← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070612.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070612.5 Rolnummer: P.07.0237.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Strafrecht Invoerdatum: 2007-07-20 Raadplegingen: 483 - laatst gezien 2026-07-03 23:18 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070612.5 Fiches 1 - 2 Inzake voorlopige hechtenis wordt de borgsom, betaald bij de invrijheidstelling, toegewezen aan de Staat o.m. wanneer de veroordeelde niet verschenen is ter tenuitvoerlegging van het vonnis, d.i. niet alleen wanneer de veroordeelde zich bij oproeping niet aanbiedt om zijn straf uit te voeren, maar ook wanneer de veroordeelde na een strafonderbreking op de gestelde datum niet meer verschijnt voor de verdere uitvoering van zijn straf

(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: BORGTOCHT UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORLOPIGE HECHTENIS - Algemeen (voorlopige hechtenis) Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Invrijheidstelling - Borgsom - Toewijzing aan de Staat Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 35, § 4 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - ALLERLEI UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORLOPIGE HECHTENIS - Algemeen (voorlopige hechtenis) Vrije woorden: Invrijheidstelling - Borgsom - Toewijzing aan de Staat - Voorwaarden - Niet-verschijning ter tenuitvoerlegging van het vonnis Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 35, § 4 Fiches 3 - 4 Concl. eerste adv.-gen. DE SWAEF, Cass., 12 juni 2007, AR P.07.0237.N, A.C., 2007, nr ... Thesaurus CAS: BORGTOCHT UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORLOPIGE HECHTENIS - Algemeen (voorlopige hechtenis) Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Invrijheidstelling - Borgsom - Toewijzing aan de Staat Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - ALLERLEI UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORLOPIGE HECHTENIS - Algemeen (voorlopige hechtenis) Vrije woorden: Invrijheidstelling - Borgsom - Toewijzing aan de Staat - Voorwaarden - Niet-verschijning ter tenuitvoerlegging van het vonnis Tekst van de beslissing Nr. P.07.0237.N A. Y., veroordeelde, eiser, met als raadsman mr. Jan Calewaert, advocaat bij de balie te Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer, van 16 januari
  1. De eiser voert in een memorie een middel aan. Raadsheer Jean-Pierre Frère heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL Eerste en enige middel Geschonden wettelijke bepalingen - schending van de voorlopige hechteniswet (o.m. artikel 13 en 16). Aangevochten beslissingen Het hof van beroep stelt vast dat eiser in cassatie zich op 11 april 2006 zelf heeft aangeboden aan de strafinrichting te Antwerpen met het oog op de strafuitvoering en dat hij op die datum ook effectief werd opgesloten. Desondanks vervalt de borgsom ten bedrage van 3.500,00 euro overgeschreven op 31 oktober 2003 op rekening van de Deposito- en Consignatiekas te Gent in uitvoering van de beschikking van de Raadkamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent van 10 oktober 2003, aan de Staat. Immers het hof [van beroep] stelt vast dat eiser in cassatie zonder wettige reden van verschoning niet is verschenen ter uitvoering van het in kracht van gewijsde getreden arrest van het Hof van Beroep te Gent - 6de kamer - van 6 december
  2. In het motiverend gedeelte stelt het hof van beroep vast dat eiser in cassatie niet terugkwam na strafonderbreking met het oog op elektronisch toezicht. Dat echter duidelijk door de wet de teruggave van de borgsom definitief verworven is op het ogenblik dat hij zich gevangen heeft gemeld (E. Boutmans, Voorlopige Hechtenis, 1985, pag. 244: ¿De gevangene die weet te vluchten, verbeurt daardoor de zekerheid niet meer, want de teruggave was definitief verworven op het ogenblik dat hij zich gevangen heeft gemeld¿). Zie ook verwijzing door E. BOUTMANS naar R.P.D.B., V, Détention préventive, nr. 206; SCHUIND-VAN DE PLAS, I,
  3. Het arrest betwist niet en stelt zelfs expliciet dat eiser in cassatie zich op 11 april 2006 zelf heeft aangeboden aan de strafinrichting te Antwerpen, met het oog op de strafuitvoering en dat hij op die datum ook effectief werd opgesloten. Er is dus in casu voldaan aan de voorwaarden tot teruggave van de waarborgsom. Het bestreden arrest dient dan ook verbroken te worden, kosten lastens de Staat. III. VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING De eiser werd gedagvaard bij toepassing van artikel 35, § 4, vijfde en zevende lid, Wet Voorlopige Hechtenis om, wegens niet-verschijning ter tenuitvoerlegging van het arrest van het Hof van Beroep te Gent van 6 december 2005, de door de eiser op 31 oktober 2003 overgeschreven borgsom van 3.500 euro aan de Staat vervallen te horen verklaren. IV. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  4. Artikel 35, § 4, vierde lid, Wet Voorlopige Hechtenis bepaalt: ¿Niettegenstaande de termijn bepaald in artikel 35, § 1, en onverminderd de toepassing van artikel 36, wordt de borgsom teruggegeven indien de verdachte bij alle proceshandelingen, alsook ter tenuitvoerlegging van het vonnis is verschenen¿. Artikel 35, § 4, zevende lid, van die wet bepaalt: ¿De niet-verschijning van de veroordeelde ter tenuitvoerlegging van het vonnis wordt, op de vordering van het openbaar ministerie, vastgesteld door de rechtbank die de veroordeling heeft uitgesproken. Het vonnis verklaart tevens dat de borgsom aan de Staat vervalt.¿
  5. Geen wettelijke bepaling zegt vanaf welk ogenblik schuldige ¿niet-verschijning ter tenuitvoerlegging¿ bestaat of wat daaronder dient te worden verstaan.
  6. Onder ¿niet verschijning ter tenuitvoerlegging van het vonnis¿ moet worden verstaan niet alleen het feit dat de veroordeelde zich bij oproeping van het penitentiaire bestuur niet aanbiedt om zijn straf uit te voeren, maar ook het feit dat de veroordeelde na een strafonderbreking op de gestelde datum niet meer verschijnt voor de verdere uitvoering van zijn straf.
  7. Het middel dat ervan uitgaat dat eens een veroordeelde zich bij het begin van de uitvoering van de straf aanbiedt, er ongeacht een latere niet-verschijning na een strafonderbreking geen schuldige niet-verschijning ter tenuitvoerlegging van de straf kan zijn, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek van de beslissing
  8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 60,26 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Jean-Pierre Frère, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare terechtzitting van 12 juni 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070612.5 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070612.5 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080924.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170307.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.