← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070605.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070605.3 Rolnummer: P.06.1327.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-07-11 Raadplegingen: 468 - laatst gezien 2026-07-03 22:35 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De vernietiging door het Arbitragehof van de woorden "vóór 1 mei 2000", die alleen betrekking hebben op het tijdstip van de telastlegging en niet op de datum van het instellen van de herstelvordering, heeft niet tot gevolg dat artikel 149, § 1, Stedenbouwdecreet ook toepasselijk wordt op de herstelvorderingen die werden ingediend vóór de datum van inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 december 2005 tot goedkeuring van het huishoudelijk reglement van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Algemeen (ruimtelijke ordening) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - LEEFMILIEU - Milieuvorderingen Vrije woorden: Herstelvordering - Hoge Raad voor het Herstelbeleid - Vordering ingeleid vóór de inwerkingtreding van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid - Beoordeling door de rechter na de inwerkingtreding van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid - Arrest nr 14/2005 van 19 januari 2005 van het Arbitragehof - Vernietiging van de bewoordingen "voor 1 mei 2000" in artikel 149, § 1 Stedenbouwdecreet Fiche 2 Het weglaten van de bewoordingen "vóór 1 mei 2000" in artikel 198bis, tweede lid, ingevolge de vernietiging van de gelijkluidende bewoordingen in artikel 149, § 1, Stedenbouwdecreet door het arrest nr 14/2005 van het Arbitragehof, heeft enkel betrekking op de datum van de inbreuken en verandert verder niets aan de overgangsregeling van artikel 198bis, tweede lid, dat de rechter toelaat vrij te oordelen omtrent het alsnog voor eensluidend advies voorleggen van de ingediende vordering aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, telkens wanneer het bestuur de ingediende herstelvordering niet kon voorleggen aan deze Raad omdat deze toen nog niet functioneerde; die weglating heeft wel tot gevolg dat deze vrije appreciatie voortaan geldt voor alle inbreuken, ook deze gepleegd vanaf 1 mei 2000

(1).
(1)Zie Cass., 5 sept. 2006, AR P.06.0543.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070605.1, nr ...; 5 juni 2007, AR P.06.1012.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070605.2, nr ... Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Algemeen (ruimtelijke ordening) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - LEEFMILIEU - Milieuvorderingen Vrije woorden: Herstelvordering - Hoge Raad voor het Herstelbeleid - Vordering ingeleid vóór de inwerkingtreding van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid - Beoordeling door de rechter na de inwerkingtreding van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid - Arrest nr 14/2005 van 19 januari 2005 van het Arbitragehof - Vernietiging van de bewoordingen "voor 1 mei 2000" in artikel 149, § 1 Stedenbouwdecreet - Overgangsregeling van artikel 198bis, Stedenbouwdecreet - Weglating van de bewoordingen "voor 1 mei 2000" in artikel 198bis, tweede lid, Stedenbouwdecreet Tekst van de beslissing Nr. P.06.1327.N
  1. J. A. V., beklaagde, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie,
  2. IMMO TER WARENT nv, beklaagde, eisers, tegen GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, eiser tot herstel, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer, van 8 september
  3. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiseres voert geen middel aan. Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
  4. De eiser 1 voert aan dat na het vernietigingsarrest nr. 14/2005 van 19 januari 2005 van het Grondwettelijk Hof en de inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 december 2005 waarbij het huishoudelijk reglement van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid is goedgekeurd, krachtens de artikelen 149, § 1, en 198bis Stedenbouwdecreet 1999 voor elke herstelvordering het voorafgaand eensluidend advies van deze instelling is vereist, zodat de appelrechters die het herstel in de oorspronkelijke toestand bevelen zonder voorafgaand dit advies in te winnen, voormelde wetsbepalingen schenden.
  5. Sedert het arrest nr. 14/2005 van 19 januari 2005 van het Arbitragehof bepaalt artikel 149, § 1, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999 dat de verschillende herstelmaatregelen door de rechtbank worden bevolen op vordering van de stedenbouwkundig inspecteur of van het college van burgemeester en schepenen, en ¿indien deze inbreuken dateren van [] is voorafgaand eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid vereist¿.
  6. Luidens artikel 198bis, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999 treden de bepalingen met betrekking tot het eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, zoals bedoeld in artikel 149, § 1, en artikel 153, pas in werking nadat de Hoge Raad voor het Herstelbeleid is opgericht en het huishoudelijke reglement is goedgekeurd. Artikel 198bis, tweede lid, Stedenbouwdecreet 1999 bepaalt dat de rechter de ingediende vorderingen voor inbreuken, die dateren van vóór 1 mei 2000 maar die nog niet voor eensluidend advies werden voorgelegd aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, alsnog ¿kan¿ voorleggen voor eensluidend advies aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid.
  7. Artikel 198bis Stedenbouwdecreet 1999 geldt als overgangsbepaling voor de herstelvordering die door het bevoegde bestuur wordt ingediend nog vooraleer de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, bij gebrek aan oprichting en goedkeuring van zijn huishoudelijk reglement, advies kan verlenen. Het beoogt bijgevolg een andere rechtstoestand dan artikel 149, § 1, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999, dat zowel in zijn versie vóór als in zijn versie na het vernietigingsarrest nr. 14/2005 van het Grondwettelijk Hof, de herstelvordering beoogt die na de oprichting van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid en de goedkeuring van haar huishoudelijk reglement door het bestuur wordt ingediend. Niet het tijdstip van de beoordeling van de herstelvordering door de rechtbank vóór of na de inwerkingtreding van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, maar de datum van indiening van deze herstelvordering door het bestuur vóór of na deze inwerkingtreding vormt het criterium van onderscheid voor de toepassing van hetzij artikel 149, § 1, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999, hetzij de overgangsbepaling van artikel 198bis Stedenbouwdecreet
  8. De vernietiging door het Grondwettelijk Hof van de woorden ¿vóór 1 mei 2000¿, die alleen betrekking hebben op het tijdstip van de telastleggingen en niet op de datum van het instellen van de herstelvordering, heeft niet tot gevolg dat artikel 149, § 1, Stedenbouwdecreet 1999 ook toepasselijk wordt op de herstelvorderingen die werden ingediend vóór de datum van inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 december 2005 tot goedkeuring van het huishoudelijk reglement van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid. Het onderdeel faalt naar recht. Tweede onderdeel
  9. Het onderdeel voert aan dat artikel 198bis Stedenbouwdecreet 1999, gelezen in de context van artikel 149, § 1, Stedenbouwdecreet 1999, na het vernietigingsarrest nr. 14/2005 van het Grondwettelijk Hof, de rechter, die vaststelt dat aan de ingestelde herstelvordering geen eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid is gehecht, van het inwinnen van dit advies niet vrijstelt maar hem verplicht dit ontbrekend advies vooralsnog in te winnen. Het Grondwettelijk Hof heeft immers met betrekking tot de datum van 1 mei 2000 aangegeven dat, indien de decreetgever het nodig acht om, met het oog op de coherentie van het herstelbeleid, de herstelvordering te laten voorafgaan door een eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, niet in te zien is waarom dit voor bepaalde inbreuken zou gelden en niet voor andere. Meer bepaald - aldus het onderdeel - blijkt niet in welk opzicht voor de inbreuken waarvan de herstelvordering aanhangig werd gemaakt bij de strafrechter vóór de inwerkingtreding van de bepalingen met betrekking tot de Hoge Raad voor het Herstelbeleid maar waaromtrent de rechter nog geen uitspraak heeft gedaan bij de inwerkingtreding van deze bepalingen, een mindere behoefte aan een coherent herstelbeleid zou bestaan dan voor de inbreuken waaromtrent de herstelvordering pas wordt ingeleid na de inwerkingtreding van de bepalingen met betrekking tot de Hoge Raad voor het Herstelbeleid.
  10. Zolang de Hoge Raad voor het Herstelbeleid niet is opgericht en zijn huishoudelijk reglement niet is goedgekeurd, rijst de vraag op welke wijze het bevoegde bestuur het advies van deze raad zou kunnen inwinnen vooraleer de herstelvordering in te stellen. Precies om die reden bepaalt artikel 198bis, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999, dat de bepalingen van artikel 149, § 1, Stedenbouwdecreet 1999 met betrekking tot het eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid tot zolang niet toepasselijk zijn.
  11. Artikel 198bis, tweede lid, Stedenbouwdecreet 1999 bepaalt dat de rechter de ingediende vorderingen voor inbreuken, die dateren van vóór 1 mei 2000 maar die nog niet voor eensluidend advies werden voorgelegd aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, alsnog ¿kan¿ voorleggen voor eensluidend advies aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid.
  12. De vernietiging van de bewoordingen ¿vóór 1 mei 2000¿ in artikel 149, § 1, Stedenbouwdecreet door het arrest nr. 14/2005 van het Grondwettelijk Hof heeft enkel betrekking op de datum van de inbreuken. Het weglaten van de gelijkluidende bewoordingen ¿voor 1 mei 2000¿ in artikel 198bis, tweede lid, betreft aldus eveneens enkel de datum van de inbreuken. Het verandert verder niets aan de overgangsregeling van artikel 198bis, tweede lid, Stedenbouwdecreet 1999 dat de rechter toelaat vrij te oordelen telkens wanneer het bestuur de ingediende herstelvordering niet kon voorleggen aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid omdat deze toen nog niet functioneerde. Die weglating heeft wel tot gevolg dat deze vrije appreciatie voortaan geldt voor alle inbreuken, ook deze gepleegd vanaf 1 mei
  13. Uit die bepalingen volgt dus niet dat de rechter de ingediende vorderingen die nog niet voor eensluidend advies werden voorgelegd aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, alsnog voor eensluidend advies ¿moet¿ voorleggen aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid. Het onderdeel faalt naar recht. Prejudiciële vraag
  14. Met toepassing van artikel 26, § 2, van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof verzoekt de eiser de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: ¿Schendt artikel 198bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals ingevoegd bij artikel 11 van het decreet van 4 juni 2003 en samen gelezen met artikel 149, § 1 van datzelfde decreet, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat eruit volgt dat voor herstelvorderingen die werden ingeleid vóór de inwerkingtreding van de bepalingen met betrekking tot het eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid waarover de rechter pas na de inwerkingtreding van de bepalingen met betrekking tot het eensluidend advies uitspraak doet, de verplichting van het voorafgaand eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid niet van toepassing is, terwijl deze beslissing wel geldt voor herstelvorderingen die werden ingeleid na de inwerkingtreding van de bepalingen met betrekking tot het eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid en deze verplichting krachtens artikel 149, § 1 van datzelfde decreet een algemene draagwijdte heeft?¿ Bij arrest nr. 71/2007 van 26 april 2007 zegt het Arbitragehof voor recht: ¿Artikel 198bis van het decreet van het Vlaamse Gewest van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals ingevoegd bij artikel 11 van het decreet van 4 juni 2003, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet¿. Het middel faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten. Begroot de kosten op 72,80 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 5 juni 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070605.3 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070605.1 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070605.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.