id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070605.5 Rolnummer: P.07.0254.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-17 Raadplegingen: 510 - laatst gezien 2026-07-03 15:55 Versie(s): Vertaling FR Fiche Artikel 149, § 1, Stedenbouwdecreet schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6.1 E.V.R.M. en artikel 144 van de Grondwet, doordat het de rechter niet toestaat de opportuniteit van de herstelvordering van de stedenbouwkundige inspecteur en het college van burgemeester en schepenen te beoordelen
(1).
(1)Arbitragehof nr 152/2002, 15 okt. 2002, B.S. 13 nov. 2002, 51.
- Een dergelijke beoordeling van de opportuniteit van de herstelvordering is, krachtens artikel 150 Stedenbouwdecreet, wel mogelijk indien de herstelvordering van de burgerlijke partij enerzijds en die van stedenbouwkundige inspecteur of het college van burgemeester en schepenen anderzijds niet overeenstemmen: in dat geval bepaalt de rechtbank de gevorderde herstelmaatregel die ze passend acht. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Algemeen Vrije woorden: Herstelvordering - Herstelvordering van de stedenbouwkundige inspecteur en het college van burgemeester en schepenen - Bevoegdheid van de rechter - Geen beoordeling van de opportuniteit van dergelijke herstelvordering - Bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet Tekst van de beslissing Nr. P.07.0254.N P. P. J., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jan Stijns, advocaat bij de balie te Leuven. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Brussel, correctionele kamer, van 24 januari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste en tweede middel
- De appelrechters beantwoorden eisers verweer met de vaststelling, eensdeels, dat de kwestieuze werken gelegen zijn in ruimtelijk kwetsbaar gebied zodat de instandhouding ervan ook na het decreet van 4 juni 2003 en het vernietigingsarrest van het Grondwettelijk Hof nr. 14/2005 van 19 januari 2005 nog steeds strafbaar is, anderdeels dat de herstelmaatregel tijdig werd ingesteld en desbetreffend niet dienstig wordt verwezen naar de verjaringsregels van het Burgerlijk Wetboek. De middelen missen feitelijke grondslag. Derde middel
- Voor de herstelvorderingen die werden ingeleid vóór de inwerkingtreding van de bepalingen met betrekking tot het eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid maar waarover de rechter pas na de inwerkingtreding van deze bepalingen uitspraak doet, is niet artikel 149, § 1, Stedenbouwdecreet 1999 maar wel de overgangsbepaling van artikel 198bis Stedenbouwdecreet 1999 toepasselijk.
- Zoals blijkt uit het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 71/2007 van 26 april 2007, schendt artikel 198bis Stedenbouwdecreet niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het middel faalt naar recht. Vierde middel
- Het middel voert aan dat de appelrechters hun weigering om de opportuniteit van de herstelvordering van de stedenbouwkundig inspecteur te beoordelen ten onrechte laten steunen op artikel 149 Stedenbouwdecreet 1999, daar dit artikel in vergelijking tot artikel 150 Stedenbouwdecreet 1999 dat in het geval van een burgerlijke partij een opportuniteitsoordeel wel toestaat, strijdig is met de artikelen 10 en 11 Grondwet.
- Zoals blijkt uit het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 152/2002 van 15 oktober 2002, schendt artikel 149, § 1, Stedenbouwdecreet 1999 niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet gelezen in samenhang met artikel 6.1 EVRM en artikel 144 Grondwet, doordat het de rechter niet toestaat de opportuniteit van de herstelvordering van de stedenbouwkundige inspecteur en het college van burgemeester en schepenen te beoordelen. Het middel faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 63,39 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 5 juni 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070605.5 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111130.5 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20111130.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div