← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070611.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070611.3 Rolnummer: S.06.0090.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2007-07-16 Raadplegingen: 525 - laatst gezien 2026-07-03 16:21 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De beslissing die de omvang van de rechten vaststelt na een provisionele beslissing over dezelfde rechten is geen nieuwe beslissing in de zin van de artikelen 17 en 18 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het Handvest van de sociaal verzekerde. Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - VERGOEDING - Arbeidsongeschiktheid en wedertewerkstelling UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Uitkering Vrije woorden: Voorschotten - Nieuwe beslissing Wettelijke bepalingen: Wet - 11-04-1995 - Artt. 17 en 18 Fiche 2 De in artikel 63, § 4, van de Arbeidsongevallenwet bedoelde verplichte betalingen van voorschotten gebeuren in afwachting van de definitieve vaststelling van de wegens het arbeidsongeval te betalen bedragen en dienen daarmee verrekend te worden; door die verrekening wordt niet opnieuw beslist over de betaling van de voorschotten, noch is er sprake over het rechtzetten van een juridische of materiële vergissing. Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - VERGOEDING - Arbeidsongeschiktheid en wedertewerkstelling UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Uitkering Vrije woorden: Voorschotten - Verrekening ter bepaling van het definitief verschuldigd bedrag - Juridische of materiële vergissing Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - Art. 63, § 4 Tekst van de beslissing Nr. S.06.0090.N B.I., eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen MERCATOR VERZEKERINGEN, naamloze vennootschap, met zetel te 2018 Antwerpen, Desguinlei 100, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 22 mei 2006 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 17 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het ¿handvest¿ van de sociaal verzekerde; - voor zoveel als nodig, de artikelen 24, eerste, tweede en derde lid, en 63, §4, van de wet van 10 april 1971 betreffende de arbeidsongevallen, in hun versies zowel vóór als na de wijziging bij wet van 10 augustus 2001, en wat artikel 24, eerste lid betreft ook na de wijziging bij wet van 24 december 2002. Bestreden beslissing De zevende kamer van het Arbeidshof te Antwerpen verklaart in het bestreden arrest van 22 mei 2006 het hoger beroep van de verweerster ontvankelijk en gegrond, hervormt de beslissing van de eerste rechter en zegt voor recht dat de eiser gehouden is de teveel betaalde voorschotten blijvende arbeidsongeschiktheid ten bedrage van 743,41 euro terug te betalen aan de verweerster, te vermeerderen met de gerechtelijke interest vanaf 14 september 2004 tot de dag van de algehele betaling, op grond van volgende motieven: ¿In voorliggend geval dient het hof (van beroep) te oordelen of de vergoedings-voorschotten voor de blijvende arbeidsongeschiktheid (4 pct.), welke werden betaald door de wetsverzekeraar aan het slachtoffer op basis van een regelingsvoorstel (de zogenaamde ¿overeenkomstvergoeding¿) conform artikel 63, §4, van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, terugvorderbaar zijn als blijkt dat achteraf, naar aanleiding van een rechterlijke beslissing (in casu: het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Turnhout van 28 oktober 2003), de blijvende arbeidsongeschiktheid wordt bepaald op 0 pct. (¿) Partijen betwisten niet dat: - de wetsverzekeraar de betalingen deed in toepassing van artikel 63, §4, van de Arbeidsongevallenwet; - het bedrag van de vergoedingsvoorschotten voor de blijvende arbeidsongeschiktheid in casu 743,41 euro bedraagt Artikel 63, §4, van de Arbeidsongevallenwet bepaalt: ¿In geval van betwisting omtrent de aard of de graad van arbeidsongeschiktheid van de getroffene is de verzekeringsonderneming verplicht de dagelijkse of jaarlijkse vergoeding bedoeld in de artikelen 22, 23, 23bis of 24 bij voorschot te betalen op grond van de door hem voorgestelde graad van arbeidsongeschiktheid. (¿)'. (¿) Daarbij mag niet uit het oog worden verloren dat de vergoedingsregeling in het kader van de arbeidsongevallenwetgeving de openbare orde raakt: de rechter is gehouden er op toe te zien dat aan het slachtoffer van een arbeidsongeval de vergoedingen worden toegekend waarop deze recht heeft, niet minder maar ook niet meer. (¿) Zoals hoger reeds vermeld, bindt een regelingsvoorstel of een vergoedingovereenkomst de arbeidsongevallenverzekeraar niet. (¿) Rekening houdend met wat voorafgaat, besluit het hof (van beroep) dat de uitbetaalde voorschotten blijvende arbeidsongeschiktheid ten bedrage van 743,41 euro (bedrag dat als dusdanig niet wordt betwist) wel terugvorderbaar zijn eens de gevolgen van het arbeidsongeval definitief werden vastgelegd door het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Turnhout van 28 oktober 2003, dat in kracht van gewijsde is getreden. Het slachtoffer verwijst eveneens naar de artikelen 17 en 18bis van de wet van 11 april 1995 (het Handvest van de Sociaal Verzekerde) en argumenteert dat deze regels in essentie bepalen dat wanneer een instelling van sociale zekerheid zich heeft vergist omtrent de rechten van de verzekerde, deze beslissing vanzelfsprekend kan worden herzien, maar wanneer de herziening nadelig is voor de verzekerde, dit enkel kan voor de toekomst, of, m.a.w. een nadelige herziening kan geen terugwerkende kracht hebben. Verder betoogt het slachtoffer dat enkel in geval van kwade trouw of wanneer de betrokkene wist of behoorde te weten dat de uitkeringen onrechtmatig werden uitbetaald, een nadelige herziening kan terugwerken, waarvan in dit dossier echter geen sprake is. Het hof (van beroep) is van oordeel dat het handvest van de sociaal verzekerde in beginsel van toepassing is op de vergoedingen verschuldigd bij een arbeidsongeval. De artikelen 17 tot 18bis van de wet van 11 april 1995 luiden als volgt: Er dient vastgesteld te worden dat de wetsverzekeraar zich op geen enkele wijze ¿vergist' heeft; evenmin heeft hij zijn ¿beslissing ingetrokken'. De voorschotten werden uitbetaald op basis van artikel 63, §4, van de Arbeidsongevallenwet; de wetsverzekeraar heeft een voorstel tot regeling gedaan (blijvende arbeidsongeschiktheid: 4 pct.) en was verplicht op die basis vergoedingen te betalen bij wijze van voorschot. Het voorstel werd niet aanvaard en er werd een procedure gevoerd voor de arbeidsrechtbank te Turnhout, naar aanleiding waarvan de blijvende arbeidsongeschiktheid definitief werd vastgelegd op nul pct. Het feit dat het betaalde voorschot het verschuldigde overstijgt, betekent geenszins dat de wetsverzekeraar zich ¿vergist' had of dat hij ¿zijn oorspronkelijke beslissing intrekt'. De wetsverzekeraar heeft bij het formuleren van zijn regelingsvoorstel geen ¿beslissing' genomen: een voorstel tot regeling is immers niet gelijk te stellen met een ¿beslissing' van een sociale zekerheidsinstelling. Ook artikel 15 van het handvest van de sociaal verzekerde, dat handelt over de terugvordering van onverschuldigde betalingen, vindt hier geen toepassing, nu het Hof van Cassatie in het hoger geciteerd arrest zich duidelijk uitsprak dat er geen sprake kan zijn van ¿onverschuldigde' betalingen, wanneer de arbeidsongevallenverzekeraar voorschotten heeft uitbetaald overeenkomstig artikel 63, §4, van de Arbeidsongevallen-wet, rechtspraak waarbij dit hof (van beroep) zich aansluit. Het hof (van beroep) stelt vast dat geen enkele van de in het handvest van de sociaal verzekerde voorziene regels oplegt om een ¿beslissing tot terugvordering' of een ¿herzieningsbeslissing' te nemen bij het aanrekenen van de gedane voorschotten op de later verschuldigde vergoedingen. De Arbeidsongevallenwet voorziet in artikel 63, §4, enkel in een stelsel van voorschotten (op de later verschuldigde vergoedingen), die naar het oordeel van het hof (van beroep) terugvorderbaar zijn eenmaal de gevolgen van het arbeidsongeval definitief werden vastgelegd door de bekrachtiging van de overeenkomst - vergoeding of door de rechter. Het hof (van beroep) besluit bijgevolg (anders dan de eerste rechters) dat (de eiser) gehouden is de teveel betaalde voorschotten blijvende arbeidsongeschiktheid terug te betalen aan de wetsverzekeraar, zijnde 743,41 euro, bedrag dat als dusdanig niet wordt betwist door het slachtoffer (¿). Het hoger beroep komt gegrond voor. (¿)¿. Grieven Tussen het slachtoffer van een arbeidsongeval en de verzekeraar arbeidsongevallen die het ongeval ten laste neemt, kan ter gelegenheid van de vergoedingsregeling betwisting bestaan omtrent de aard of de graad van de arbeidsongeschiktheid van de getroffene, in welk geval artikel 63, §4, van de wet van 10 april 1971 betreffende de arbeidsongevallen, zoals van kracht vóór (en

  1. na)de wijziging bij wet van 10 augustus 2001, bepaalde (bepaalt) dat ¿de verzekeraar (de verzekeringsonderneming) verplicht (
  2. is)de dagelijkse of jaarlijkse vergoeding in de artikelen 22, 23, 23bis of 24 bij voorschot te betalen op grond van de door hem voorgestelde graad van arbeidsongeschiktheid¿. Te dezen stelde het arbeidshof vast dat de verweerster na de consolidatiedatum (14 augustus 2000) vergoedingen uitkeerde op grond van een arbeidsongeschiktheidsgraad van 4 pct., waarmee de eiser niet akkoord ging en wat aanleiding gaf tot een procedure voor de arbeidsrechtbank. De arbeidsongevallenverzekeraar oordeelde bijgevolg dat de eiser aan zijn arbeidsongeval een blijvende arbeidsongeschiktheid overhield van 4 pct., op grond waarvan de verzekeraar uitkeringen verrichtte. Zodoende besliste de verzekeraar dat, op dat ogenblik, hij van mening was dat de eiser een blijvende arbeidsongeschiktheid van 4 pct. ondervond, zijnde de door hem, zoals de Arbeidsongevallenwet het voorschrijft, voorgestelde graad van blijvende arbeidsongeschiktheid. Deze beslissing verhinderde de arbeidsongevallenverzekeraar niet om later, bij de gerechtelijke betwisting van de voorgestelde arbeidsongeschiktheidsgraad door het slachtoffer, zijn oorspronkelijk standpunt (op grond waarvan de wet aan de verzekeraar voorschrijft de wettelijk voorziene uitkeringen te verrichten) te wijzigen en desgevallend te berusten in de rechterlijke beslissing die tot het besluit komt dat het slachtoffer met een bestendige arbeidsongeschiktheid is aangetast die lager begroot wordt dan deze die de arbeidsongevallenverzekeraar zelf oorspronkelijk voorstelde. Wanneer een rechterlijke beslissing, die in kracht van gewijsde is gegaan, oordeelt dat een aard of een graad van arbeidsongeschiktheid voorligt die verschilt van deze die in toepassing van artikel 63, §4, van de Arbeidsongevallenwet voorgesteld werd door de arbeidsongevallenverzekeraar, houdt dit noodzakelijkerwijze in dat de arbeidsongevallenverzekeraar zich oorspronkelijk heeft ¿vergist¿ in de beoordeling van de aard en/of de graad van de arbeidsongeschiktheid waarvoor hij desgevallend vergoedingen is verschuldigd. De omstandigheid dat zijn oorspronkelijke beoordeling van de aard en de graad van de arbeidsongeschiktheid slechts aanleiding geeft tot een voorlopige regeling, in afwachting van een definitieve vaststelling van de aard en de graad van arbeidsongeschiktheid, doet geen afbreuk aan het feit dat de arbeidsongevallenverzekeraar wiens voorlopige beoordeling niet gevolgd wordt in de definitieve beslissing, zich vergist heeft in deze beoordeling. Het arbeidshof kon dienvolgens niet wettig stellen dat de verzekeraar arbeidsongevallen ¿zich op geen enkele wijze ¿vergist' heeft¿, nu zijn voorlopige vergoedingsregeling gegrond was op een vermeende (voorgestelde) graad van blijvende arbeids-ongeschiktheid van 4 pct., daar waar, zoals door het arbeidshof vastgesteld, de Arbeidsrechtbank van Turnhout in een in kracht van gewijsde getreden vonnis van 28 oktober 2003 oordeelde dat geen blijvende arbeidsongeschiktheid voorhanden was. Luidens artikel 17, eerste lid, van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het ¿handvest¿ van de sociaal verzekerde, waarvan het arbeidshof uitdrukkelijk vaststelde, zonder op dit vlak te worden aangevochten, dat het ¿in beginsel van toepassing is op de vergoedingen verschuldigd bij een arbeidsongeval¿ (arrest p. 6 tweede alinea), neemt de instelling van sociale zekerheid, wanneer vastgesteld wordt dat haar beslissing is aangetast door een juridische of materiële vergissing, op eigen initiatief een nieuwe beslissing die uitwerking heeft op de datum waarop de verbeterde beslissing had moeten ingaan, onverminderd de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake verjaring. Luidens het tweede lid van deze bepaling heeft, onverminderd de toepassing van artikel 18, de nieuwe beslissing, indien de vergissing te wijten is aan de instelling van sociale zekerheid, uitwerking de eerste dag van de maand na de kennisgeving ervan, als het recht op de prestatie kleiner is dan het aanvankelijk toegekende recht. Te dezen oordeelde de instelling van sociale zekerheid, te weten de verweerster, oorspronkelijk dat na de consolidatie der letsels op 14 augustus 2000 een blijvende arbeidsongeschiktheid van 4 pct. voorlag daar waar deze bij het in kracht van gewijsde getreden vonnis van de Arbeidsrechtbank te Turnhout van 28 oktober 2003 bepaald werd op nul pct.. Aldus werd de eiser, gelet op artikel 24 van de genoemde Arbeidsongevallenwet, gerechtigd op een prestatie die kleiner was dan het aanvankelijk toegekende recht. Hieruit vloeit voort dat uitkeringen die de verweerster, in uitvoering van genoemd artikel 63, §4, van de Arbeidsongevallenwet had verricht, op grond van de door haarzelf voorgestelde doch blijkbaar verkeerd beoordeelde graad van blijvende arbeidsongeschiktheid, hoger lagen dan wat zij in werkelijkheid verschuldigd was. De vaststelling van deze vergissing kon, gelet op genoemd artikel 17, tweede lid, van de wet van 11 april 1995, slechts uitwerking krijgen op de eerste dag van de maand volgend op de kennisgeving van de vergissing. Het arbeidshof kon dan ook in die omstandigheden niet wettig besluiten dat de eiser gehouden is de teveel betaalde voorschotten wegens blijvende arbeidsongeschiktheid terug te betalen aan de verweerster. Het arbeidshof schendt aldus artikel 17 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het ¿handvest¿ van de sociaal verzekerde en voor zoveel als nodig, de artikelen 24en 63, §4, van de wet van 10 april 1971 betreffende de arbeidsongevallen, zoals van kracht zowel vóór als na hun wijziging bij wet van 10 augustus 2001 en wat artikel 24 betreft ook na de wijziging bij wet van 24 december 2002. III. BESLISSING VAN HET HOF 1. Krachtens artikel 63, §4, van de Arbeidsongevallenwet, is de verzekerings-onderneming in geval van betwisting omtrent de aard of de graad van arbeidsongeschiktheid van de getroffene verplicht de dagelijkse of jaarlijkse vergoeding, bedoeld in de artikelen 22, 23, 23bis of 24, bij voorschot te betalen op grond van de door haar voorgestelde graad van arbeidsongeschiktheid. 2. Artikel 17, eerste lid, van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het ¿handvest¿ van de sociaal verzekerde, bepaalt dat wanneer vastgesteld wordt dat de beslissing aangetast is door een juridische of materiële vergissing, de instelling van sociale zekerheid op eigen initiatief een nieuwe beslissing neemt, die uitwerking heeft op de datum waarop de verbeterde beslissing had moeten ingaan, onverminderd de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake verjaring. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat, onverminderd de toepassing van artikel 18, de nieuwe beslissing, indien de vergissing aan de instelling van sociale zekerheid te wijten is, uitwerking heeft op de eerste dag van de maand na de kennisgeving ervan, als het recht op de prestatie kleiner is dan het aanvankelijk toegekende recht. 3. De in artikel 63, §4, van de Arbeidsongevallenwet bedoelde verplichte betalingen van voorschotten gebeuren in afwachting van de definitieve vaststelling van de wegens het arbeidsongeval te betalen bedragen en dienen daarmee verrekend te worden en, in zoverre zij de definitieve bedragen overtreffen, terugbetaald te worden. Door die verrekening of terugbetaling wordt niet opnieuw beslist over de betaling van de voorschotten en het bedrag ervan maar wordt slechts het ongewijzigd bedrag van de voorschotten verrekend. De beslissing die de omvang van de rechten vaststelt na een provisionele beslissing over dezelfde rechten is geen nieuwe beslissing in de zin van de voormelde artikelen 17 en 18. Er is dan immers geen sprake van een rechtzetting van een juridische of materiële vergissing. 4. Het middel dat ervan uitgaat dat door de vraag tot terugbetaling van de voorschotten die de definitief vastgestelde bedragen overtreffen, wegens een materiële of juridische vergissing wordt teruggekomen op de beslissing over die voorschotten en aldus een nieuwe beslissing is genomen in de zin van voormeld artikel 17, faalt naar recht. Kosten. 5. Krachtens artikel 68 van de Arbeidsongevallenwet dient de verweerster te worden veroordeeld in de kosten. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de verweerster in de kosten. De kosten begroot op de som van 130,48 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Stassijns, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van elf juni tweeduizend en zeven uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070611.3 Gerelateerde publicatie(
  3. s)geciteerd door: ECLI:BE:AHANT:2017:ARR.20171016.10 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160606.3 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240916.3F.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.