id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070611.1 Rolnummer: C.06.0255.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-07-17 Raadplegingen: 710 - laatst gezien 2026-07-04 03:32 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het in artikel 46, § 2, tweede lid van de Arbeidsongevallenwet omschreven cumulatieverbod houdt in dat het slachtoffer van de voor het ongeval aansprakelijke derde slechts vergoeding van de lichamelijke schade kan eisen wanneer de volgens het gemeen recht berekende vergoeding meer bedraagt dan de schadeloosstelling die op grond van de Arbeidsongevallenwet aan het slachtoffer wordt toegekend en enkel voor het verschil
(1).
(1)Zie Cass., 24 okt. 2001, AR P.01.0704.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011024.12, nr 568. Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - VERGOEDING - Cumulatie en verbod UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Uitkering Vrije woorden: Lichamelijke schade - Vergoeding naar gemeen recht Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - Art. 46, § 2, tweede lid Fiche 2 Wanneer, volgens de criteria van de Arbeidsongevallenwet, geen vergoeding wordt toegekend voor de schade waarvoor het slachtoffer naar gemeen recht vergoeding vordert, heeft het slachtoffer, dat zelf geen schuld treft, jegens de aansprakelijke recht op integrale vergoeding van deze schade mits deze schade in gemeen recht bewezen is
(1).
(1)Zie Cass., 27 feb. 2002, AR P.01.1492.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020227.3, nr
- Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Materiële schade. Elementen en grootte UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Uitkering Vrije woorden: Vergoeding - Cumulatie en verbod - Vergoeding naar gemeen recht Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - Art. 46, § 2, tweede lid oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1382 Tekst van de beslissing Nr. C.06.0255.N D. J., eiser, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen KBC VERZEKERINGEN, naamloze vennootschap, met zetel te 3000 Leuven, Waaistraat 6, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 5 januari 2006 gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Veurne, zetelend in graad van beroep. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 7 mei 2007 verwezen naar de derde kamer. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. FEITEN De feiten kunnen blijkens het verzoekschrift als volgt worden samengevat: - De eiser werd op 14 juni 2004 het slachtoffer van een verkeersongeval, dat tevens een arbeidsongeval uitmaakte. - De eiser dagvaardde de verweerster, die de burgerlijke aansprakelijkheid dekt van het aanrijdend voertuig, tot betaling van schadevergoeding. - De Politierechter kende aan de eiser een totaal bedrag toe van 8.035,17 euro in hoofdsom, meer de interesten en kosten. - De verweerster stelde hoger beroep in, dat uitdrukkelijk beperkt was tot de post ¿meerinspanningen B.W.O.¿. - In het kader van het arbeidsongeval werd geen blijvende arbeidsongeschiktheid weerhouden, terwijl naar gemeen recht een blijvende arbeidsongeschiktheid van 5 pct. werd vastgesteld met ook een meerinspanning op professioneel vlak. III. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 46 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971; - artikel 14 van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. Bestreden beslissingen Het bestreden vonnis: ¿Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw recht doende, veroordeelt (de verweerster) om te betalen aan (de eiser), als schadevergoeding, 5.535,17 euro, meer de vergoedende interesten aan 7 pct. op 62 euro vanaf 14 juni 2002, meer de vergoedende interesten aan 5 pct. op 1.723,17 euro vanaf 10 september 2002 en op 3.750,00 euro vanaf 14 juni 2003, telkens tot 21 september 2004, en met de gerechtelijke interesten vanaf 21 september
- (¿) Veroordeelt (de eiser) tot het betalen van de kosten van de procedure in graad van beroep aan de zijde van (de verweerster) bepaald op: - rolrecht: 82,00 euro, - rechts-plegingsvergoeding 356,98 euro¿; op grond van de motieven op p. 2: ¿Het arbeidsongevallenrecht viseert specifiek de materiële professionele schade. Krachtens artikel 46, §2, tweede lid, van de Arbeidsongevallenwet, kan in gemeen recht geen vergoeding gevraagd worden voor de lichamelijke schade, zoals zij door het arbeidsongevallenrecht gedekt is. De vergoeding wegens meerinspanningen heeft een materieel en geen moreel karakter, zodat zij niet kan gecumuleerd worden met een arbeidsongevallenuitkering, tenzij voor het gedeelte dat deze overschrijdt (...). In casu werd door de arbeidsongevallenverzekeraar aan (de eiser) geen vergoeding wegens meerinspanningen toegekend. Derhalve kan (de verweerster) evenmin gehouden zijn tot enige vergoeding wegens meerinspanningen (¿)¿. Grieven In gemeen recht heeft de schadelijder op grond van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek recht op integrale vergoeding van de geleden schade. Niet meer, maar ook niet minder. Wanneer hetzelfde ongeval een arbeidsongeval uitmaakt doet geen enkele bepaling aan die regel afbreuk, behalve deze dat dezelfde schade geen twee maal kan vergoed worden. Artikel 46, §2, tweede lid, van de aangehaalde wet van 10 april 1971 bevestigt de regel dat buiten deze beperking de integrale vergoeding van kracht blijft, waar het bepaalt: ¿De volgens het gemeen recht toegekende vergoeding, die geen betrekking kan hebben op de vergoeding van de lichamelijke schade zoals zij gedekt is door deze wet, mag samengevoegd worden met de krachtens deze wet toegekende vergoedingen¿, terwijl artikel 14 van de aangehaalde wet van 3 juli 1967 in de openbare sector hetzelfde regelt. Dit betekent dat de getroffene van de aansprakelijke derde steeds vergoeding voor zijn lichamelijke schade kan eisen volgens het gemeen recht, wanneer de volgens het gemeen recht berekende vergoeding meer bedraagt dan de wettelijke schadeloosstelling die aan de getroffene wordt toegekend op grond van de Arbeidsongevallenwet en dit enkel voor het verschil. Daaruit volgt dat wanneer op grond van de criteria van de Arbeidsongevallenwet geen schadeloosstelling wordt toegekend, de rechter enkel moet nagaan of in gemeen recht de gevorderde vergoeding voor lichamelijke schade al dan niet bewezen en gegrond is. Hieruit volgt dat het bestreden vonnis zijn beslissing, dat nu door de arbeidsongevallenverzekeraar aan de eiser geen vergoeding wegens meerinspanningen werd toegekend, derhalve de verweerster evenmin gehouden kan zijn tot enige vergoeding wegens meerinspanningen, niet wettig verantwoordt omdat de vergoedingsplicht in gemeen recht van verweerster, die volledig behoort te zijn (schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek) niet opgeheven wordt door het ontbreken van enige toekenning van vergoeding door de arbeidsongevallenverzekeraar (schending van artikel 46, §2, van de aangehaalde wet van 10 april 1971; artikel 14, §2, van de aangehaalde wet van 3 juli 1967). IV. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Overeenkomstig artikel 46, §2, tweede lid, van de Arbeidsongevallenwet, mag de volgens het gemeen recht toegekende vergoeding, die geen betrekking kan hebben op de vergoeding van de lichamelijke schade zoals zij gedekt is door deze wet, samengevoegd worden met de krachtens deze wet toegekende vergoedingen.
- Het in deze bepaling omschreven cumulatieverbod houdt in dat het slachtoffer van de voor het ongeval aansprakelijke derde slechts vergoeding van de lichamelijke schade kan eisen wanneer de volgens het gemeen recht berekende vergoeding meer bedraagt dan de schadeloosstelling die op grond van de Arbeidsongevallenwet aan het slachtoffer wordt toegekend en enkel voor het verschil. Het cumulatieverbod geldt slechts in zoverre de schade waarvoor vergoeding gevorderd wordt, gedekt is door deze wet. Wanneer, volgens de criteria van de Arbeidsongevallenwet, geen vergoeding wordt toegekend voor de schade waarvoor het slachtoffer naar gemeen recht vergoeding vordert, heeft het slachtoffer, dat zelf geen schuld treft, jegens de aansprakelijke recht op integrale vergoeding van deze schade mits deze schade in gemeen recht bewezen is.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat in het kader van het arbeidsongeval geen blijvende arbeidsongeschiktheid werd aangenomen, zodat door de arbeidsongevallenverzekeraar aan de eiser geen vergoeding werd toegekend voor blijvende arbeidsongeschiktheid, terwijl naar gemeen recht een blijvende arbeidsongeschiktheid van 5 pct. werd vastgesteld, met ook een meerinspanning op professioneel vlak.
- Door te oordelen dat, nu door de arbeidsongevallenverzekeraar aan de eiser geen vergoeding wegens meerinspanningen werd toegekend, de verweerster evenmin gehouden kan zijn tot enige vergoeding wegens meerinspanningen, schenden de appelrechters artikel 46, §2, tweede lid, van de Arbeidsongevallenwet. Het middel is in zoverre gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre dit uitspraak doet over de gevorderde vergoeding wegens meerinspanningen en uitspraak doet over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, zetelend in graad van beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Stassijns, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van elf juni tweeduizend en zeven uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070611.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210930.1N.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011024.12 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020227.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100125.2 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100622.5 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101004.2 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100622.5 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210525.2N.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211001.1F.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div