id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070601.2 Rolnummer: C.04.0460.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2007-07-11 Raadplegingen: 486 - laatst gezien 2026-07-03 12:04 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Wanneer het exploot van dagvaarding nietig is omdat het niet de dag van de terechtzitting vermeldt, doch deze nietigheid niet wordt ingeroepen in de akte van verzet, is de nietigheid gedekt en kan zij derhalve niet voor het eerst worden voorgedragen in een latere conclusie. Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - EXPLOOT UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Betekening en kennisgeving - Geldigheidsvereisten Vrije woorden: Dagvaarding - Verplichte vermeldingen - Verzuim - Nietigheid - Akte van verzet - Nietigheid niet opgeworpen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 702, 5°, en 864, eerste lid Thesaurus CAS: DAGVAARDING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Betekening en kennisgeving - Geldigheidsvereisten Vrije woorden: Verplichte vermeldingen - Verzuim - Nietigheid - Akte van verzet - Nietigheid niet opgeworpen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 702, 5°, en 864, eerste lid Thesaurus CAS: VERZET UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Betekening en kennisgeving - Geldigheidsvereisten Vrije woorden: Dagvaarding - Verplichte vermeldingen - Verzuim - Nietigheid - Akte van verzet - Nietigheid niet opgeworpen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 702, 5°, en 864, eerste lid Tekst van de beslissing Nr. C.04.0460.N PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE GENT, met woonstkeuze op zijn parket-generaal in het gerechtsgebouw te 9000 Gent, Koophandelsplein 23, eiser, tegen
- ALFA AURIGAE, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 8670 Koksijde, Zeelaan 383, verweerster,
- V.J., verweerster, minstens in bindend- en gemeenverklaring opgeroepen partij. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 10 mei 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 700, 702, 860, 861, 864 en 867 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest: ¿Doet het bestreden vonnis van 16 juli 2003 teniet; Derhalve opnieuw oordelende: Verklaart het exploot van dagvaarding in faillissement, betekend op 27 februari 2003 door gerechtsdeurwaarder R.R., nietig; Doet het verstekvonnis van 9 april 2003 teniet en trekt het faillissement in; Veroordeelt de Belgische Staat tot de gedingkosten, begroot: - in hoofde van (de eerste verweerster) op: - 196,06 euro dagvaarding en rolzetting verzetsprocedure - 167,31 euro rechtsplegingsvergoeding eerste procedure - 55, 76 euro uitgavenvergoeding hoger beroep - 186,00 euro rolrecht hoger beroep - 228,06 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep - in hoofde van (de tweede verweerder) op: 17,10 euro kosten expeditie 122,70 euro betekeningskosten p.m. kosten en ereloon (de tweede verweerder)¿, op grond van de motieven: ¿
- Het vonnis a quo stelt terecht vast dat de dagvaarding in faillissement aan (de eerste verweerster) werd betekend op 7 (lees 27) februari 2003 om te verschijnen voor de Rechtbank van Koophandel te Veurne op 12 maart 2002 om 9.00 uur in plaats van 12 maart
- Er is geen betwisting over dat gerechtsdeurwaarder R. zich in dit exploot m.b.t. de datum van inleidende zitting van jaartal heeft vergist. Uit het origineel van het exploot van dagvaarding blijkt dat het afschrift niet ter hand werd gesteld van (de eerste verweerster) of een afgevaardigde, doch in de brievenbus onder gesloten omslag werd achtergelaten. Op de inleidende zitting van 12 maart 2003 was de zaakvoerder van de gefailleerde afwezig. Hij verklaarde voor de eerste rechter (op verzet) en voor het hof van beroep dat hij niet op de hoogte was gebracht van deze zitting en naderhand op 9 april 2003 kompleet verrast werd door het bezoek van de curator en de rechter-commissaris die het zopas uitgesproken faillissement meedeelden, alsook dat hij zijn zaak onmiddellijk moest sluiten. Inzake het (achteraf teruggevonden) afschrift van het betrokken exploot van dagvaarding, verklaarde de zaakvoerder (die heel regelmatig betekeningen en dagvaardingen ontving van schuldeisers) dat dit exploot - ingevolge de hierop voorkomende datum - in zijn administratie was geklasseerd geworden bij de stukken van
- Op de zitting van 12 maart 2003 werd door de Procureur des Konings verstek en vonnis gevorderd, hetgeen resulteerde in het verstekvonnis van 9 april 2003 waarbij (de eerste verweerster) failliet werd verklaard. Volgens art. 702, 5°, Ger. W. dient het exploot van dagvaarding, op straffe van nietigheid, de plaats, de dag en het uur van de terechtzitting te vermelden. In het inleidende exploot was de inleidende zitting van 12 maart 2003 niet vermeld. De vermelde datum was een onmogelijke datum (in het verleden) en dit dient gelijkgesteld te worden met het niet vermelden van de plaats, de dag en het uur van de terechtzitting. De voorziene nietigheid is een relatieve nietigheid, gezien ze niet ressorteert onder de beperkende opsomming van art. 862, §1, Ger. W. Art. 861 Ger. W. stelt dat de rechter een proceshandeling alleen dan kan nietig verklaren, indien de aangeklaagde onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt. Art. 867 Ger. W. stelt dat de onregelmatigheid van de vorm van een proceshandeling (met inbegrip van de niet-naleving van de op straffe van nietigheid voorgeschreven termijnen) of van de vermelding van een vorm, niet tot nietigheid kan leiden wanneer uit de gedingstukken blijkt ofwel dat de handeling het doel heeft bereikt dat de wet ermee beoogt, ofwel dat de niet-vermelde vorm werkelijk in acht is genomen.
- In casu kan vermoed worden dat de vermelding van een verkeerde datum van verschijning in het exploot van dagvaarding rechtstreeks in causaal verband staat met het verstek laten gaan op deze zitting. Het tegendeel wordt door (de eiser) niet aangetoond. Waar de zaakvoerder van (de eerste verweerster) in de eerste weken na het faillissement in de waan verkeerde dat hij in zijn administratie een bepaald exploot verkeerd had gelezen (wat zijn aanvankelijke verklaring aan de curator uitlegt), is naderhand uit de stukken gebleken dat de eigenlijke fout werd begaan door de gerechtsdeurwaarder. De zaakvoerder van (de eerste verweerster) was herhaaldelijk verschenen wanneer zijn vennootschap voordien was opgeroepen door de kamer voor handelsonderzoeken en het was totaal onlogisch dat (de eerste verweerster) (die thans verzet en hoger beroep instelt) de kans op verdediging tegen een dagvaarding, faillietverklaring niet zou aangegrepen hebben. Het normdoel van de inleidende dagvaarding, nl. dat de zaakvoerder van (de eerste verweerster) op de inleidende zitting van 12 maart 2003 zou kunnen verschijnen en zijn verweer laten gelden (om bv. een betalingsplan te kunnen voorstellen om faillissement te vermijden) werd niet bereikt. Door een onmogelijke zittingsdatum in het verleden te vermelden werd het informatief doel conform art. 867 Ger. W. niet bereikt. De belangenschade in hoofde van (de eerste verweerster) is duidelijk, vermits zij uit het kwestieuze exploot niet kon vernemen op welke datum zij zich ter zitting moest aanbieden. Een schending van de uitoefening van de rechten van verdediging wordt als belangenschade aanzien (Brussel, 13 februari 1990, JLMB 1990, 847). De naderhand gevoerde verzetsprocedure dekt de nietigheid niet van de onregelmatige inleidende akte met belangenschade tot gevolg (cfr. Cass., 10 februari 1975, Arr. Cass. 1975, 648). Op het ogenblik dat (de eerste verweerster) in deze verzetsprocedure haar middelen heeft kunnen laten beoordelen, was ze reeds een paar maand failliet en was haar zaak gesloten. Ze kreeg de mogelijkheid niet meer zich onverwijld te verdedigen tegen een vordering tot faillietverklaring op een ogenblik dat ze nog niet failliet was en nog haar bedrijf zelf exploiteerde. Haar belangen werden definitief geschaad door het verstekvonnis. Het hof weerhoudt dan ook de nietigheid van het inleidend exploot, betekend op 27 februari
- Doordat het gedinginleidend stuk nietig is, dient het verstekvonnis waarbij het faillissement werd uitgesproken - ook nietig te worden verklaard¿. Grieven Eerste onderdeel Overeenkomstig artikel 860, lid 1, van het Gerechtelijk Wetboek kan, wat de verzuimde of onregelmatig verrichte vorm ook zij, geen proceshandeling nietig verklaard worden indien de wet de nietigheid ervan niet uitdrukkelijk heeft bevolen. Deze regel is van restrictieve uitlegging en laat niet toe deze sanctie toe te passen op een niet uitdrukkelijk voorziene nietigheid om de enige reden dat die zou moeten gelijkgesteld worden met de wel uitdrukkelijk bevolen nietigheid. Krachtens artikel 702 van het Gerechtelijk Wetboek bevat het exploot van dagvaarding, op straffe van nietigheid, de volgende opgave: ¿5° de plaats, de dag en het uur van de terechtzitting¿. Volgens zijn bewoordingen geeft voormelde bepaling slechts aanleiding tot nietigheid indien de dagvaarding de dag van de terechtzitting niet vermeldt. De wet stelt middels deze bepaling geen nietigheid in op de per vergissing verkeerde vermelding van het jaartal bij de opgave van de dag van de terechtzitting. Dergelijke vermelding, die de dag van de terechtzitting wel vermeldt, weze het een verkeerde, is niet op straffe van nietigheid bevolen en dergelijke dagvaarding kan niet nietig verklaard worden om de enige reden dat dit geval gelijkgesteld dient te worden met het niet vermelden van de dag. Hieruit volgt dat het bestreden arrest onwettig de inleidende dagvaarding betekend op 27 februari 2003 door gerechtsdeurwaarder R.R. nietig verklaart, het verstekvonnis van 9 april 2003 teniet doet en het faillissement intrekt, op grond van het motief dat de voormelde gerechtsdeurwaarder ¿zich in dit exploot m.b.t. de datum van de inleidende zitting van jaartal heeft vergist¿ en deze vermelding van een verkeerde datum ¿dient gelijkgesteld te worden met het niet vermelden van de plaats, de dag en het uur van de terechtzitting¿ zoals artikel 702, 5°, van het Gerechtelijk Wetboek vereist, terwijl artikel 702, 5°, de straf van nietigheid niet beveelt voor het per vergissing vermelden van een verkeerde dag, doch enkel voor het niet vermelden ervan (schending van de artikelen 700, 702, 5°, van het Gerechtelijk Wetboek) en krachtens artikel 860, lid 1, de rechter een door de wet niet uitdrukkelijk bevolen nietigheid niet kan uitspreken (schending van de artikelen700, 702, 5° en 860, lid 1, van het Gerechtelijk Wetboek). Tweede onderdeel Krachtens artikel 864, lid 1, van het Gerechtelijk Wetboek zijn de nietigheden die tegen de proceshandelingen kunnen worden ingeroepen op grond van de artikelen, 702, 860 en 861 van hetzelfde wetboek gedekt, indien zij niet tegelijk en vóór enig ander middel worden voorgedragen. Blijkens de authentieke vermelding in het vonnis a quo op p. 2 ¿(bevestigde) ter zitting van 11 juni 2003 (...) de zaakvoerder van (de eerste verweerster) tijdig kennis te hebben gekregen van de inhoud van de dagvaarding, bijgevolg voor de zitting van 12 maart 2003, zodat in principe niets haar verhinderde voor de rechtbank te verschijnen. ¿waaruit volgt dat de eerste verweerster op het ogenblik van het inleiden van haar verzetsakte bij exploot van 15 mei 2003 in het bezit was van de oorspronkelijke inleidende dagvaarding van 27 februari 2003, terwijl het bestreden arrest hetzelfde vaststelt op folio 761, weze het onder de precisering dat de zaakvoerder niet op de hoogte was gebracht van de zitting van 12 maart
- Evenwel in haar verzetsakte van 15 mei 2003 bracht de eerste verweerster geen nietigheid van de oorspronkelijke inleidende dagvaarding dd. 27 februari 2003 naar voor, maar beperkte zich te stellen dat de voorwaarden van het faillissement niet voldaan waren. Het is pas in besluiten, neergelegd op 28 mei 2003 ter griffie van de Rechtbank van Koophandel te Veurne door de eerste verweerster, dat zij voor het eerst opwerpt op p. 1 ¿Aangezien de inleidende dagvaardingsakte behept was en is met een nietigheid aangezien er werd gedagvaard voor de zitting van 12 maart 2002¿. Hieruit volgt dat de vermeende nietigheid van het exploot van 27 februari 2003 gedekt is, omdat de nietigheid niet voor enig ander verweer werd opgeworpen door eerste verweerster en bijgevolg het bestreden arrest artikel 864 van het Gerechtelijk Wetboek miskent, dat deze dekking instelt (schending van de artikelen 700, 702, 5°, 860, 861 en 864, lid 1, van het Gerechtelijk Wetboek). Derde onderdeel Krachtens artikel 867 van het Gerechtelijk Wetboek kan het verzuim of de onregelmatigheid van de vorm van een proceshandeling of van de vermelding van een vorm niet tot nietigheid leiden, wanneer uit de gedingstukken blijkt ofwel dat de handeling het doel heeft bereikt dat de wet ermee beoogt, ofwel dat die niet - vermelde vorm werkelijk in acht is genomen. Blijkens de authentieke vermelding in het vonnis a quo op p. 2 ¿(bevestigde) ter zitting van 11 juni 2003 (...) de zaakvoerder van (de eerste verweerster) tijdig kennis te hebben gekregen van de inhoud van de dagvaarding, bijgevolg voor de zitting van 12 maart 2003, zodat in principe niets haar verhinderde voor de rechtbank te verschijnen¿ waaruit volgt dat de eerste verweerster op het ogenblik van het inleiden van haar verzetsakte bij exploot van 15 mei 2003 in het bezit was van de oorspronkelijke inleidende dagvaarding van 27 februari 2003, terwijl het bestreden arrest hetzelfde vaststelt op folio 761, weze het onder de precisering dat de zaakvoerder niet op de hoogte was gebracht van de zitting van 12 maart
- Evenwel in haar verzetsakte van 15 mei 2003 bracht de eerste verweerster geen nietigheid van de oorspronkelijke inleidende dagvaarding dd. 27 februari 2003 naar voor, maar beperkte zich te stellen dat de voorwaarden van het faillissement niet voldaan waren. Het is pas in besluiten, neergelegd op 28 mei 2003 ter griffie van de Rechtbank van Koophandel te Veurne door de eerste verweerster, dat zij voor het eerst opwerpt op p.1 ¿Aangezien de inleidende dagvaardingsakte behept was en is met een nietigheid aangezien er werd gedagvaard voor de zitting van 12 maart 2002¿. De dagvaarding, ook al was de datum van de zitting per vergissing aangeduid met het jaartal 2002 i.p.v. 2003, eens vaststaat dat zij op 27 februari 2003 betekend werd en in het bezit was van de eerste verweerster vóór de zitting van 12 maart 2003, het doel bereikt heeft dat de wet ermee beoogt, te weten de eerste verweerster de dagvaarding te bezorgen en haar de mogelijkheid te bieden haar verweermiddelen uiteen te zetten. Hieruit volgt dat het bestreden arrest zijn beslissing, dat ¿(...) het informatief doel conform art. 867 Ger. W. niet bereikt (werd)¿, ¿Door een onmogelijke zittingsdatum in het verleden te vermelden ¿, waardoor ¿dit exploot - ingevolge de hierop voorkomende datum - in (de) administratie was geklasseerd geworden door (de eerste verweerster) bij de stukken van 2002 ¿, niet wettig verantwoordt, nu uit de vaststelling dat de inleidende dagvaarding betekend werd op 27 februari 2003 en de eerste verweerster deze in haar bezit had vóór de zitting van 12 maart 2003 volgt dat deze dagvaarding het doel bereikt heeft dat de wet ermee beoogt, meer bepaald de eerste verweerster de mogelijkheid bieden zijn verweer te voeren op de zitting van 12 maart 2003 (schending van de artikelen 700 en 867 van het Gerechtelijk Wetboek). Vierde onderdeel Krachtens artikel 867 van het Gerechtelijk Wetboek kan het verzuim of de onregelmatigheid van de vorm van een proceshandeling of van de vermelding van een vorm niet tot nietigheid leiden, wanneer uit de gedingstukken blijkt ofwel dat de handeling het doel heeft bereikt dat de wet ermee beoogt, ofwel dat die niet - vermelde vorm werkelijk in acht is genomen. Het is onmogelijk te verschijnen op de zitting van 12 maart 2002, wanneer uit de gedingstukken blijkt dat 1°) de eerste verweerster reeds geruime tijd het voorwerp uitmaakte van een onderzoek door de dienst handelsonderzoeken, waarin haar zaakvoerder herhaaldelijk verschenen was, zoals het bestreden arrest vaststelt op folio 763 bovenaan, hetwelk afgesloten werd met een verslag van 27 januari 2003 van de rechter - verslaggever, dat besluit dat de eerste verweerster in staat van faillissement verkeert, zoals het verstekvonnis van 9 april 2003 op p. 1 vaststelt, 2°) inzonderheid uit de inleidende dagvaarding zelf blijkt, dat de procureur des Konings daarna pas op 21 februari 2003 bevel tot dagvaarding heeft gegeven, welk bevel blijkens het exploot van voormelde dagvaarding van 27 februari 2003 mee betekend werd samen met het afschrift van het exploot ervan, 3°) er geen betwisting is, zoals het bestreden arrest vaststelt op folio 761, dat de gerechtsdeurwaarder zich in dat exploot vergist heeft aangaande het jaartal van de inleidende zitting en 4°) de eerste verweerster voor de eerste rechter ter zitting van 11 juni 2003 bevestigde dat haar zaakvoerder tijdig voor de zitting van 12 maart 2003 kennis had gekregen van de inhoud van de dagvaarding, maar deze verkeerd geklasseerd heeft in haar administratie, zoals het bestreden arrest op folio 762 bovenaan aanneemt. Uit deze gedingstukken en de onmogelijke zittingsdatum in het verleden kan enkel afgeleid worden dat elk redelijk, normaal en voorzichtig persoon bij ontvangst van het exploot van 27 februari 2003 zich niet heeft kunnen vergissen omtrent de werkelijke zittingsdatum, die kennelijk per materiële vergissing niet het jaartal 2003 bevatte en op die wijze het doel heeft bereikt de eerste verweerster in kennis te stellen van de werkelijke dag van de terechtzitting, die 12 maart 2003 was. De bodemrechter dient zijn beoordeling, in het raam van artikel 867 van het Gerechtelijk Wetboek of de inleidende dagvaarding het doel heeft bereikt dat de wet ermee beoogt of dat de onregelmatige vermelding van een vorm werkelijk in acht werd genomen, te steunen op objectieve gronden, zijnde op dat ogenblik niet meer de subjectieve handelswijze van de door de nietigheid beschermde persoon, maar wel de handelwijze van elk redelijk, normaal en voorzichtig persoon geplaatst in dezelfde omstandigheden. Hieruit volgt dat het bestreden arrest zijn beslissing, dat ¿(...) het informatief doel conform art. 867 Ger. W. niet bereikt (werd) ¿, ¿Door een onmogelijke zittingsdatum in het verleden te vermelden ¿, waardoor ¿dit exploot - ingevolge de hierop voorkomende datum - in (de) administratie was geklasseerd geworden door (de eerste verweerster) bij de stukken van 2002¿, niet wettig verantwoordt, nu niet de subjectieve concrete handelwijze van eerste verweerster met dit stuk bepalend is om na te gaan of het vermelde verkeerde jaartal van de inleidende zitting niet tot nietigheid aanleiding kan geven, maar wel het geobjectiveerde gedrag van elk redelijk, normaal en voorzichtig persoon geplaatst in dezelfde omstandigheden (schending van de artikelen 700, 702, 5°, en 867 van het Gerechtelijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede onderdeel
- Artikel 702, 5°, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het exploot van dagvaarding op straffe van nietigheid de plaats, de dag en het uur van de terechtzitting moet bevatten.
- Op deze nietigheid is artikel 864, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing.
- Artikel 864, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de nietigheden die tegen de proceshandelingen kunnen worden ingeroepen, gedekt zijn indien zij niet tegelijk en voor enig ander middel worden voorgedragen.
- Uit die bepalingen volgt dat de nietigheid die niet wordt ingeroepen in de akte van verzet, gedekt is en derhalve niet voor het eerst kan worden voorgedragen in een latere conclusie.
- Het bestreden arrest stelt vast dat de gedinginleidende akte de dag van de terechtzitting niet vermeldt. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eerste verweerster de nietigheid van de gedinginleidende akte ten gevolge van de niet-vermelding van de dag van de terechtzitting niet heeft voorgedragen in de dagvaarding in verzet van 15 mei 2003, maar in die dagvaarding wel andere middelen heeft voorgedragen.
- De aangevoerde nietigheid van de gedinginleidende akte ten gevolge van de niet-vermelding van de dag van de terechtzitting werd derhalve niet voor enig ander middel voorgedragen en is dan ook gedekt. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
- De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix, Albert Fettweis en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 1 juni 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070601.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20170615.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div