id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070611.2 Rolnummer: S.06.0101.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2007-07-16 Raadplegingen: 287 - laatst gezien 2026-07-03 20:19 Versie(s): Vertaling FR Fiche De artikelen 65, § 2, negende lid, en 86, § 1, van de Arbeidsovereenkomstenwet beogen niet op dwingende wijze de gevallen te beperken waarin een concurrentiebeding geen uitwerking heeft, maar wel uitdrukkelijk te stellen dat in de drie vermelde gevallen het concurrentiebeding alleszins geen uitwerking kan hebben; zij verhinderen de partijen niet zelf in gezamenlijk akkoord te bepalen wanneer het concurrentiebeding uitwerking zal hebben, op voorwaarde dat zij niets bedingen dat in strijd is met de voormelde wetsbepalingen. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Allerlei UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) Vrije woorden: Concurrentiebeding - Uitwerking - Grenzen - Akkoord van partijen Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - Artt. 65, § 2, negende lid, en 86, § 1 Tekst van de beslissing Nr. S.06.0101.N ECONOCOM MANAGED SERVICES, naamloze vennootschap, met zetel te 1050 Elsene, Parnassusgaarde 3a, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen A. C., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 13 juni 2006 gewezen door het Arbeidshof te Brussel. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. 1. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 7 van het decreet van 2 (
- en)7 maart 1791 tot afschaffing van het gildenwezen; - de artikelen 6, 65, inzonderheid §2, negende lid, en 86, van de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten; - artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest: ¿(...)Hervormt het bestreden vonnis zoals volgt, opnieuw wijzend: veroordeelt (de eiseres) tot betaling aan (de verweerder) van het bedrag van 66.399,76 euro (¿) t.t.v. compensatoire vergoeding meer de gekapitaliseerde interest vanaf de opeisbaarheid en de gerechtelijke interesten vanaf de dagvaarding. Zegt voor recht dat deze vergoeding niet onderworpen is aan inhoudingen van sociale zekerheidsbijdragen en de bedrijfsvoorheffing, welk desbetreffend onderdeel van de beschikking van het vonnis zodoende vernietigd wordt. Bevestigt dit vonnis voor het overige. Veroordeelt (de eiseres) tot de kosten van het hoger beroep. (¿)¿. op grond van de motieven op p. 6 - 9: ¿Wat de uitwerking van het concurrentiebeding betreft: Het in artikel 7 van de arbeidsovereenkomst van 6 augustus 1999 opgenomen niet-concurrentiebeding voorziet in volgende bepaling: ¿De bediende verbindt er zich toe wanneer hijzelf een einde stelt aan de overeenkomst, of deze door de werkgever wegens dringende reden wordt verbroken, gedurende twaalf maanden vanaf de dag dat de dienstbetrekking een einde heeft genomen, geen activiteiten uit te oefenen, bij een andere werkgever of voor eigen rekening, die overeenstemmen met de activiteiten uitgeoefend door de werknemer in dienst van de werkgever. Tenzij de werkgever binnen een termijn van 15 dagen na de beëindiging van de dienstbetrekking afziet van de toepassing van het niet-concurrentiebeding, zal hij een éénmalige en forfaitaire vergoeding betalen aan de bediende die gelijk is aan de helft van de brutowedde van de bediende gedurende de effectieve toepassingsperiode van dit niet-concurrentiebeding. Onderhavig concurrentiebeding is geografisch beperkt tot het Belgisch grondgebied'. De geldigheid van het concurrentiebeding wordt door de partijen niet betwist. (De eiseres) deed na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst geen afstand van het concurrentiebeding, zeker niet binnen de voorziene termijn van 15 dagen. Met brief van 30 juni 2003, aan de raadsman van (de verweerder) gericht, stelt (de eiseres) dat ¿Volgens de bewoording zelf van artikel 7 is er slechts van niet-mededinging sprake wanneer de bediende zelf een einde stelt aan de overeenkomst of deze door de werkgever wegens dringende reden wordt verbroken' en dat ¿Vermits de arbeidsovereenkomst in onderling akkoord op 20 (30!) september 2002 een einde heeft genomen staat aan uw cliënt volledig vrij concurrerend op te treden t.o.v. (de eiseres), wat hij zeer goed weet (los van andere akkoorden die hij met ons namens de BVBA AC CONSULTING zou hebben afgesloten)'. Volgens (de eiseres) voorziet artikel 7 van de arbeidsovereenkomst geen verbintenis tot niet-concurrente in geval van beëindiging van de overeenkomst in onderling akkoord en is deze beperking van het toepassingsgebied van het niet-concurrentiebeding perfect rechtsgeldig. Zo stelt (de eiseres) dat de wet op de arbeidsovereenkomsten niet verbiedt de uitwerking van en niet-concurrentiebeding uit te sluiten in een dergelijke hypothese en dat men derhalve niet voorziet dat een niet-concurrentiebeding uitwerking zal krijgen wanneer artikel 65, 9, van de Arbeidsovereenkomstenwet voorziet dat het geen uitwerking heeft, maar dat niets verbiedt om de hypothese waarin een niet-concurrentiebeding uitwerking zal krijgen te beperken. Artikel 65, §2, negende lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt dat: ¿Het beding dat aan de bepalingen van onderhavig artikel voldoet, heeft geen uitwerking wanneer aan de overeenkomst een einde wordt gemaakt, ofwel tijdens de proefperiode ofwel na deze periode door de werkgever zonder dringende reden of door de werkman om dringende reden'. De regelgeving met betrekking tot het concurrentiebeding is van dwingend recht (¿), waarbij het bovendien de openbare orde raakt in zijn connectie met het in artikel 7 van het ¿Decreet d'Allarde' van 2 en 7 maart 1991 vervatte principe van vrijheid van handel en nijverheid (¿). Volgens voormeld artikel 65, §2, negende lid, heeft het concurrentiebeding, na de proefperiode, dan ook slechts in twee gevallen geen uitwerking, namelijk wanneer aan de arbeidsovereenkomst een einde wordt gemaakt door de werkgever zonder dringende reden of door de werknemer (de artikelen 85 en 86 van de Arbeidsovereenkomstenwet) om dringende reden. Uit deze imperatieve bepaling volgt dat in alle andere gevallen van beëindiging van de overeenkomst het niet-concurrentiebeding wel degelijk uitwerking heeft. Dit zal zodoende onder meer duidelijk het geval zijn wanneer, omgekeerd, de overeenkomst na de proefperiode door de werkgever wegens dringende reden wordt beëindigd of door de werknemer zonder dringende reden, alsook uiteraard wanneer de werknemer zelf een einde stelt aan de overeenkomst zoals uitdrukkelijk voorzien in artikel 7 van de arbeidsovereenkomst of in geval de overeenkomst in onderling akkoord beëindigd wordt, zoals in casu. Volledig conform de dwingende bepalingen van artikel 65 van de Arbeidsovereen-komstenwet bleef het niet-concurrentiebeding dan ook uitdrukkelijke uitwerking hebben zowel op basis van artikel 7 van de arbeidsovereenkomst als door de wijze van beëindiging ervan. (De eiseres) kan bijgevolg bezwaarlijk blijven volhouden dat het niet-concurrentiebeding geen uitwerking zou hebben omdat de overeenkomst, in tegenstelling tot de bepalingen van haar artikel 7 met betrekking tot (de verweerder), in onderling overleg werd beëindigd, wat zou neerkomen op een ongeoorloofde beperking van de rechten van (de verweerder). Het door (de eiseres) geponeerde in artikel 86, §2, van de Arbeidsovereenkomstenwet voorziene afwijkingsbeding is in casu derhalve niet van toepassing. Zoals (de eiseres) evenzo ten onrechte voorhoudt kan, bij gebrek binnen de wettelijke termijn van 15 dagen afstand te hebben gedaan van de toepassing van het concurrentiebeding uit het feit dat zij niet overging tot betaling van de compensatoire vergoeding, niet afgeleid worden (dat) zij impliciet afstand deed van de werkelijke toepassing van het concurrentiebeding (¿). Zodoende dient te worden besloten dat het concurrentiebeding wel degelijk uitwerking heeft gekregen en (de verweerder) op een compensatoire vergoeding gerechtigd is. Dit blijkt, in tegenstelling tot het door (de eiseres) beweerde, des te meer uit de inhoud van de voormelde exclusieve handelsagentuurovereenkomst, meer bepaald uit de artikelen 1 en 4 A.5: 1. De lastgever vertrouwt aan de agent, die de vertegenwoordiging aanvaardt onder hierna vermelde voorwaarden de zelfstandige vertegenwoordiging toe aan de informaticadiensten die de lastgever verkoopt. 5. Hij zal er zich voor de hele duur van de overeenkomst van weerhouden enige daad van mededinging te stellen ten opzichte van de lastgever en van de andere vennootschappen van de groep Econocom. Onder de groep Econocom verstaat men de NV Econocom Group, alsook de bedrijven die deze controleert in de zin van de wet op de boekhouding van de ondernemingen. Hij zal, noch in de bewuste sector, noch buiten de sector, de vertegenwoordiging kunnen waarnemen voor een firma, een onderneming kunnen oprichten of deelnemen in een onderneming die de identieke of gelijkaardige producten of diensten verleent of verdeelt. Een uitzondering op dit verbod met betrekking tot activiteiten in de informaticasector is slechts mogelijk met de voorafgaande en schriftelijke toestemming van de lastgever. Mocht de agent (als vertegenwoordiger of als makelaar, en dit herhaaldelijk of van tijd tot tijd) producten of diensten willen verkopen die verschillen van en niet concurrentieel zijn met deze van de lastgever, dan zal hij deze laatste hiervan vooraf op de hoogte brengen¿. Grieven Na het beëindigen van de arbeidsovereenkomst geniet de vertrekkende werknemer opnieuw van zijn vrijheid van arbeid en ondernemen, zoals tot uitdrukking gebracht in artikel 7 van het ¿Decreet d'Allarde¿ van 2 en 7 maart 1791 tot afschaffing van het gildenwezen. Van dit principe van vrijheid van arbeid en ondernemen kan door partijen conventioneel afgeweken worden in een concurrentiebeding, mits naleving van de voorwaarden bepaald in de artikelen 65 en 86 van de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten, dewelke onder meer inhouden dat de werknemer slechts tegen vergoeding de beknotting van zijn vrijheid moet aanvaarden. Niets belet evenwel de partijen te bepalen dat het concurrentiebeding slechts in geval van bepaalde wijzen van beëindiging van de overeenkomst uitwerking heeft, nu de wet niet gebiedend oplegt dat het concurrentiebeding steeds van toepassing moet zijn, maar integendeel dit in de regel overlaat aan de contractuele vrijheid van partijen. De wet van deze contractsvrijheid enkel in de gevallen opgesomd in voormeld artikel 65, §2, negende lid, afwijkt door dwingend op te leggen dat het concurrentiebeding dat aan de bepalingen van dat artikel voldoet, geen uitwerking heeft wanneer aan de overeenkomst een einde wordt gemaakt, ofwel tijdens de proefperiode, ofwel na deze periode door de werkgever zonder dringende reden of door de werkman om dringende reden. Het bestreden arrest stelt vast op pagina 5 en 8 dat de arbeidsovereenkomst op 30 september 2002 door beide partijen beëindigd werd in onderling akkoord en op pagina 6 dat artikel 7 van de arbeidsovereenkomst voorziet: ¿De bediende verbindt er zich toe wanneer hij zelf een einde stelt aan de overeenkomst, of deze door de werkgever wegens dringende reden wordt verbroken, (¿)¿. Hieruit volgt dat het bestreden arrest onwettig beslist dat uit de imperatieve bepaling van artikel 65, §2, negende lid, van de arbeidsovereenkomstenwet volgt dat in alle andere gevallen van beëindiging van de overeenkomst het niet-concurrentiebeding wel degelijk uitwerking heeft en zodoende ook in geval van beëindiging in onderling akkoord zoals in casu, terwijl buiten de gevallen limitatief opgelegd in voormeld artikel partijen vrij zijn (schending van artikel 7 van het decreet van 2 (
- en)7 maart 1791 tot afschaffing van het gildenwezen en artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek) te bepalen dat het concurrentiebeding niet geldt in geval van beëindiging van hun arbeidsrelatie in onderling akkoord (schending van de artikelen 6, 65, inzonderheid §2, negende lid, en 86, van de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten). 2. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers; - artikel 14, §2, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders; - artikel 23, tweede lid, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers. - de artikelen 31, 90, 270, 272, 273 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 10 april 1992, bekrachtigd bij wet van 12 juni 1992 , hierna afgekort WIB
(1992); - de artikelen 65 en 86 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeids-overeenkomsten. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest: ¿(¿) Hervormt het bestreden vonnis zoals volgt, opnieuw wijzend: veroordeelt (de eiseres) tot betaling aan (de verweerder) van het bedrag van 66.399,76 euro (¿) t.t.v. compensatoire vergoeding meer de gekapitaliseerde interest vanaf de opeisbaarheid en de gerechtelijke interesten vanaf de dagvaarding. Zegt voor recht dat deze vergoeding niet onderworpen is aan inhoudingen van sociale zekerheidsbijdragen en de bedrijfsvoorheffing, welk desbetreffend onderdeel van de beschikking van het vonnis zodoende vernietigd wordt. Bevestigt dit vonnis voor het overige. Veroordeelt (de eiseres) tot de kosten van het hoger beroep. (¿)¿. op grond van de motieven op p. 11 - 12: ¿Betreffende de inhouding van sociale zekerheidsbijdragen en bedrijfsvoorheffing op de compensatoire vergoeding: (De eiseres) gedraagt zich hieromtrent naar de wijsheid van het arbeidshof. Gezien de compensatievergoeding betaald wordt wegens een afstand van een persoonlijk recht op vrije arbeidsbeoefening, kan deze vergoeding niet als loon beschouwd worden. (¿) De compensatoire vergoeding is geen loon in de zin van de Loonbeschermingswet aangezien deze in wezen een vergoeding is ¿voor het afzien van persoonlijk recht, namelijk vergoeding om in de toekomst af te zien van de aanwending van kennis, ervaring en bekendheid, dit kan bezwaarlijk aanzien worden als een ¿voordeel' voor de betrokken werknemer waarop hij recht zou hebben ten gevolge van de (beëindigde) dienstbetrekking (¿). Er moet bijgevolg geen inhouding van sociale zekerheidsbijdragen gebeuren op deze compensatievergoeding, zoals hierop eveneens geen bedrijfsvoorheffing verschuldigd is, gezien deze fiscaal behoort tot de categorie diverse inkomsten (¿). De betwisting omtrent de verschuldigde interest op de netto of bruto bedragen is zodoende zonder voorwerp¿. Grieven Eerste onderdeel Overeenkomstig artikel 14, §§ 1 en 2, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en 23, §2, van de algemene beginselenwet sociale zekerheid worden de bijdragen voor de sociale zekerheid berekend op basis van het loon van de werknemer, zoals omschreven in artikel 2 van de Loonbeschermingswet van 12 april
- Luidens artikel 2 van de wet van 12 april 1965 wordt onder loon verstaan, het loon in geld en de in geld waardeerbare voordelen waarop de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft ten laste van de werkgever. Een aan de werknemer toegekend voordeel maakt deel uit van het loon, omschreven in artikel 2 van de wet van 12 april 1965, wanneer de werknemer, onder de overeengekomen voorwaarden, aanspraak kan maken lastens zijn werkgever op de toekenning van dat voordeel en hij zijn recht stoelt op de dienstbetrekking. Ook de in geld waardeerbare voordelen die verband houden met de beëindiging van de dienstbetrekking zijn loon in de zin van artikel 2 van de wet van 12 april
- Wanneer partijen hun arbeidsovereenkomst in onderling overleg beëindigen en aan de werknemer krachtens een in die arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentiebeding een compensatoire vergoeding moet worden toegekend om in de toekomst af te zien van de aanwending van zijn kennis, ervaring en bekendheid die hij in de loop van zijn tewerkstelling heeft verworven, dan wordt deze vergoeding toegekend naar aanleiding van en om reden van de beëindiging van de dienstbetrekking en is deze vergoeding loon in de zin van artikel 2 van de wet van 12 april
- Deze vergoeding die de werknemer ontvangt als tegenprestatie voor zijn verbintenis om zijn gewezen werkgever geen concurrentie aan te doen, vindt zijn oorzaak immers ontegensprekelijk in de arbeidsovereenkomst zelf die voorheen tussen beiden heeft bestaan. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig heeft kunnen oordelen dat op de compensatievergoeding, die voor de niet-concurrentie werd overeengekomen in artikel 7 van de arbeidsovereenkomst, geen inhouding van sociale zekerheidsbijdragen moet gebeuren, nu de verweerder op deze vergoeding recht heeft ingevolge zijn dienstbetrekking ten laste van eiser (schending van de artikelen 2, inzonderheid eerste lid, 3°, van de wet van 12 april 1965, 14, §§ 1 en 2, van de wet van 27 juni 1969 en 23, tweede lid, van de wet van 29 juni 1981 en voor zoveel als nodig de artikelen 65 en 86 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten). Tweede onderdeel Alle beloningen, die voor de werknemers de opbrengst zijn van arbeid in dienst van een werkgever, zijn bezoldigingen volgens artikel 31, eerste lid, van het WIB
(1992). Volgens het tweede lid, 3°, van dit artikel behoren daartoe inzonderheid vergoedingen verkregen uit hoofde of naar aanleiding van het stopzetten van de arbeid of het beëindigen van een arbeidsovereenkomst. Op die vergoedingen is krachtens de artikelen 270, 272 en 273, enig lid, 1°, van voormeld wetboek, bedrijfsvoorheffing verschuldigd door de werkgever die deze mag inhouden. De enige en forfaitaire vergoeding, die de werkgever aan de werknemer, die het bedrijf verlaat ingevolge een niet-concurrentiebeding moet betalen overeenkomstig artikel 65, alinea 2, vijfde lid, 4°, van de Arbeidsovereenkomstenwet, - op de bedienden van toepassing krachtens artikel 86, alinea 1, eerste lid, van die wet -, is een vergoeding in de zin van voormeld artikel 31, tweede lid, 3° WIB
(1992). Hieruit volgt dat het bestreden arrest onwettig beslist dat op de compensatoire vergoeding, waartoe het de eiseres veroordeelt in uitvoering van het niet-concurrentiebeding dat is opgenomen in de artikel 7 van de arbeidsovereenkomst, geen bedrijfsvoorheffing verschuldigd is gezien deze vergoeding behoort tot de categorie van de diverse inkomsten (schending van artikel 90 WIB
(1992)), terwijl dit een bezoldiging in hoofde van de verweerder uitmaakt (schending van de artikelen 31, eerste lid, 270, 272, 273, enig lid, 1°, WIB
(1992)en voor zoveel als nodig de artikelen 65 en 86 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Krachtens de artikelen 65, §2, negende lid, en 86, §1, van de Arbeids-overeenkomstenwet, heeft het concurrentiebeding dat aan de bepalingen van artikel 65 voldoet, geen uitwerking wanneer aan de overeenkomst een einde wordt gemaakt, ofwel tijdens de proefperiode, ofwel na deze periode door de werkgever zonder dringende reden of door de werknemer om dringende reden.
- De bedoeling van deze wetsbepalingen is niet op dwingende wijze de gevallen te beperken waarin een concurrentiebeding geen uitwerking heeft, maar wel uitdrukkelijk te stellen dat in de drie vermelde gevallen het concurrentiebeding alleszins geen uitwerking kan hebben. Zij verhinderen de partijen dienvolgens niet zelf in gezamenlijk akkoord te bepalen wanneer het concurrentiebeding uitwerking zal hebben, op voorwaarde dat zij niets bedingen dat in strijd is met de voormelde wetsbepalingen.
- Blijkens de vermeldingen van het arrest, hebben de partijen een bediendenovereenkomst gesloten met een concurrentiebeding voor het geval de verweerder als bediende zelf een einde zou stellen aan de overeenkomst of de eiseres als werkgever op grond van dringende redenen.
- Het arrest dat oordeelt dat het concurrentiebeding uitwerking heeft en de eiseres veroordeelt tot betaling van een compensatoire vergoeding ten bedrage van 66.399,76 euro met interest, niettegenstaande de bediendenovereenkomst door de partijen in onderling overleg beëindigd werd, schendt de voormelde als geschonden aangewezen wetsbepalingen. Het middel is in zoverre gegrond. Dictum Het Hof Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het Arbeidshof te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Stassijns, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van elf juni tweeduizend en zeven uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070611.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:ARANT:2018:JUG.20181205.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div