id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070601.4 Rolnummer: C.05.0385.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-07-17 Raadplegingen: 496 - laatst gezien 2026-07-04 00:30 Versie(s): Vertaling FR Fiche Voor het aannemen van een buitengerechtelijke bekentenis is niet vereist dat tussen de partijen reeds een ontstane en actuele betwisting bestaat
(1).
(1)Cass., 7 maart 1991, AR 7197, nr 358, en voetnoot
(1). Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bekentenis UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Bekentenis Vrije woorden: Buitengerechtelijke bekentenis Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1354 Tekst van de beslissing Nr. C.05.0385.N
- D.L.,
- D.L., eisers, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen D.M., verweerster, vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, en ten aanzien van D.M., in gemeen- en bindendverklaring opgeroepen partij. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 17 maart 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Het arrest laat zijn beslissing steunen op een buitengerechtelijke bekentenis van de eisers en niet op een feitelijk vermoeden. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- De grief onder randnummer 1 van het middel gaat ervan uit dat de beslissing onder meer verwijst naar het feit dat de verweerster en haar gezin, geheel of gedeeltelijk, sedert 1993, voltijds of deeltijds, verbleef in het onroerend goed en naar het feit dat de verweerster de eigenaarsherstellingen uitvoerde en de onroerende voorheffing en de verzekeringen alleen betaalde.
- Het arrest laat zijn beslissing niet enkel steunen op die vaststellingen, maar ook op de volgende vaststellingen: - de eisers ontkennen niet dat er in 1993 een principiële bereidheid onder de mede-eigenaars bestond om het betreffende onroerend goed door de verweerster te laten overnemen; - de eisers betwisten in conclusie niet dat zij ieder afzonderlijk 2.000.000 BEF op hun bankrekening hebben ontvangen; - die fondsen waren aanzienlijk en de eisers hebben die interestloos gedurende ruim negen jaar onder zich hebben gehouden; - de eisers hebben geen sluitende uitleg waarom zij gedurende jaren die aanzienlijke fondsen onder zich hebben gehouden; - wat betreft de hypothese dat die fondsen als een financiële garantie of een voorschot dienden te worden aangezien in afwachting van verdere onderhandelingen met de verweerster, werd het bestaan van dergelijke onderhandelingen na 1993 niet aangetoond; - de eisers hebben aan de verweerster in al die jaren nooit enige, te verrekenen, woonst- of huurvergoeding gevraagd. De grief onder randnummer 1 van het middel berust derhalve op een onvolledige lezing van het arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag.
- De grief onder randnummer 2 van het middel gaat ervan uit dat een louter aanhoudend stilzwijgen geen buitengerechtelijke bekentenis kan uitmaken. Uit het antwoord op de grief onder randnummer 1 van het middel blijkt dat het arrest zijn beslissing laat steunen op een omstandig stilzwijgen van de eisers. Die grief berust derhalve op een onvolledige lezing van het arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag.
- De grief onder randnummer 3.
- van het middel gaat ervan uit dat het arrest niet aangeeft ten aanzien van welke aanvoering in rechte of welke aanvoering buiten het rechtsgeding er een omstandig stilzwijgen van de verweerster was. Het arrest oordeelt dat er een omstandig stilzwijgen was omtrent het feitelijk gegeven dat er buiten het rechtsgeding een som van 2.000.000 BEF aan elk van de eisers werd betaald en dat dit omstandig stilzwijgen van die aard was dat het een buitengerechtelijke bekentenis vormde van de in het geding zijnde betwisting dat tussen de partijen werd overeengekomen dat de verweerster het onverdeelde goed mocht overnemen tegen de prijs van 8.000.000 BEF. De grief berust op een onvolledige lezing van het arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag.
- De grief onder randnummer 3.2 van het middel gaat ervan uit dat slechts een omstandig stilzwijgen dat volgt op een aanvoering in rechte door de tegenpartij desgevallend als een bekentenis kan worden opgevat. Voor het aannemen van een buitengerechtelijke bekentenis is niet vereist dat tussen de partijen reeds een ontstane en actuele betwisting bestaat. De grief faalt naar recht.
- De grief onder randnummer 3.3 van het middel gaat ervan uit dat het arrest de feiten of omstandigheden niet aangeeft die aan het stilzwijgen van de eisers het karakter van omstandig stilzwijgen zou geven. Uit het antwoord op de grief onder randnummer 1 van het middel volgt dat het arrest de feitelijke vaststellingen aangeeft die het als ¿omstandig¿ aanneemt voor het stilzwijgen van de verweerster. De grief berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag. Vordering tot bindendverklaring
- De verwerping van het cassatieberoep ontneemt alle belang aan de vordering tot bindendverklaring die de eisers tegen D.M. hebben gericht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep en de vordering tot bindendverklaring. Veroordeelt de eisers in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 1057,47 euro jegens de eisende partijen en op de som van 295,45 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix, Albert Fettweis en Alain Smetryns, en op de openbare terechtzitting van 1 juni 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070601.4 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090525.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div