← België

T.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070605.14 Rolnummer: P.07.0232.N Zaak: T. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2008-01-30 Raadplegingen: 738 - laatst gezien 2026-07-04 01:36 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Een beklaagde is schuldig aan één van de in artikel 324ter, §§ 1 tot 4 van het Strafwetboek bepaalde misdrijven van zodra hij onder één van de daarin bepaalde vormen deel uitmaakt van de criminele organisatie, zonder dat daarom ook de constitutieve bestanddelen eigen aan de criminele organisatie in zijnen hoofde, als deelnemer aan deze organisatie, moeten verenigd zijn

(1).
(1)Zie Cass., 25 okt. 2005, AR P.05.1034.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051025.9, nr 537; Cass., 24 feb. 2004, AR P.04.0251.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040224.22, nr 100; Cass., 24 feb 2004, AR P.04.0253.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040224.23, nr 101. Deze vorige rechtspraak benadrukte het onderscheid tussen, enerzijds, het door de artikelen 324ter, §§ 1 tot 4 van het Strafwetboek bedoelde lidmaatschap van of deelneming aan een criminele organisatie en, anderzijds, de strafbare feiten die het oogmerk of doel vormen van de criminele organisatie. Thans wordt het onderscheid gemaakt tussen lidmaatschap of deelneming en de strafbare feiten die het middel inhouden waarmee de criminele organisatie haar doel poogt te bereiken. Thesaurus CAS: VERENIGING VAN MISDADIGERS Vrije woorden: Criminele organisatie - Deelneming of lidmaatschap - Zelfstandig misdrijf - Gevolg Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 324bis en 324ter - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 2 Het gebruik van listige kunstgrepen of de aanwending van commerciële of andere structuren om het plegen van de misdrijven te verbergen of te vergemakkelijken, weze het bij middel van valsheid in geschrifte en gebruik ervan, als constitutief bestanddeel van de criminele organisatie zoals bedoeld in artikel 324bis van het Strafwetboek, vereenzelvigt zich niet met een der onderscheiden daden van deelneming aan deze organisatie zoals bedoeld in artikel 324ter, §§ 1 tot 4 van het Strafwetboek
(1)
(2).
(1)Zie Cass., 25 okt. 2005, AR P.05.1034.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051025.9, nr 537; Cass., 24 feb. 2004, AR P.04.0251.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040224.22, nr 100; Cass., 24 feb 2004, AR P.04.0253.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040224.23, nr 101. Deze vorige rechtspraak benadrukte het onderscheid tussen, enerzijds, het door de artikelen 324ter, §§ 1 tot 4 van het Strafwetboek bedoelde lidmaatschap van of deelneming aan een criminele organisatie en, anderzijds, de strafbare feiten die het oogmerk of doel vormen van de criminele organisatie. Thans wordt het onderscheid gemaakt tussen lidmaatschap of deelneming en de strafbare feiten die het middel inhouden waarmee de criminele organisatie haar doel poogt te bereiken.
(2)Zie Cass., 6 nov. 2002, AR P.02.1394.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021106.14, nr
  1. Thesaurus CAS: VERENIGING VAN MISDADIGERS Vrije woorden: Criminele organisatie - Constitutieve bestanddelen - Middelen aangewend om de misdrijven die het doel vormen te verbergen of te vergemakkelijken - Middel dat zelf een misdrijf uitmaakt - Verhouding tot het misdrijf van deelneming of lidmaatschap Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 324bis en 324ter - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.07.0232.N I M. C., beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie. II S. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Hans Van Bavel, advocaat bij de balie te Brussel. III
  2. J. T., beklaagde,
  3. J. B., beklaagde, eisers. IV G. R., beklaagde, eiser. V M. K., beklaagde, eiser. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 10 januari
  4. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eisers III, IV en V voeren geen middel aan. Raadsheer Jean-Pierre Frère heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Wat de eisers M. C. en S. B. betreft Eerste gelijkluidend middel van de beide memories
  5. Het middel voert aan dat het arrest, bij de veroordeling van de eisers wegens feiten omschreven in de bewoordingen van de artikelen 324bis en 324ter Strafwetboek om, naargelang het geval wel of niet als leidend persoon, deel te hebben uitgemaakt van een criminele organisatie, nalaat vast te stellen welke de met een gevangenisstraf van drie jaar of meer strafbare misdaden of wanbedrijven zijn, voor het plegen waarvan die criminele organisatie werd opgericht.
  6. Naar luid van artikel 324bis Strafwetboek is de in dat artikel bedoelde criminele organisatie iedere gestructureerde vereniging van meer dan twee personen die duurt in de tijd, met als oogmerk het in onderling overleg plegen van misdaden of wanbedrijven en die strafbaar zijn met gevangenisstraf van drie jaar of een zwaardere straf om direct of indirect vermogensvoordelen te verkrijgen.
  7. De eerste rechter spreekt de eisers vrij van het hen tenlastegelegde feit van, naargelang het geval wel of niet als leidend persoon, deel te hebben uitgemaakt van een criminele organisatie op grond dat de criminele organisatie waarop de telastleggingen betrekking hebben, gericht is op het plegen van sluikinvoer, wanbedrijf strafbaar met een gevangenisstraf van één jaar.
  8. De appelrechters preciseren onder de hoofding “Algemeen – betreffende de telastleggingen A, B, DI en DII (criminele organisatie)”, de oorspronkelijke aan de eisers ten laste gelegde feiten deel te hebben uitgemaakt van een criminele organisatie door vermelding van de middelen of de handelwijze die, naar het oordeel van de rechters, gebruikt werden voor het realiseren van een internationaal gestructureerde illegale sigarettensmokkel “met het oog op het verkrijgen van vermogensvoordelen”.
  9. Met betrekking tot het oogmerk van de organisatie verwijzen zij daarbij op bladzijde 36 van het arrest niet alleen naar de opgezette smokkel van sigaretten middels gemeenrechtelijke valsheid in geschriften, maar eveneens “naar hetgeen hierna verder zal worden uiteengezet in verband met de B.V.B.A. Livstar Trading (zie tenlastelegging sub C.I – witwas)”.
  10. Zodoende oordelen zij dat de organisatie niet alleen gericht was op de sigarettensmokkel of het verkrijgen van vermogensvoordelen uit die smokkel, maar ook op het plegen van het in artikel 505, eerste lid, 2, 3° en 4°, Strafwetboek, bepaalde witwasmisdrijf ten laste van de tweede eiser S. B., strafbaar gesteld met ondermeer een gevangenisstraf van vijftien dagen tot vijf jaar. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede gelijkluidend middel van de beide memories
  11. Het middel voert aan dat de appelrechters, om het aan de eiser sub I of aan de medebeklaagden van de eiser sub II ten laste gelegde feit van betrokkenheid bij een criminele organisatie bewezen te verklaren, vaststellen dat de organisatie van meet af aan het oogmerk had om middels gemeenrechtelijke valsheid in geschriften en/of gebruik van valse stukken de opsporingen en identificatie te bemoeilijken, waarbij de kwestieuze valse of vervalste facturen één der elementen vormen van het opzetten, uitvoeren, finaliseren en afschermen van de opgezette constructie, en er één geheel mee vormen. Het middel leidt hieruit af “dat uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat de appelrechters van oordeel zijn dat het aan (de eisers) ten laste gelegde feit van betrokkenheid bij een criminele organisatie één geheel vormt met het misdrijf van gemeenrechtelijke valsheid in geschriften en/of gebruik van valse stukken”, waaruit “volgt dat de appelrechters van oordeel zijn dat het aan de eisers ten laste gelegde feit twee verschillende misdrijven oplevert, namelijk de oorspronkelijk ten laste gelegde betrokkenheid bij een criminele organisatie (artikel 324bis en 324ter van het Strafwetboek) enerzijds en valsheid in geschriften anderzijds”. Bijgevolg moesten de appelrechters dit feit onder zijn meest gestrenge kwalificatie als valsheid in geschriften en/of gebruik van valse stukken heromschrijven, waarbij zij dan tevens hun onbevoegdheid wegens niet-correctionalisering van een misdaad hadden moeten vaststellen.
  12. Het artikel 324bis, eerste lid, (oud) Strafwetboek, toepasselijk op het ogenblik van de feiten, omschreef de criminele organisatie als iedere gestructureerde vereniging van meer dan twee personen die duurt in de tijd, met als oogmerk het in onderling overleg plegen van misdaden en wanbedrijven die strafbaar zijn met gevangenisstraf van drie jaar of een zwaardere straf, om direct of indirect vermogensvoordelen te verkrijgen, en waarbij gebruik gemaakt wordt van intimidatie, bedreiging, geweld, listige kunstgrepen of corruptie, of waarbij commerciële of andere structuren worden aangewend om het plegen van de misdrijven te verbergen of te vergemakkelijken. Anderzijds stelde artikel 324ter, §§ 1 tot 4, (oud) Strafwetboek, het misdrijf van deelneming aan dergelijke organisatie volgens het in §§ 1 tot 4 gemaakte onderscheid strafbaar. Een beklaagde was schuldig aan één van de in artikel 324ter, §§ 1 tot 4 bepaalde misdrijven van zodra hij onder één van de daarin bepaalde vormen deel uitmaakt van de criminele organisatie, zonder dat daarom ook de constitutieve bestandelen eigen aan de criminele organisatie in zijne hoofde, als deelnemer aan deze organisatie, moeten verenigd zijn. De thans toepasselijke versies van de artikelen 324bis, eerste lid, en 324ter, § 1, Strafwetboek doen daaraan niet af.
  13. Het middel dat ervan uitgaat dat het gebruik van listige kunstgrepen of de aanwending van commerciële of andere structuren om het plegen van de misdrijven te verbergen of te vergemakkelijken, weze het bij middel van valsheid in geschriften en gebruik ervan, als constitutief bestanddeel van de criminele organisatie zoals bedoeld in artikel 324bis (oud) Strafwetboek, zich vereenzelvigt met een der onderscheiden daden van deelneming aan deze organisatie zoals bedoeld in artikel 324ter, §§ 1 tot 4, (oud) Strafwetboek, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
  14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep. Begroot de kosten in het geheel op 342,75 euro waarvan op elk cassatieberoep 68,55 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Luc Huybrechts, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 5 juni 2007 uitgesproken door raadsheer Luc Huybrechts, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070605.14 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021106.14 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040224.22 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040224.23 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051025.9 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140429.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.