id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:
Artt. 39, 40 en 41 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALLERLEI UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Vonnis - Motiveren - nauwkeurig - beknopt FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Accijnzen Vrije woorden: Wet Accijnsproducten - Overtreding - Straf - Verzachtende omstandigheden - Toepassing Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 85 en 100 - 01 ELI link Pub nr 1867060850
Artt. 39, 40 en 41 Thesaurus CAS: STRAF - VERZACHTENDE OMSTANDIGHEDEN. VERSCHONINGSGRONDEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Vonnis - Motiveren - nauwkeurig - beknopt FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Accijnzen Vrije woorden: Wet Accijnsproducten - Overtreding - Verzachtende omstandigheden - Toepassing Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 85 en 100 - 01 ELI link Pub nr 1867060850
Artt. 39, 40 en 41 Fiches 4 - 6 Uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof volgt dat, zolang de wet de aangelegenheid niet anders regelt, de rechter die bestraft voor een overtreding van de bepalingen van de Wet Accijnsproducten, overeenkomstig artikel 39 van die wet, vrij verzachtende omstandigheden kan aannemen zonder dat hij daartoe verplicht is; wanneer hij dat doet kan hij, afgezien van het bepaalde in artikel 195, tweede en derde lid van het Wetboek van Strafvordering, de geldboete vrij verminderen
(1).
(1)Gw. H., arrest nr 165/2006 van 8 nov. 2006, B.S. 26 jan. 2007; Gw. H., arrest nr 199/2006 van 13 dec. 2006, B.S. 12 feb. 2007. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Vonnis - Motiveren - nauwkeurig - beknopt FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Accijnzen Vrije woorden: Wet Accijnsproducten - Overtreding - Straf - Verzachtende omstandigheden - Verplichting - Grenzen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195, tweede en derde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701
Art. 39
Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALLERLEI UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Vonnis - Motiveren - nauwkeurig - beknopt FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Accijnzen Vrije woorden: Wet Accijnsproducten - Overtreding - Straf - Verzachtende omstandigheden - Verplichting - Grenzen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195, tweede en derde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701
Art. 39Thesaurus CAS: STRAF - VERZACHTENDE OMSTANDIGHEDEN.
VERSCHONINGSGRONDEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Vonnis - Motiveren - nauwkeurig - beknopt FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Accijnzen Vrije woorden: Wet Accijnsproducten - Overtreding - Verzachtende omstandigheden - Verplichting - Grenzen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195, tweede en derde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701
Art. 39
Fiche 7 Wanneer de rechter die bestraft voor een overtreding van de bepalingen van de Wet Accijnsproducten, verzachtende omstandigheden aanneemt en de geldboete vermindert, moet de strafmaat van de opgelegde geldboete gerechtvaardgd worden door de aangenomen verzachtende omstandigheden die onder meer betrekking kunnen hebben op het misdrijf zelf, zijn omstandigheden en gevolgen, het aandeel van de beklaagde in het misdrijf en zijn mate van schuld, de gegevens eigen aan de persoon van de beklaagde en het doel dat de rechter met de bestraffing beoogt. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Vonnis - Motiveren - nauwkeurig - beknopt FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Accijnzen Vrije woorden: Wet Accijnsproducten - Overtreding - Straf - Geldboete - Rechtvaardiging - Verzachtende omstandigheden - Criteria Wettelijke bepalingen:
Art. 39
Fiches 8 - 10 Wanneer de rechter die bestraft voor een overtreding van de bepalingen van de Wet Accijnsproducten, verzachtende omstandigheden aanneemt en de geldboete vermindert, moet de strafmaat van de opgelegde geldboete gerechtvaardigd worden door de aangenomen verzachtende omstandigheden die onder meer betrekking kunnen hebben op het misdrijf zelf, zijn omstandigheden en gevolgen, het aandeel van de beklaagde in het misdrijf en zijn mate van schuld, de gegevens eigen aan de persoon van de beklaagde en het doel dat de rechter met de bestraffing beoogt. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Vonnis - Motiveren - nauwkeurig - beknopt FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Accijnzen Vrije woorden: Wet Accijnsproducten - Overtreding - Straf - Geldboete - Rechtvaardiging - Verzachtende omstandigheden - Criteria Wettelijke bepalingen:
Art. 39
Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALLERLEI UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Vonnis - Motiveren - nauwkeurig - beknopt FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Accijnzen Vrije woorden: Wet Accijnsproducten - Overtreding - Straf - Geldboete - Rechtvaardiging - Verzachtende omstandigheden - Criteria Wettelijke bepalingen:
Art. 39Thesaurus CAS: STRAF - VERZACHTENDE OMSTANDIGHEDEN.
VERSCHONINGSGRONDEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Vonnis - Motiveren - nauwkeurig - beknopt FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Accijnzen Vrije woorden: Wet Accijnsproducten - Overtreding - Straf - Geldboete - Rechtvaardiging - Verzachtende omstandigheden - Criteria Wettelijke bepalingen:
Art. 39
Fiches 11 - 13 Wanneer de rechter die bestraft voor een overtreding van de bepalingen van de Wet Accijnsproducten verzachtende omstandigheden wenst aan te nemen dient hij evenwel rekening te houden met het doel van de wet, die de overtreding met een zware geldboete wil bestraft zien om te beletten dat fraude zou worden gepleegd met het oog op de enorme winst die men met het misdrijf kan maken
(1).
(1)Zie Cass., 18 mei 1999, AR P.98.0883.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990518.4, nr 288. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Vonnis - Motiveren - nauwkeurig - beknopt FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Accijnzen Vrije woorden: Wet Accijnsproducten - Overtreding - Straf - Verzachtende omstandigheden Wettelijke bepalingen:
Art. 39
Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALLERLEI UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Vonnis - Motiveren - nauwkeurig - beknopt FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Accijnzen Vrije woorden: Wet Accijnsproducten - Overtreding - Straf - Verzachtende omstandigheden Wettelijke bepalingen:
Art. 39Thesaurus CAS: STRAF - VERZACHTENDE OMSTANDIGHEDEN.
VERSCHONINGSGRONDEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Vonnis - Motiveren - nauwkeurig - beknopt FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Accijnzen Vrije woorden: Wet Accijnsproducten - Overtreding - Verzachtende omstandigheden Wettelijke bepalingen:
Art. 39
Fiches 14 - 15 Geen wetsbepaling schrijft voor dat een afzonderlijke motivering vereist is voor de keuze van de straf en het bepalen van de strafmaat, noch dat de maat van iedere straf of van iedere maatregel met een telkens verschillende motivering moet worden verantwoord
(1).
(1)Cass., 17 okt. 2000, AR P.98.1344.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001017.8, nr 555; Cass., 14 nov. 2000, AR P.98.1412.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001114.10, nr 618; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2003, nr 1294. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Vonnis - Motiveren - nauwkeurig - beknopt FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Accijnzen Vrije woorden: Straf en strafmaat - Keuze - Motivering - Afzonderlijke redenen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STRAF - ALLERLEI UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Vonnis - Motiveren - nauwkeurig - beknopt FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Accijnzen Vrije woorden: Straf en strafmaat - Keuze - Motivering - Afzonderlijke redenen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 16 - 17 Wanneer de accijnsproducten niet effectief in beslaggenomen en verbeurd verklaard zijn, moet de veroordeling tot de ontdoken accijns en bijzondere accijns worden uitgesproken. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Vonnis - Motiveren - nauwkeurig - beknopt FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Accijnzen Vrije woorden: Wet Accijnsproducten - Overtreding - Accijnsproducten niet in beslaggenomen en verbeurdverklaard - Gevolg - Ontdoken accijns - Bijzondere accijns Wettelijke bepalingen:
Art. 42
Fiches 18 - 19 De omstandigheid dat een rechter bepaalde feiten vaststelt en op deze door hem vastgestelde feiten een onwettige wetstoepassing maakt, is geen motiveringsgebrek in de zin van artikel 149 Grondwet maar een onwettigheid
(1).
(1)Over het onderscheid tussen een motiveringsgebrek en een onwettigheid: zie conclusie proc.-gen. du JARDIN bij Cass., 7 dec. 2001, voltallige zitting, AR C.99.0442.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011207.5, nr 681. Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - ALGEMEEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Vonnis - Motiveren - nauwkeurig - beknopt FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Accijnzen Vrije woorden: Redenen van de vonnissen en arresten - Vaststelling van feiten door de rechter - Onwettige wetstoepassing op die feiten - Motiveringsgebrek Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - ALGEMEEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Vonnis - Motiveren - nauwkeurig - beknopt FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Accijnzen Vrije woorden: Vaststelling van feiten door de rechter - Onwettige wetstoepassing op die feiten - Motiveringsgebrek Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 Fiches 20 - 21 De verbeurdverklaring van artikel 436, derde lid, van de Programmawet van 27 december 2004 heeft een zakelijk karakter, dat wil zeggen dat ze het voorwerp zelf treft wie ook de eigenaar ervan is en waar het zich ook bevindt, onverminderd de mogelijkheid voor de eigenaar om eventueel aan te tonen dat hij vreemd is aan het misdrijf. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Vonnis - Motiveren - nauwkeurig - beknopt FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Accijnzen Vrije woorden: Overtreding waardoor de invordering van accijnzen ontstaat - Straf - Verbeurdverklaring - Aard Wettelijke bepalingen: Wet - 27-12-2004 - Art. 436, derde lid Thesaurus CAS: STRAF - ALLERLEI UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Vonnis - Motiveren - nauwkeurig - beknopt FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Accijnzen Vrije woorden: Douane en accijnzen - Overtreding waardoor de invordering van accijnzen ontstaat - Verbeurdverklaring - Aard Wettelijke bepalingen: Wet - 27-12-2004 - Art. 436, derde lid Fiches 22 - 24 Geen wetsbepaling of rechtsbeginsel verhindert om de verbeurdverklaring van artikel 436, derde lid, van de Programmawet van 27 december 2004 uit te spreken tegen de curator van een gefailleerde in zijn hoedanigheid van curator. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Vonnis - Motiveren - nauwkeurig - beknopt FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Accijnzen Vrije woorden: Overtreding waardoor de invordering van accijnzen ontstaat - Straf - Verbeurdverklaring - Overtreder in staat van faillissement - Gevolg - Curator Wettelijke bepalingen: Wet - 27-12-2004 - Art. 436, derde lid Thesaurus CAS: STRAF - ALLERLEI UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Vonnis - Motiveren - nauwkeurig - beknopt FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Accijnzen Vrije woorden: Douane en accijnzen - Overtreding waardoor de invordering van accijnzen ontstaat - Verbeurdverklaring - Overtreder in staat van faillissement - Gevolg - Curator Wettelijke bepalingen: Wet - 27-12-2004 - Art. 436, derde lid Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - ALLERLEI UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Vonnis - Motiveren - nauwkeurig - beknopt FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Accijnzen Vrije woorden: Douane en accijnzen - Overtreding waardoor de invordering van accijnzen ontstaat - Verbeurdverklaring - Overtreder in staat van faillissement - Gevolg - Curator Wettelijke bepalingen: Wet - 27-12-2004 - Art. 436, derde lid Fiches 25 - 27 Wanneer de rechter bestraft voor een overtreding van de bepalingen van de Wet Accijnsproducten kan hij voor de geldboete verzachtende omstandigheden aannemen, zonder dat artikel 85 van het Strafwetboek toepasselijk is. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Vonnis - Motiveren - nauwkeurig - beknopt FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Accijnzen Vrije woorden: Wet Accijnsproducten - Overtreding - Geldboete - Verzachtende omstandigheden - Artikel 85, Sw. - Toepassing Wettelijke bepalingen:
Artt. 39, 40 en 41 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALLERLEI UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Vonnis - Motiveren - nauwkeurig - beknopt FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Accijnzen Vrije woorden: Wet Accijnsproducten - Overtreding - Geldboete - Verzachtende omstandigheden - Artikel 85, Sw. - Toepassing Wettelijke bepalingen:
Artt. 39, 40 en 41 Thesaurus CAS: STRAF - VERZACHTENDE OMSTANDIGHEDEN. VERSCHONINGSGRONDEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Vonnis - Motiveren - nauwkeurig - beknopt FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Accijnzen Vrije woorden: Wet Accijnsproducten - Overtreding - Geldboete - Verzachtende omstandigheden - Artikel 85, Sw. - Toepassing Wettelijke bepalingen:
Artt. 39, 40 en 41 Tekst van de beslissing Nr. P.06.1655.N I V. F. N., beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie. II H. J.-P. B., beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, III Mrs. Patrick BUSSERSX, Geert PAUWELS, Godfrey LESIRE en Dirk VAN COPPENOLLE, advocaten bij de balie te Hasselt, in hun hoedanigheid van curatoren van het faillissement van INTEROIL nv, oorspronkelijk beklaagde en civielrechtelijk en hoofdelijk aansprakelijke partij, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, IV P. F. E. N., beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Casatie. V E. M. L. P., beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, en met als raadsman mr. Raf Verstraeten advocaat bij de balie te Brussel, allen tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, vervolgende partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 15 november
- De eisers I, II en IV voeren in een gezamenlijke memorie drie middelen aan. De eisers III voeren in een memorie drie middelen aan. De eiser V voert in een memorie drie middelen aan. Al deze memories zijn aan dit arrest gehecht. Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN
- De verweerder vervolgde de eiser I, de eiser II, de thans gefailleerde vennootschap waarvan de huidige eisers III de curatoren zijn, de eiser IV en de eiser V, wegens inbreuk op artikel 419 van de Programmawet van 27 december
- Het betrof meer bepaald de uitslag van 1.869.980 liter gasolie als gasolie verwarming uit het belastingentrepot zonder toevoeging van de herkenningsmiddelen rode kleurstof en solvent yellow 124 en zodoende onregelmatige onttrekking van een product dat onder de toepassing van artikel 419 van de programmawet valt, aan de schorsingsregeling en aan de debitering welke voorgeschreven is om de heffing van dat recht te verzekeren (feit I A). De eisers werden eveneens vervolgd wegens misbruik van de machtiging als erkend entrepothouder door manipulatie van het automatisch injectiesysteem waardoor geen herkenningsmiddelen werden toegevoegd aan de gasolie uitgeslagen uit voornoemd entrepot onder de schorsingsregeling (feit II A).
- Het vonnis van de Correctionele Rechtbank te Hasselt van 7 december 2005 verklaarde alle eisers schuldig aan de hen ten laste gelegde feiten. Het veroordeelde: - de eiser I, II en IV elk tot een hoofdgevangenisstraf van twaalf maanden en tot een geldboete van 6.917.775,20 euro (zijnde tien maal de ontdoken accijns, bijzondere accijns en bijdrage op de energie) of een vervangende gevangenisstraf van 90 dagen, met uitstel gedurende drie jaar voor de helft van de gevangenisstraf en een gedeelte van 3.500.000,00 euro van de geldboete of een vervangende gevangenisstraf van 40 dagen; - de vennootschap (eisers III) tot een geldboete van 7.500.000,00 euro, met uitstel gedurende drie jaar voor een gedeelte van 3.500.000,00 euro; - de eiser V tot een hoofdgevangenisstraf van tien maanden en tot een geldboete van 6.917.775,20 euro of een vervangende gevangenisstraf van 90 dagen, met uitstel gedurende drie jaar voor de helft van de gevangenisstraf en een gedeelte van de 3.500.000,00 euro van de geldboete of een vervangende gevangenisstraf van 40 dagen. Voorts werden alle eisers solidair veroordeeld tot betaling van de ontdoken accijns, de ontdoken bijzondere accijns op gasolie en de ontdoken bijdrage op de energie op gasolie. De correctionele rechtbank verklaarde tevens de betrokken hoeveelheid van 1.869.980 liter gasolie verbeurd evenals een aantal andere zaken.
- Alle eisers, de verweerder en het openbaar ministerie kwamen van dit vonnis in hoger beroep.
- Het bestreden arrest, dat met eenparigheid werd gewezen, - verklaart de vennootschap (eisers III) niet schuldig; - verklaart de overige eisers wel schuldig en veroordeelt hen elk tot een hoofdgevangenisstraf van twaalf maanden met uitstel gedurende vijf jaar. Wat de eiser II betreft geldt dit uitstel niet voor een gedeelte van vier maanden van de hoofdgevangenisstraf; - veroordeelt de schuldig verklaarde eisers solidair tot een geldboete van 6.917.775,20 euro of telkens een vervangende gevangenisstraf van 90 dagen; - verklaart de gasolie ten belope van 1.869.980 liter verbeurd en veroordeelt de eisers I, II, IV en V, bij niet-wederoverlegging ervan, solidair tot het betalen van de tegenwaarde zijnde 1.093.938,30 euro; - verklaart verbeurd de bij de overtreding gebruikte vervoermiddelen alsmede de voorwerpen die hiertoe gediend hebben of daartoe bestemd waren en de zaken die uit het misdrijf voortkomen. Op civielrechtelijk gebied - veroordeelt het bestreden arrest alle eisers solidair tot het betalen van de ontdoken accijns op gasolie, de ontdoken bijzonder accijns en de ontdoken energiebijdrage op gasolie; - verklaart het de eisers III civielrechtelijk aansprakelijk voor de geldboeten en kosten ten laste van de eisers I, II en IV. III. BESLISSING VAN HET HOF Ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de eisers III
- Het bestreden arrest spreekt de naamloze vennootschap voor wiens faillissement thans de eisers optreden, vrij als beklaagde. Het cassatieberoep van de eisers is in zoverre bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Beoordeling Middelen van de eisers I, II en IV Eerste middel
- Het middel betreft enkel de schuldigverklaring van de eiser I en II. Het middel voert schending aan van: - de artikelen 66 en 67 van het Strafwetboek, - de artikelen 419, 436 en 439 van de Programmawet van 27 december 2004 (Programmawet) (B.S., 31 december 2004, Err. B.S. 18 januari 2005), - artikel 39 van de Wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (B.S., 1 augustus 1997), - de artikelen 265 en 266 van het Koninklijk Besluit van 18 juli 1977 tot coördinatie van de algemene bepalingen inzake douane en accijnzen (AWDA). Het middel concludeert: ¿De appelrechters stellen enkel vast, enerzijds dat het automatisch injectiesysteem werd gemanipuleerd, anderzijds dat [de eiser I en II] binnen de betrokken onderneming respectievelijk de functie van afgevaardigd bestuurder en bestuurder (General Manager) uitoefenden. Zij stellen voorts enkel vast, zonder op enige concrete handeling te wijzen, dat naar hun oordeel [de eiser I en II] nagelaten hebben het desbetreffend vereiste en noodzakelijke toezicht uit te oefenen en aldus de betrokken strafbare feiten hebben mogelijk gemaakt en/of vergemakkelijkt. Hierdoor stellen de appelrechters geenszins vast dat [de eiser I en II] op de hoogte waren van het betrokken fraudesysteem en hieraan wetens en willens hun medewerking hebben verleend. De appelrechters stellen evenmin vast dat [de eiser I en II] bewust aan verdere kennis omtrent het misdrijf hebben verzaakt. Uit de door de appelrechters aangehaalde feitelijke omstandigheden, met name het nalaten toezicht uit te oefenen vermochten de appelrechters dan ook niet af te leiden dat [eerste en tweede] eiser schuldig zijn aan de hen ten laste gelegde feiten en gehandeld hebben met het door de wet vereiste opzet, minstens deelnemingsopzet. In deze omstandigheden verantwoorden de appelrechters dan ook hun beslissing niet naar recht (schending van alle in het middel aangehaalde wetsbepalingen).¿
- De door het middel bekritiseerde overwegingen van het bestreden arrest die het middel aanhaalt, verwijzen ook naar vorige overwegingen van dit arrest die het middel evenwel niet aanhaalt. In die vorige overwegingen resumeren de appelrechters onder meer het verweer van de eiser IV waarbij deze ¿een gang van zaken¿ voorstelde. In dat verweer was begrepen dat noch zijn vader, de eiser I, de eiser II of de vennootschap (eisers III) op de hoogte waren van de met de eiser V overeengekomen manipulatie van het pompsysteem teneinde de betaling van achterstallige facturen te bespoedigen. De appelrechters oordelen evenwel dat de voorgehouden gang van zaken elke geloofwaardigheid mist en een vergeefse poging uitmaakt ter verklaring van de cijfergegevens vermeld op de door de eiser IV opgestelde en in zijn bureel aangetroffen ¿lijst Ernest¿. Het middel dat berust op een onvolledige lezing van het bestreden arrest, mist feitelijke grondslag. Tweede middel
- Het middel betreft enkel de strafmaat van de aan de eisers I, II en IV opgelegde straffen. Het middel voert schending aan van: - de artikelen 10, 11 en 149 van de Grondwet; - artikel 195 van het Wetboek van Strafvordering. Het middel stelt dat het bestreden arrest door tegenstrijdigheid is aangetast waar het enerzijds voor de straftoemeting zegt onder meer rekening te houden met het blanco strafregister van de eisers I en II en het relatief gunstig strafrechtelijk verleden van de eiser IV, wat noopt tot het individualiseren van de straftoemeting, hierin begrepen de geldboete, anderzijds hen niettemin toch veroordeelt tot de maximale geldboete, minstens dat de straftoemeting niet gemotiveerd is overeenkomstig artikel 195 van het Wetboek van Strafvordering. In ondergeschikte orde verzoekt het middel, in zoverre de beslissing van de appelrechters dient te worden begrepen als zouden zij van mening zijn dat de rechter de geldboete niet mag verminderen op grond van verzachtende omstandigheden, aan het Grondwettelijk Hof drie prejudiciële vragen te stellen.
- De appelrechters straffen de eisers I, II en IV met toepassing van artikel 39 van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (Wet Accijnsproducten) dat zegt: ¿Iedere overtreding van de bepalingen van deze wet die tot gevolg heeft dat de accijns opeisbaar wordt, wordt gestraft met een boete van tienmaal de in het spel zijnde accijns met een minimum van 250,00 EUR. Bovendien worden de overtreders bestraft met een gevangenisstraf van vier maanden tot een jaar wanneer accijnsproducten die worden geleverd of zijn bestemd om te worden geleverd in het land, in het verbruik zijn gesteld zonder aangifte of wanneer het vervoer ervan geschiedt onder dekking van valse of vervalste documenten of wanneer de overtreding gebeurt door benden van ten minste drie personen. In geval van herhaling wordt de geldboete en de gevangenisstraf verdubbeld. Benevens vorenvermelde straf worden de goederen waarop de accijns verschuldigd is, de bij de overtreding gebruikte vervoermiddelen en de voorwerpen die gediend hebben of bestemd waren om de fraude te plegen in beslag genomen en verbeurd verklaard¿. Artikel 85 van het Strafwetboek dat voorziet in de mogelijke vermindering van correctionele straffen volgens bepaalde regels indien verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, is overeenkomstig artikel 100 van het Strafwetboek bij gebreke van andersluidende bepalingen niet toepasselijk op de misdrijven die bij bijzondere wetten en verordeningen strafbaar zijn gesteld. De Wet Accijnsproducten bevat geen andersluidende bepaling betreffende verzachtende omstandigheden.
- Nadat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 138/2006 van 14 september 2006, voor recht heeft gezegd dat artikel 23, eerste lid, van de wet van 22 oktober 1997 betreffende de structuur en de accijnstarieven inzake minerale olie de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, schendt in zoverre het de strafrechter niet toestaat om, wanneer er verzachtende omstandigheden bestaan, de erin bepaalde geldboete op enigerlei wijze te matigen, heeft het in zijn arrest nr. 165/2006 van 8 november 2006, dat gewezen werd vóór de uitspraak van het bestreden arrest, hetzelfde gezegd met betrekking tot dat artikel 39, eerste lid, van de Wet Accijnsproducten. Het Grondwettelijk Hof heeft deze rechtspraak nadien herhaald in zijn arrest nr. 199/2006 van 13 december 2006 betreffende artikel 221, § 1, van de algemene wet inzake douane en accijnzen, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 18 juli 1977 (AWDA) en artikel 39, eerste lid, van de Wet Accijnsproducten. Deze rechtspraak heeft tot gevolg dat zolang de wet de aangelegenheid niet anders regelt, de rechter die voor een overtreding van de bepalingen bestraft overeenkomstig artikel 39 van de Wet Accijnsproducten vrij verzachtende omstandigheden kan aannemen -niet verplicht- en wanneer hij dit doet, afgezien van het bepaalde in het hierna aangehaalde artikel 195, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, de geldboete vrij kan verminderen. Wel moet de strafmaat van de opgelegde geldboete gerechtvaardigd worden door de aangenomen verzachtende omstandigheden. Deze kunnen onder meer betrekking hebben op het misdrijf zelf, zijn omstandigheden en gevolgen, het aandeel van de beklaagde in het misdrijf en zijn mate van schuld, de gegevens die eigen zijn aan de persoon van de beklaagde en het doel dat de rechter met de bestraffing beoogt. De rechter dient bij dit laatste evenwel rekening te houden met het doel van de wet, die hier de overtreding met een zware geldboete wil bestraft zien om te beletten dat fraude zou worden gepleegd met het oog op de enorme winst die men met het misdrijf kan maken.
- Artikel 195, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, bepaalt: ¿Het vonnis vermeldt nauwkeurig, maar op een wijze die beknopt mag zijn, de redenen waarom de rechter, als de wet hem daartoe vrije beoordeling overlaat, dergelijke straf of dergelijke maatregel uitspreekt. Het rechtvaardigt bovendien de strafmaat voor elke uitgesproken straf of maatregel. Wanneer hij veroordeelt tot een geldboete houdt hij voor de vaststelling van het bedrag ervan rekening met de door de beklaagde aangevoerde elementen over zijn sociale toestand. De rechter kan een geldboete uitspreken beneden het wettelijk minimum van de boete indien de overtreder om het even welk document voorlegt dat zijn precaire financiële situatie bewijst.¿ Geen wetsbepaling schrijft evenwel voor dat een afzonderlijke motivering vereist is voor de keuze van de straf en het bepalen van de strafmaat, noch dat de maat van iedere straf of van iedere maatregel met een telkens verschillende motivering moet worden verantwoord.
- De appelrechters motiveren de aan de aan de beklaagden opgelegde straffen als volgt. ¿De hierna bepaalde hoofdgevangenisstraffen en het effectief gedeelte ervan (wat [de eiser IV en de eiser V] betreft) en effectieve geldboeten zijn passend en geboden, gelet op: - de aard en de zwaarwichtigheid van de bewezen verklaarde feiten, zoals voormeld; - de omvang van de fraude en de ondermijnende invloed ervan op de fiscale en economische ordening; - de concrete individuele betrokkenheid van de respectieve beklaagden, zoals uiteengezet; - de persoon van beklaagden, met inbegrip van het blanco strafregister van (de eiser I en de eiser II], het relatief gunstig strafrechtelijk verleden van [de eiser IV] en de strafrechtelijke antecedenten van [de eiser V]. [De eisers I, II, IV en V] werden nog niet veroordeeld tot een criminele straf of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden, zodat uitstel van tenuitvoerlegging voor een termijn van vijf jaar van de hoofdgevangenisstraffen en, wat [de eiser IV en de eiser V] betreft van het hierna bepaalde gedeelte van de hoofdgevangenisstraf, van aard is de verbetering van beklaagden te doen verhopen. De vervangende gevangenisstraffen zijn aangepast aan de omvang van de geldboeten.¿ Met deze motivering verantwoorden de appelrechters de aan de eisers I, II en IV opgelegde geldboete naar recht.
- Uit het bestreden arrest blijkt niet dat de appelrechters zich de mogelijkheid ontzeggen om de geldboete wegens verzachtende omstandigheden beneden het wettelijke minimum te minderen. Het middel kan niet worden aangenomen.
- Er is geen grond tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 439 Programmawet van 27 december 2004 en van de artikelen 10, 11 en 149 Grondwet. Het stelt dienaangaande dat het arrest, enerzijds, de verbeurdverklaring uitspreekt van niet aangehaalde 1.869.980 liter gasolie met de veroordeling van de eisers I, II en IV om bij niet overlegging ervan solidair de tegenwaarde van 1.093.938,30 euro te betalen, anderzijds de eisers veroordeelt tot de ontdoken accijns, bijzondere accijns en energiebijdragen.
- Overeenkomstig artikel 439 van de vermelde Programmawet zijn de accijnzen altijd opeisbaar, met uitzondering evenwel van de accijnzen verschuldigd op de accijnsproducten die naar aanleiding van de vaststelling van een overtreding op basis van artikel 436 effectief worden in beslag genomen en naderhand worden verbeurd verklaard of middels een transactie aan de schatkist worden afgestaan. Hieruit volgt dat wanneer de accijnsproducten niet effectief in beslaggenomen en verbeurd verklaard zijn de veroordeling tot de ontdoken accijns en bijzondere accijns moet uitgesproken worden. De bijzondere energiebijdrage wordt evenwel door artikel 439 voormeld niet beoogd. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De omstandigheid dat een rechter bepaalde feiten vaststelt en op deze door hem vastgestelde feiten vervolgens een onwettige wetstoepassing maakt, is geen motiveringsgebrek in de zin van artikel 149 Grondwet maar een onwettigheid. In zoverre het middel een motiveringsgebrek aanvoert, faalt het naar recht.
- Het bestreden arrest overweegt dat het de vervolgende partij staat om, in voorkomend geval, overeenkomstig artikel 439 Programmawet van 27 december 2004, af te zien van verdere invordering van de ingevolge de definitief geworden verbeurdverklaring niet meer opeisbare accijnzen, verschuldigd op naar aanleiding van de vaststelling van de overtreding op basis van artikel 436 van de vermelde Programmawet in beslag genomen accijnsproducten. Het staat evenwel de rechter die een verbeurdverklaring uitspreekt, zelf daaraan het rechtsgevolg te geven dat de wet bepaalt.
- Het arrest spreekt enerzijds tegen de eisers I, II, IV en ook V de verbeurdverklaring uit van de 1.869.980 liter niet-aangehaalde gasolie en veroordeelt hen, bij niet overlegging ervan, solidair tot betaling van 1093.938,30 euro, zijnde de tegenwaarde ervan, veroordeelt hen anderzijds tot verbeurdverklaring van volgende zaken die uit het misdrijf voortkomen, namelijk 35.176 liter gasolie, ter waarde van 20.581,00 euro reeds begrepen in de vermelde hoeveelheid van 1.869.980 liter en vermeld in een bepaalde inventaris, en van 5.013 en 5.013 liter gasolie vermeld in dezelfde inventaris, ter waarde van respectievelijk 2.552,61 en 2.923,04 euro. In zoverre de verbeurdverklaring van de 1.869.980 liter de aangehaalde hoeveelheden van 35.176, 5.013 en 5.013 liter omvat, dit is meer dan (1.869.980 min 35.176, 5.013 en 5.013 is) 1.824.778 liter, en de veroordeling bij niet-overlegging tot betaling van de niet-aangehaalde gasolie ook de tegenwaarde van deze laatste vermelde aangehaalde hoeveelheden, dit is in zoverre de tegenwaarde daarvan bepaald wordt op meer dan (1.093.938,30 min 20.581,00 , 2.552,61 en 2.923,04 euro is) 1.067.881,30 euro, schenden de appelrechters artikel 439 van de voormelde Programmawet. Het middel is in zoverre gegrond. Middelen van de eisers III Eerste middel in zijn geheel
- Het middel betreft de veroordeling van de vennootschap tot de ontdoken accijns, bijzondere accijns en energiebijdrage en heeft dezelfde draagwijdte als het derde middel van de eisers I, II en IV.
- Om de redenen vermeld in het antwoord op dit middel, is onderhavig middel in dezelfde mate gegrond. Tweede middel
- Het middel betreft de veroordeling van de eisers III, op grond van de civielrechtelijke aansprakelijkheid van de boedel, tot betaling van de ontdoken accijns, bijzondere accijns en energiebijdrage en de geldboeten en kosten ten laste van de eisers I, II en IV. Het middel voert schending aan van: - de artikelen 16, 23 en 99 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, - de artikelen 8 en 9 van de Hypotheekwet van 16 december 1851, die titel XVIII van het Burgerlijk Wetboek vormt, - het algemeen rechtsbeginsel inzake de gelijkheid van de schuldeisers.
- Het middel stelt dat een schuld alleen een boedelschuld kan zijn wanneer de curator qualitate qua, dit is in hoedanigheid van curator, verbintenissen heeft aangegaan voor het beheer van de boedel, en alleen in dat geval de boedel de verbintenissen uit dat beheer moet nakomen en de lasten ervan moet dragen, terwijl te dezen blijkt dat de schuld haar oorzaak vindt in de handelingen gesteld in de periode tussen 21 juni en 16 oktober 2005, hetzij enkele maanden vóór het faillissement van de vennootschap waarvan de eisers III de curatoren zijn, en derhalve volkomen vreemd is aan het beheer van de curatele.
- Het bestreden arrest veroordeelt niet de eisers in hun hoedanigheid van curatoren van de gefailleerde vennootschap, maar wel de vennootschap zelf, wat inhoudt dat het bedrag van de veroordelingen zal worden opgenomen in het passief van het faillissement. Dit is eveneens het geval voor de verklaring dat de vennootschap civielrechtelijk aansprakelijk wordt verklaard voor de geldboeten en de kosten waartoe de eisers I, II en IV veroordeeld zijn. Het middel mist feitelijke grondslag. Derde middel
- Het middel betreft de verbeurdverklaring van de aan de failliete vennootschap (eisers III) toebehorende goederen, waaromtrent het bestreden arrest overweegt: ¿De enkele omstandigheid dat de [vennootschap] in staat van faillissement werd verklaard bij vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Hasselt de dato 16 december 2005, brengt niet met zich dat, zoals aangevoerd door de curatoren, de, op de voormelde wetsbepalingen gebaseerde vordering van de vervolgende partij tot strafrechtelijke verbeurdverklaring van de voor de faillietverklaring regelmatig in beslag genomen goederen zonder voorwerp zou zijn geworden¿. Het middel voert schending aan van: - de artikelen 8 en 9 van de Hypotheekwet van 16 december 1851, - de artikelen 16, 23, 24, 25, 51, 75 en 99 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, - artikel 436, derde lid, van de Programmawet van 27 december 2004, - het algemeen rechtsbeginsel inzake de gelijkheid van de schuldeisers. Het middel stelt: - dat de rechten van de schuldeiser vastgesteld worden op datum van het faillissement en aan deze rechten niet meer kan worden geraakt door latere ingrepen, inzonderheid dat het actief niet meer ten voordele van één welbepaalde schuldeiser, weze het de Staat, kan worden bezwaard met een zakelijk recht; - dat de verbeurdverklaring, waarvan sprake in artikel 436, derde lid, van de voormelde Programmawet dat zegt dat de producten waarop accijnzen zijn verschuldigd, de bij de overtreding gebruikte vervoermiddelen alsmede de voorwerpen die bij de overtreding hebben gediend of daartoe waren bestemd, worden in beslag genomen en verbeurdverklaard, de eigendom doet overgaan en niet het voorafgaand beslag; - dat dan ook de uitvoering van een maatregel van verbeurdverklaring, uitgesproken na het vonnis van faillietverklaring, in strijd is met het principe van de samenloop en de gelijkheid der schuldeisers.
- De verbeurdverklaring van artikel 436, derde lid, van de Programmawet van 27 december 2004 heeft een zakelijk karakter, dit wil zeggen dat ze het voorwerp zelf treft wie ook de eigenaar ervan is en waar ook het zich bevindt. Zoals dat het geval is voor een verbeurdverklaring met toepassing van artikel 221 AWDA, mag de eigenaar eventueel aantonen dat hij vreemd is aan het misdrijf. Geen wetsbepaling of rechtsbeginsel verhindert evenwel de verbeurdverklaring van artikel 436, derde lid, van de Programmawet uit te spreken tegen de curator van een gefailleerde in zijn hoedanigheid van curator. Het middel faalt naar recht. Middelen van de eiser V Eerste middel
- Het middel betreft de eiser opgelegde geldboete. Het middel voert schending aan van: - artikel 85, eerste lid, van het Strafwetboek; - artikel 436, eerste en vierde lid, van de Progammawet van 27 december 2004; - artikel 39, eerste lid, van de Wet Accijnsproducten. Eerste onderdeel
- Het onderdeel stelt dat het bestreden arrest zou laten verstaan dat het geen verzachtende omstandigheden in aanmerking mocht nemen, wat onder meer een schending zou uitmaken van artikel 85 van het Strafwetboek. Zoals uit het antwoord op het tweede middel van de eisers I, II en IV blijkt, kan de rechter hier voor de geldboete wel verzachtende omstandigheden aannemen, maar is artikel 85 van het Strafwetboek niet toepasselijk. Het onderdeel faalt in zoverre naar recht.
- Voor het overige blijkt uit het bestreden arrest niet dat de appelrechters laten verstaan dat zij voor de geldboete geen verzachtende omstandigheden zouden mogen aannemen. Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel gaat ervan uit dat de strafrechter bij aanneming van verzachtende omstandigheden voor een overtreding van een bepaling bestraft overeenkomstig artikel 436, eerste en vierde lid, van de Programmawet, artikel 85 Strafwetboek moet toepassen. Om die hoger reeds vermelde redenen, faalt het onderdeel naar recht. Tweede middel
- Het middel betreft de tegen de eiser uitgesproken verbeurdverklaring, ¿als zaken die uit het misdrijf voortkomen¿ van ¿de in beslag genomen gelden voor een totale waarde van respectievelijk 268.945,00 euro, 3.400,-Britse Ponden en 170,-US Dollar (zie ook inventaris nummer 14.637 de dato 21 oktober 2005, douanekantoor Antwerpen)¿ waarover het bestreden arrest zegt: ¿De in beslag genomen geldsommen (cfr. supra) komen voort uit de gepleegde fraude (cfr. supra). Op pagina 22 van het bestreden vonnis stelde de eerste rechter: ¿De verbeurdverklaring van de overige goederen dan die bepaald in het beschikkend gedeelte, wordt beoordeeld als zijnde een straf die onevenredig is met de omvang van de bewezen verklaarde ten laste gelegde feiten. ...'. De eerste rechter eigende zich aldus ten onrechte een matigingsbevoegdheid toe, nu het de wetgever toekomt misdrijven in te voeren en hiervoor straffen te bepalen en de strafrechter niet mag weigeren een door de wet bepaalde bestraffing toe te passen omdat hij van oordeel is dat ze niet in verhouding staat met de aard en/of de omvang van de overtreding en/of de financiële draagkracht van de beklaagde.¿ Het middel voert schending aan van: - de artikelen 195 en 211 van het Wetboek van Strafvordering, - de artikelen 42, 2° en 3°, 43, eerste lid, en 43bis van het Strafwetboek. Het stelt dat uit de overwegingen van de verbeurdverklaring blijkt dat hier niet de verbeurdverklaring van artikel 436 van de Progammawet wordt uitgesproken, maar die van artikel 42, 3°, van het Strafwetboek, zodat het bestreden arrest de in het middel aangehaalde bepalingen van het Strafwetboek schendt.
- Artikel 436, tweede lid, van de Progammawet bepaalt: ¿Ongeacht voormelde strafbepalingen worden de producten waarop accijnzen zijn verschuldigd, de bij de overtreding gebruikte vervoermiddelen alsmede de voorwerpen die bij de overtreding hebben gediend of daartoe waren bestemd, in beslag genomen en verbeurdverklaard.¿ De tegen de eiser uitgesproken verbeurdverklaring van de in beslag genomen geldsommen als zaken die uit het misdrijf voortkomen, kan hier niet gegrond zijn op artikel 436, tweede lid, van de Progammawet en is bijgevolg niet met redenen omkleed zoals vereist door de artikelen 195 en 211 van het Wetboek van Strafvordering. Het middel is gegrond. Derde middel
- Het middel betreft de veroordeling van de vennootschap tot de ontdoken accijns, bijzondere accijns en energiebijdrage en heeft dezelfde draagwijdte als het derde middel van de eisers I, II en IV.
- Om de redenen vermeld in het antwoord op dit middel, is onderhavig middel in dezelfde mate gegrond. Ambtshalve uitbreiding van de cassatie
- De vernietiging van de beschikking van het bestreden arrest tot betaling van bepaalde bedragen bij niet-overlegging van verbeurdverklaarde goederen, raakt de openbare orde en moet worden uitgebreid tot alle eisers. Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering
- Voor het overige zijn de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht genomen en zijn de beslissingen overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het: - tegen de eiser V de verbeurdverklaring uitspreekt van de in beslag genomen gelden voor een totale waarde van respectievelijk 268.945,00 euro, 3.400,00 Britse ponden en 170,00 US-dollars en tegen de eisers I, II, IV en V de verbeurdverklaring uitspreekt van meer dan 1.824.778 liter niet-aangehaalde gasolie. - de eisers I, II, III, IV en V veroordeelt, bij niet-wederoverlegging van meer dan 1.824.778 liter gasolie, tot betaling van meer dan 1.067.881,65 euro. - de eisers I, II, III, IV en V veroordeelt tot betaling van de ontdoken accijns, bijzondere accijns en energiebijdrage in zoverre die 35.176, 5.013 en 5.013 liter gasolie begrijpt. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eisers elk in drie vierde van de kosten van hun respectieve cassatieberoepen en laat het andere vierde ten laste van de Staat. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Begroot de kosten in het geheel op 690,25 euro waarvan op elk cassatieberoep 138,05 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Luc Huybrechts, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Paul Maffei,Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare terechtzitting van 5 juni 2007 uitgesproken door raadsheer Luc Huybrechts, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070605.11 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.109 ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.170 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.104 precedenten: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990518.4 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001017.8 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001114.10 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011207.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121030.15 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141014.6 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200922.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div