id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070612.4 Rolnummer: P.07.0318.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2007-07-16 Raadplegingen: 180 - laatst gezien 2026-07-03 06:28 Versie(s): Vertaling FR Fiche Een feit dat niet meer onderworpen is aan het oordeel van het vonnisgerecht, ook al betrof het een misdaad die aanvankelijk op onjuiste wijze door het onderzoeksgerecht naar de correctionele rechtbank was verwezen, kan geen aanleiding geven tot een onbevoegdverklaring door dat vonnisgerecht, zodat het Hof, beslissende tot regeling van rechtsgebied, de beslissing van het vonnisgerecht vernietigt. Thesaurus CAS: REGELING VAN RECHTSGEBIED - STRAFZAKEN - Tussen onderzoeksgerecht en vonnisgerecht - Allerlei UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Regeling bevoegdheidsgeschillen - Algemeen Vrije woorden: Feit niet meer onderworpen aan het oordeel van het vonnisgerecht - Onbevoegdverklaring door het vonnisgerecht Tekst van de beslissing Nr. P.07.0318.N PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL, verzoeker tot regeling van rechtsgebied, inzake M. H., beklaagde. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Brussel verzoekt om regeling van rechtsgebied ingevolge: - de beschikking van 24 februari 2004 van de raadkamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel; - het arrest van 8 november 2006 van het Hof van Beroep te Brussel, correctionele kamer. In een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, worden de redenen van het verzoek uiteengezet. Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. VOORGAANDE RECHTSPLEGING Bij vordering van 11 december 2003 vorderde de procureur des Konings de verwijzing van M. H. naar de correctionele rechtbank wegens de telastlegging A.2, namelijk ¿met voorbedachten rade, opzettelijk slagen of verwondingen, die een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid ten gevolge hadden, te hebben toegebracht (¿) aan R. F. en I. D.¿. Tevens vorderde hij de buitenvervolgingstelling van M. H. wegens de telastlegging B, omschreven als: ¿gepoogd te hebben, door middel van geweld of bedreiging, ten nadele van R. F. en I. D. een voertuig, van een onbepaalde waarde, welke hem niet toebehoorde, bedrieglijk weg te nemen met de omstandigheid dat: - het misdrijf gepleegd werd door twee of meer personen, - wapens of op wapens gelijkende voorwerpen werden gebruikt of getoond, of indien de schuldige heeft doen geloven dat hij gewapend was, - de schuldige, om het misdrijf te vergemakkelijken of zijn vlucht te verzekeren, gebruik gemaakt heeft van een voertuig of enig ander al dan niet met een motor aangedreven tuig, terwijl het voornemen om de misdaad te plegen zich geopenbaard heeft door uitwendige daden die een begin van uitvoering van die misdaad uitmaken en alleen ten gevolge van omstandigheden, van de wil van de dader onafhankelijk, werden gestaakt of hun uitwerking hebben gemist¿. Bij beschikking van de raadkamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel van 24 februari 2004 werd M. H. naar de correctionele rechtbank verwezen wegens de telastleggingen A.2 en B, zonder aanneming van enige verzachtende omstandigheid. De procureur des Konings nam op 17 maart 2004 een vordering tot interpretatie van deze beschikking omdat er in geen verzachtende omstandigheden voorzien waren voor de telastlegging B. Bij beschikking tot interpretatie van 20 april 2004 voegde de raadkamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel verzachtende omstandigheden toe aan haar eerdere verwijzingsbeschikking van 24 februari 2004 voor de telastlegging B. Bij vonnis van de Correctionele Rechtbank te Brussel van 18 oktober 2004, gewezen bij verstek lastens M. H., werd deze laatste vrijgesproken voor het feit van de telastlegging B en tot een gevangenisstraf en een geldboete veroordeeld voor het feit van de telastlegging A.
- Tevens werd hij tot schadevergoeding veroordeeld aan F. R. en D. I.. Tegen dit vonnis werd geen hoger beroep ingesteld door het openbaar ministerie. Door een verklaring aan de gevangenisdirecteur deed M. H. op 2 december 2004 verzet. Het verzet werd op 8 december 2004 ontvankelijk verklaard. Bij vonnis van 13 april 2005 veroordeelde de Correctionele Rechtbank te Brussel M. H. tot een deels effectieve gevangenisstraf en een geldboete voor het feit van de telastlegging A.
- Tevens stelde de rechtbank vast dat de vrijspraak voor de telastlegging B verworven blijft. Tegen dit vonnis op verzet werd op 18 april 2005 hoger beroep ingesteld door M. H. en door het openbaar ministerie. Bij arrest van 8 november 2006 doet het Hof van Beroep te Brussel het bestreden vonnis teniet en verklaart het zich onbevoegd om over de feiten te oordelen. Het komt tot dit besluit om volgende redenen: - het feit van de telastlegging B waarvoor de raadkamer de beklaagde bij beschikking van 24 februari 2004 naar de correctionele rechtbank verwees zonder aanneming van verzachtende omstandigheden, betreft een misdaad; - de raadkamer had geen rechtsmacht om bij beschikking tot interpretatie van 20 april 2004 alsnog voor hetzelfde feit verzachtende omstandigheden aan te nemen; - er is geen reden om de samenhang tussen alle ten laste gelegde feiten af te wijzen; - de correctionele rechtbank was onbevoegd voor alle feiten die in de verwijzingsbeschikking zijn vermeld. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Er staat vooralsnog geen rechtsmiddel open tegen de beschikking van de raadkamer van 24 februari 2004, terwijl het arrest van het Hof van Beroep te Brussel kracht van gewijsde heeft.
- De onderlinge tegenstrijdigheid tussen enerzijds de beschikking, anderzijds het arrest doet een geschil van rechtsmacht ontstaan dat de rechtsgang belemmert.
- Bij vonnis van de Correctionele Rechtbank te Brussel van 18 oktober 2004, gewezen bij verstek, werd M. H. vrijgesproken voor het feit van de telastlegging B en tot straf veroordeeld voor het feit van de telastlegging A.2, beslissing waartegen geen hoger beroep werd ingesteld door het openbaar ministerie.
- M. H. had er geen belang bij verzet aan te tekenen tegen zijn vrijspraak voor de telastlegging B. Het door hem op 2 december 2004 gedane verzet was dan ook uitsluitend ontvankelijk in zoverre het gericht was tegen zijn veroordeling voor het feit van de telastlegging A.
- Door het ontvankelijk verklaren van het verzet wordt het verstekvonnis als niet bestaande beschouwd, met uitzondering van de gedeelten van het verstekvonnis die niet het voorwerp van het verzet zijn zoals de vrijspraak voor een telastlegging. Zijn vrijspraak voor het feit van de telastlegging B bleef dan ook definitief verworven. De Correctionele Rechtbank te Brussel, recht doende op het verzet van M. H., had bijgevolg geen rechtsmacht om opnieuw te oordelen over de telastlegging B. Zij stelde dan ook vast dat de vrijspraak voor de telastlegging B definitief verworven bleef.
- Ingevolge het hoger beroep van het openbaar ministerie en M. H. tegen het vonnis op verzet kon uitsluitend het feit van de telastlegging A.2 onderworpen worden aan het oordeel van de appelrechters. Het feit van de telastlegging A.2 kon niet meer samenhangend zijn met het feit van de telastlegging B, ook al betrof dit een misdaad die aanvankelijk op onjuiste wijze naar de correctionele rechtbank was verwezen. Het Hof van Beroep te Brussel verklaart zich dan ook ten onrechte onbevoegd. Dictum Het Hof, Beslissende tot regeling van rechtsgebied, Vernietigt het arrest van 8 november 2006 van het Hof van Beroep te Brussel, correctionele kamer. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Brussel, correctionele kamer, anders samengesteld. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Jean-Pierre Frère, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare terechtzitting van 12 juni 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070612.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div