien hoofde voorzien zijn van een fiscaal merkteken of een herkenningsteken van die Lid-Staat, kan de accijns die moet worden betaald bij de belastingautoriteiten van de Lid-Staat welke deze fiscale merktekens of herkenningstekens heeft afgegeven, worden teruggegeven, voor zover de vernietiging van deze tekens geconstateerd wordt door de belastingautoriteiten van de Lid-Staat die ze heeft afgegeven". Artikel 22, paragraaf 1, van het koninklijk besluit bepaalt dat, "wanneer zij niet bestemd zijn om hier te land te worden verbruikt, ... voor de tot verbruik uitgeslagen accijnsproducten, in daarvoor in aanmerking komende gevallen en op verzoek van een bedrijf in het kader van de bedrijfsuitoefening, de accijns (kan) worden teruggegeven". Artikel 22, paragraaf 2, d), van het koninklijk besluit luidt als volgt: "Voor de accijnsproducten die hier te lande tot verbruik zijn uitgeslagen en uit dien hoofde voorzien zijn van een Belgisch fiscaal merkteken of een herkenningsteken, kan de accijns die moet worden betaald in België, worden teruggegeven, voor zover de vernietiging van deze tekens geconstateerd wordt door de Administratie". 2. Het hof van beroep verwerpt de vordering van de eiseressen (vordering tot teruggaaf) en beslist dat "accijnsproducten die in België zijn uitgeslagen tot verbruik en bestemd zijn om in België te worden verbruikt, en waarop accijnsrechten zijn betaald, niet in aanmerking komen voor teruggaaf in geval van vernietiging van de fiscale kentekens door een brand in een opslagplaats in België, noch op grond van artikel 22 van de geciteerde richt in noch op grond van artikel 22 van het geciteerd koninklijk besluit" (cf. p. 8, achtste alinea van het arrest). 3. Luidens artikel 22, eerste lid van de Accijnsrichtlijn kan aan een verzoek tot teruggaaf slechts gevolg worden verleend indien de uitslag tot verbruik en het verbruik in verschillende Lid-Staten heeft plaatsgevonden. Het eerste lid van artikel 22 van de Accijnsrichtlijn viseert derhalve slechts die situaties die raakpunten hebben in meer dan één Lid-Staat van de Europese Gemeenschap. In dat verband stelt het arrest vast dat "al deze bepalingen, dit zijn de nummers 1 en 2 van artikel 22 van de Richtlijn en met name, onder nummer 2, de litterae
- a)tot en met c), betrekking hebben op het communautair verkeer van accijnsproducten, dit is het verkeer van accijnsproducten tussen Lid-Staten" (cf. p. 6, in fine van het arrest). Zoals eiseressen voor het hof van beroep aanvoerden (cf. p. 17 e.v. van de samenvattende beroepsconclusie van de eiseressen), heeft artikel 22, tweede lid, d), van de Accijnsrichtlijn evenwel een ruimere draagwijdte. Littera
- d)van artikel 22 van de Accijnsrichtlijn bepaalt dat de aan accijns onderhevige goederen die in een Lid-Staat tot verbruik zijn uitgeslagen en door deze Lid-Staat van een fiscaal teken zijn voorzien, aanleiding kunnen geven tot teruggave van accijns door deze Lid-Staat, voor zover deze Lid-Staat de vernietiging van de fiscale tekens heeft vastgesteld. Het hof van beroep oordeelt ten onrechte dat "accijns op tabaksproducten die in België tot verbruik zijn uitgeslagen, uit dien hoofde van een Belgisch fiscaal teken zijn voorzien en die niet bestemd zijn om in België verbruikt te worden, kan worden teruggegeven voor zover de Belgische belastingautoriteiten de vernietiging van die tekens hebben geconstateerd" (cf. p. 7, vijfde alinea, van het arrest). Het arrest geeft aldus een te beperkende uitlegging van artikel 22, tweede lid, littera d), van de Accijnsrichtlijn. Littera
- d)van artikel 22 van de Accijnsrichtlijn stelt geenszins als voorwaarde dat de accijnsgoederen die in een Lid-Staat tot verbruik zijn uitgeslagen bestemd moeten zijn om in een andere Lid-Staat te worden verbruikt. Littera
- d)bepaalt daarentegen in algemene bewoordingen dat de Lid-staat die de fiscale tekens heeft uitgereikt de accijns kan teruggeven, voor zover deze Lid-Staat de vernietiging van de fiscale tekens heeft vastgesteld. Uit niets blijkt de bedoeling de toepassing van artikel 22, littera d), te beperken tot situaties van communautair verkeer van accijnsproducten. Zo dit het geval ware geweest, dan had artikel 22, littera d), van de Accijnsrichtlijn eenvoudig kunnen verwijzen naar het eerste lid van artikel 22, waarin uitslag tot verbruik en verbruik in onderscheiden Lid-Staten gesitueerd worden. Littera
- d)van artikel 22 van de Accijnsrichtlijn bakent zelf het toepassingsgebied van deze paragraaf af - accijnsproducten die tot verbruik zijn uitgeslagen en waarop een fiscaal teken is aangebracht - en bepaalt vervolgens dat de Lid-Staat die dit fiscaal teken heeft afgegeven, de accijns kan teruggeven, voor zover de belastingautoriteiten van deze Lid-Staat de vernietiging van de fiscale tekens heeft vastgesteld. De toepassing van littera
- d)van artikel 22 van de Accijnsrichtlijn is dan ook niet afhankelijk van het vereiste dat de accijnsproducten moeten bestemd zijn tot verbruik in een andere Lid-Staat dan de Lid-Staat van uitslag tot verbruik. De vaststelling dat de aan accijns onderhevige tabaksproducten niet bestemd waren voor communautair verkeer, maar in België zouden worden verbruikt, (cf. p. 7, eerste en zesde alinea, van het arrest), stond aan "het verzoek van de eiseressen" tot teruggave met toepassing van artikel 22, tweede lid, littera d), van de Accijnsrichtlijn derhalve niet in de weg. 4. De toepassing van artikel 22, littera d), van de Accijnsrichtlijn blijft evenmin beperkt tot de situatie van vernietiging in een andere Lid-Staat dan de Lid-Staat waar de producten tot verbruik zijn uitgeslagen, zoals het hof van beroep ten onrechte aanneemt (cf. p. 8, vierde alinea, van het arrest). Uit littera
- d)van artikel 22 blijkt niet dat de toepassing ervan beperkt dient te blijven tot de gevallen van vernietiging in een andere Lid-Staat dan de Lid-Staat van uitslag tot verbruik. Artikel 22, tweede lid, littera d), van de Accijnsrichtlijn kan eveneens toegepast worden indien de vernietiging van de fiscale tekens plaatsvindt in de Lid-Staat waar de goederen tot verbruik werden uitgeslagen, op voorwaarde dat de vernietiging van de fiscale tekens wordt vastgesteld door de belastingautoriteiten van de Lid-Staat die deze fiscale tekens heeft afgegeven. 5. De beslissing van het hof van beroep dat "accijns op tabaksproducten die in België tot verbruik zijn uitgeslagen, uit dien hoofde van een Belgisch fiscaal teken zijn voorzien en die niet bestemd zijn om in België verbruikt te worden, kan worden teruggegeven voor zover de Belgische belastingautoriteiten de vernietiging van die tekens hebben geconstateerd"; "...dat de tabaksproducten in dit geval wel bestemd waren voor verbruik in België, vervalt de mogelijkheid tot teruggaaf op grond van artikel 22 van de Richtlijn" (cf. p. 7, vijfde en zesde alinea, van het arrest) en verder dat littera
- d)van artikel 22 "samen gelezen met de overige bepalingen van artikel 22 ... de hypothese (betreft) van vernietiging in een andere Lid-Staat dan de Lid-Staat waarin de producten tot verbruik zijn uitgeslagen" (cf. p. 8, vierde alinea, van het arrest) berust op een onjuiste uitlegging van artikel 22, tweede lid, littera d), van de Accijnsrichtlijn en schendt 22, tweede lid, d), en artikel 22, eerste lid, van de Accijnsrichtlijn. Het arrest verwerpt op diezelfde gronden (cf. p. 8, zesde alinea, van het arrest) de vordering tot teruggaaf die eiseressen steunde op artikel 22, paragraaf 2, d), van het koninklijk besluit tot omzetting van de Accijnsrichtlijn en schendt derhalve tevens artikel 22, paragraaf 2, d), en artikel 22, paragraaf 1, van het koninklijk besluit. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 6 van de Richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop; - artikel 46 van het ministerieel besluit van 1 augustus 1994 betreffende het fiscaal stelsel van gefabriceerde tabak. Aangevochten beslissingen Het hof van beroep verwerpt de vordering tot vervanging van de fiscale tekens die eiseressen in ondergeschikte orde instelden, op grond van de volgende overwegingen: "BAT NV beweert dat in dit geval bijzondere omstandigheden voorhanden zijn: door de brand zijn de fiscale kentekens onbruikbaar geworden. De Belgische Staat concludeert niet expliciet nopens artikel 46. De eerste rechter oordeelde - zonder verdere motivering - dat BAT NV een ‘al te extensieve en onjuiste lezing' geeft door ‘in de mogelijkheid van vervanging van de te plaatsen kentekens een recht te lezen op vervanging van de geplaatste kentekens op uitgeklaarde en verloren fabricaten'. Te dezen zijn de fiscale kentekens niet onbruikbaar geworden. Ze werden geplaatst en definitief gebruikt op het ogenblik dat de goederen werden uitgeslagen. Noch vóór het plaatsen, noch tijdens het plaatsen worden ze onbruikbaar door bijzondere omstandigheden. Het is pas nadat ze geplaatst en al volledig gebruikt werden dat de goederen teniet gingen". Grieven Schending van artikel 46 van het ministerieel besluit van 1 augustus 1994 betreffende het fiscaal stelsel van gefabriceerde tabak (hierna ministerieel besluit) en van artikel 6 van de van de Richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (hierna Accijnsrichtlijn). 1. Luidens artikel 46, eerste lid, van het ministerieel besluit worden de aan de marktdeelnemers geleverde fiscale kentekens door de Administratie niet teruggenomen of omgeruild, tenzij de fiscale kentekens onbruikbaar zijn geworden door wijzigingen van de tabel van de fiscale kentekens of van de kleinhandelsprijzen; door beschadiging ofwel bij het aanbrengen van de vermeldingen bedoeld bij de artikelen 40 en 43, ofwel bij het machinaal snijden van de kentekens of nog bij het machinaal aanbrengen ervan; of ingevolge andere bijzondere omstandigheden. Artikel 6 van de Accijnsrichtlijn beschouwt als uitslag tot verbruik iedere vorm van onttrekking, ook op onregelmatige wijze, aan een schorsingsregeling, iedere fabricage, ook op onregelmatige wijze, van de producten buiten een schorsingsregeling en elke invoer, ook op onregelmatige wijze, van de producten, wanneer deze producten niet onder de schorsingsregeling worden geplaatst. 2. In hun beroepsconclusie voerden de eiseressen aan dat de fiscale tekens door bijzondere omstandigheden onbruikbaar geworden waren, zodat zij een verzoek tot vervanging/omruiling van de fiscale bandjes konden formuleren (cf. p. 35 e.v. van de samenvattende beroepsconclusie van de eiseressen). 3. Het hof van beroep verwerpt het middel van de eiseressen gesteund op artikel 46 van het ministerieel besluit en beslist dat "te dezen ... de fiscale kentekens niet onbruikbaar (zijn) geworden. Ze werden geplaatst en definitief gebruikt op het ogenblik dat de goederen werden uitgeslagen. Noch vóór het plaatsen, noch tijdens het plaatsen worden ze onbruikbaar door bijzondere omstandigheden. Het is pas nadat ze geplaatst en al volledig gebruikt werden dat de goederen teniet gingen". Volgens het hof van beroep waren de fiscale kentekens niet onbruikbaar geworden maar werden zij definitief gebruikt en geplaatst toen de goederen tot verbruik werden uitgeslagen (cf. p. 13, eerste alinea, van het arrest). 4. Het hof van beroep houdt bij de uitlegging van het begrip "onbruikbaar geworden" ten onrechte geen rekening met het latere tenietgaan van de goederen en de erop aangebrachte fiscale kentekens. Uit de bewoordingen van artikel 46 van het ministerieel besluit blijkt immers dat de uitdrukking "onbruikbaar geworden" een feitelijk begrip is, in tegenstelling tot het begrip "uitslag tot verbruik", zoals omschreven in artikel 6 van de Accijnsrichtlijn. Bij de beoordeling van het verzoek tot terugname of omruiling beslist het hof van beroep dan ook niet wettig om geen rekening te houden met gebeurtenissen die na de uitslag tot verbruik hebben plaatsgevonden. In zover het arrest zich bij de beoordeling van de onbruikbaarheid plaatst op het ogenblik van de uitslag tot verbruik en het latere tenietgaan van de goederen en de erop aangebrachte fiscale tekens verwerpt (cf. p. 13, eerste alinea, van het arrest), miskent het arrest het begrip "onbruikbaar geworden" (schending van artikel 46 van het ministerieel besluit en, voor zoveel als nodig, van artikel 6 van de Accijnsrichtlijn). IV. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Artikel 22, §1, van het koninklijk besluit van 29 december 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, bepaalt dat wanneer zij niet bestemd zijn om hier te lande te worden verbruikt, voor de tot verbruik uitgeslagen accijnsproducten, in daarvoor in aanmerking komende gevallen en op verzoek van een bedrijf in het kader van de bedrijfsuitoefening, de accijns kan worden teruggegeven. Artikel 22, §2, van dit koninklijk besluit bepaalt: "Voor de toepassing van §1 gelden onderstaande bepalingen: (...)
- d)voor de accijnsproducten die hier te lande tot verbruik zijn uitgeslagen en uit dien hoofde voorzien zijn van een Belgisch fiscaal merkteken of een herkenningsteken, kan de accijns die moet worden betaald in België, worden teruggegeven, voor zover de vernietiging van deze tekens geconstateerd wordt door de Administratie". Dit artikel is de uitvoering in de Belgische interne orde van de Richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop. 2. Artikel 22, lid 2, sub d, van die richtlijn voorziet in de mogelijkheid om bij de belastingautoriteiten van de lidstaat die de fiscale kentekens heeft afgegeven, teruggaaf te verkrijgen in het bijzondere geval waarin de vernietiging van deze tekens geconstateerd wordt door de belastingautoriteiten van de lidstaat die ze heeft afgegeven. 3. Uit het arrest van het Hof van Justitie van 15 juni 2006, C-494/04, blijkt dat de nationale regeling van teruggaaf van die aard moet zijn dat zij misbruik en fraude niet in de hand mag werken en de teruggaaf niet uitsluiten in gevallen waar dergelijke uitsluiting onevenredig zou zijn met het gestelde doel. 4. Een verplichte constatatie door de belastingautoriteiten, vooraleer de goederen tot het verbruik worden uitgeslagen, is van aard alle misbruiken te vermijden en is evenredig met het gestelde doel. 5. Het middel gaat ervan uit dat de belastingautoriteiten de vernietiging van de tekens hebben geconstateerd, zodat elk misbruik uitgesloten was. 6. Het arrest stelt dit niet vast maar gaat er integendeel van uit dat de tekens vernietigd werden op een ogenblik dat de goederen al tot verbruik uitgeslagen waren. 7. Het middel vraagt een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is en is mitsdien niet ontvankelijk. Tweede middel 8. Krachtens artikel 46 van het ministerieel besluit van 1 augustus 1994 betreffende het fiscaal stelsel van gefabriceerde tabak, worden aan de marktdeelnemers geleverde fiscale kentekens door administratie niet teruggenomen of omgeruild. Daarbij geldt echter een uitzondering voor de fiscale kentekens die onbruikbaar zijn geworden:
- a)door wijzigingen van de tabel van de fiscale kentekens of van de kleinhandelsprijzen;
- b)door beschadiging ofwel bij het aanbrengen van de vermeldingen bedoeld bij de artikelen 40 en 43, ofwel bij het machinaal snijden van de kentekens of nog bij het machinaal aanbrengen ervan;
- c)ingevolge andere bijzondere omstandigheden. 9. Onder kentekens die onbruikbaar zijn geworden, dienen te worden verstaan de kentekens die onbruikbaar werden vooraleer ze aangebracht werden op tabakswaren die voor het verbruik werden uitgeslagen. 10. Daaruit volgt dat de te dezen aangebrachte fiscale tekens op de sigaretten, die, nadat zij tot verbruik waren uitgeslagen, zijn verbrand, niet kunnen worden omgeruild. 11. Het bestreden arrest vermocht derhalve naar recht te oordelen dat de fiscale kentekens niet konden worden omgeruild aangezien de goederen tenietgingen nadat de fiscale kentekens geplaatst en definitief gebruikt werden. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseressen in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 359,67 euro jegens de eisende partijen en op de som van 132,47 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van 25 mei 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070525.6 Gerelateerde publicatie(
- s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070525.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div