← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070619.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:

Art. 26, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Decr.

Vl. R. 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs - 27-03-1991 - Artt. 43 en 44, eerste lid Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: Grondwettelijk Hof - Prejudiciële vraag - Dopingdecreet - Sportbeoefenaar - Dopingpraktijk - Strafuitsluitende verschoningsgrond - Drugswet - Bezit van verboden substanties - Toepassing van de bij decreet bepaalde verschoningsgrond op het door de drugswet strafbaar gestelde feit - Bestaanbaarheid met de onderscheiden bevoegdheden van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof

Art. 26, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Decr.

Vl. R. 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs - 27-03-1991 - Artt. 43 en 44, eerste lid Thesaurus CAS: GENEESKUNDE - GENEESMIDDELEN Vrije woorden: Dopingdecreet - Sportbeoefenaar - Dopingpraktijk - Strafuitsluitende verschoningsgrond - Drugswet - Bezit van verboden substanties - Toepassing van de bij decreet bepaalde verschoningsgrond op het door de drugswet strafbaar gestelde feit - Bestaanbaarheid met de onderscheiden bevoegdheden van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof

Art. 26, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Decr.

Vl. R. 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs - 27-03-1991 - Artt. 43 en 44, eerste lid Thesaurus CAS: SPORT Vrije woorden: Dopingdecreet - Sportbeoefenaar - Dopingpraktijk - Strafuitsluitende verschoningsgrond - Drugswet - Bezit van verboden substanties - Toepassing van de bij decreet bepaalde verschoningsgrond op het door de drugswet strafbaar gestelde feit - Bestaanbaarheid met de onderscheiden bevoegdheden van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof

Art. 26, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Decr.

Vl. R. 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs - 27-03-1991 - Artt. 43 en 44, eerste lid Thesaurus CAS: MISDRIJF - RECHTVAARDIGING EN VERSCHONING - Verschoning Vrije woorden: Dopingdecreet - Sportbeoefenaar - Dopingpraktijk - Strafuitsluitende verschoningsgrond - Drugswet - Bezit van verboden substanties - Toepassing van de bij decreet bepaalde verschoningsgrond op het door de drugswet strafbaar gestelde feit - Bestaanbaarheid met de onderscheiden bevoegdheden van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof

Art. 26, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Decr.

Vl. R. 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs - 27-03-1991 - Artt. 43 en 44, eerste lid Thesaurus CAS: STRAF - VERZACHTENDE OMSTANDIGHEDEN. VERSCHONINGSGRONDEN Vrije woorden: Dopingdecreet - Sportbeoefenaar - Dopingpraktijk - Strafuitsluitende verschoningsgrond - Drugswet - Bezit van verboden substanties - Toepassing van de bij decreet bepaalde verschoningsgrond op het door de drugswet strafbaar gestelde feit - Bestaanbaarheid met de onderscheiden bevoegdheden van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof

Art. 26, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Decr.

Vl. R. 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs - 27-03-1991 - Artt. 43 en 44, eerste lid Tekst van de beslissing Nr. P.07.0521.N PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL, eiser, tegen F. L. P. V., beklaagde, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest op verwijzing van 14 maart 2007 van het Hof van Beroep te Brussel. De eiser voert in een memorie, die aan dit arrest is gehecht en daarvan deel uitmaakt, twee middelen aan. Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht . Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd . II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel, dat tegenstrijdigheid in de motivering aanvoert, preciseert niet waarin de aangevoerde tegenstrijdigheid bestaat. Voor het overige voert het middel aan dat het arrest niet antwoordt op eisers conclusie betreffende het al dan niet bestaan van de strafuitsluitingsgrond. Het middel preciseert evenwel niet welke het desbetreffende verweer was waarop het arrest diende te antwoorden. Het middel is onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk. Tweede middel 2. Het middel voert aan dat het arrest de strafuitsluitende verschoningsgrond bepaald in artikel 44 van het decreet van 27 maart 1991 inzake medisch verantwoorde sportbeoefening (hierna Dopingdecreet) ten onrechte toepast op misdrijven die door andere wettelijke bepalingen dan dit decreet strafbaar gesteld zijn, meer bepaald door de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, ontsmettingsmiddelen en antiseptica (hierna Drugwet). Het stelt dat die laatste wet een eigen stelsel van strafuitsluitende verschoningsgronden invoert en dat de strafuitsluitende verschoningsgrond bepaald door artikel 44 Dopingdecreet enkel geldt voor de in artikel 43 Dopingdecreet strafbaar gestelde feiten. 3. Overeenkomstig artikel 2, 3°, Dopingdecreet, is de sportbeoefenaar ¿elke persoon die zich voorbereidt op of deelneemt aan een sportmanifestatie¿. Artikel 43, 3° Dopingdecreet stelt strafbaar ¿hij die zich schuldig maakt aan een dopingpraktijk, zoals omschreven in artikel 2, 6°, a), b),

  1. c)of d), of aan een daarmee gelijkgestelde praktijk zoals omschreven in artikel 21, § 2, 1°, 2° of 3°¿. Artikel 2, 6°, Dopingdecreet bepaalt welke de bij artikel 43 strafbare dopingpraktijken zijn. Artikel 21, § 2, 2°, Dopingdecreet, zoals het van toepassing was op het ogenblik van het aan de verweerder ten laste gelegde feiten, bepaalt dat met dopingpraktijk gelijkgesteld wordt ¿het in bezit hebben tijdens of bij de voorbereiding van een sportmanifestatie van substanties als bedoeld in artikel 2, 6°, van het decreet¿. Artikel 44, eerste lid, Dopingdecreet bepaalt: ¿Wanneer de in artikel 43 strafbare feiten gepleegd worden door sportbeoefenaars ter gelegenheid van hun voorbereiding op of hun deelname aan een sportmanifestatie, geven ze alleen aanleiding tot disciplinaire maatregelen¿. 4. Uit die bepalingen volgt dat wanneer een sportbeoefenaar, dit is een persoon die zich voorbereidt op of deelneemt aan een sportmanifestatie, zich schuldig maakt aan dopingpraktijken of daarmee gelijkgestelde praktijken, hij voor die feiten niet strafrechtelijk kan vervolgd worden, maar enkel disciplinair kan worden gestraft. 5. Hieruit volgt eveneens dat wanneer de dopingpraktijk van ¿het in bezit hebben tijdens of bij de voorbereiding van een sportmanifestatie van substanties en middelen als bedoeld in artikel 2, 6°, van het decreet¿ bepaald in artikel 21, § 2, 2°, Dopingdecreet, gepleegd door een sportbeoefenaar ter gelegenheid van zijn voorbereiding op of zijn deelname aan een sportmanifestatie, eveneens kan gekwalificeerd worden als bezit van verboden substanties als bedoeld in de Drugwet, zij het voorwerp uitmaakt van de strafuitsluitende verschoningsgrond bepaald in artikel 44 Dopingdecreet en niet meer strafrechtelijk kan vervolgd worden wegens inbreuk op de vermelde wet. Er, wat de vermelde dopingpraktijk betreft, anders over oordelen zou artikel 44 Dopingdecreet iedere draagwijdte ontnemen. Het feit dat de Drugwet waaronder die dopingpraktijk eveneens kan vallen, geniet van een eigen stelsel van verschoningsgronden, doet daaraan geen afbreuk. 6. De eiser verzoekt de volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof: - ¿Schendt artikel 44 van het decreet van 27 maart 1991 inzake medische verantwoorde sportbeoefening, geïnterpreteerd in die zin dat door dat artikel een strafuitsluitende verschoningsgrond wordt gecreëerd die niet enkel zou gelden met betrekking tot feiten die alleen (maar) strafbaar zijn op grond van artikel 43 Dopingdecreet, (maar) dat deze ook geldt voor wat betreft mogelijke bestraffingen op grond van (kwalificaties van) andere toepasselijke strafwetten (zoals de Drugwet) waaronder de feiten vallen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, op zichzelf beschouwd alsook in samenhang gelezen met artikel 14 juncto 6 EVRM en 26 IVBPR, doordat een verschil in behandeling in het leven wordt geroepen tussen twee categorieën van rechtsonderhorigen die in een vergelijkbare situatie verkeren, met name, enerzijds, de categorie rechtsonderhorigen sportbeoefenaars die vervolgd worden voor feiten gepleegd ter gelegenheid van de voorbereiding of de deelname aan een sportmanifestatie en die een strafuitsluitende verschoningsgrond genieten voor wat betreft die feiten ongeacht de kwalificatie en wettelijke basis die daaraan wordt gegeven en, anderzijds, de categorie van rechtsonderhorigen sportbeoefenaars die vervolgd worden voor feiten gepleegd niet ter gelegenheid van de voorbereiding op of de deelname aan een sportmanifestatie en die aldus geen strafuitsluitende verschoningsgrond genieten voor wat betreft die feiten ongeacht de kwalificatie en wettelijke basis die daaraan wordt gegeven, zonder dat er voor dit verschil in behandeling een redelijke verantwoording bestaat¿; - ¿Schendt artikel 44 van het decreet van 27 maart 1991 inzake medische verantwoorde sportbeoefening, geïnterpreteerd in die zin dat door dat artikel een strafuitsluitende verschoningsgrond wordt gecreëerd die niet enkel zou gelden met betrekking tot feiten die alleen (maar) strafbaar zijn op grond van artikel 43 Dopingdecreet, (maar) dat deze ook geldt voor wat betreft mogelijke bestraffingen op grond van (kwalificaties van) andere toepasselijke strafwetten (zoals de Drugwet) waaronder de feiten vallen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, op zichzelf beschouwd alsook in samenhang gelezen met artikel 14 juncto 6 EVRM en 26 IVBPR, doordat een verschil in behandeling in het leven wordt geroepen tussen twee categorieën van rechtsonderhorigen die in een vergelijkbare situatie verkeren, met name, enerzijds, de categorie rechtsonderhorigen sportbeoefenaars die vervolgd worden voor feiten gepleegd ter gelegenheid van de voorbereiding op of de deelname aan een sportmanifestatie en die een strafuitsluitende verschoningsgrond genieten voor wat betreft die feiten ongeacht de kwalificatie en wettelijke basis die daaraan wordt gegeven en, anderzijds, de categorie van rechtsonderhorigen niet-sportbeoefenaars die vervolgd worden voor feiten gepleegd niet ter gelegenheid van de voorbereiding op of de deelname aan een sportmanifestatie en die aldus geen strafuitsluitende verschoningsgrond genieten voor wat betreft die feiten ongeacht de kwalificatie en wettelijke basis die daaraan wordt gegeven, zonder dat er voor dit verschil in behandeling een redelijke verantwoording bestaat¿. 7. De eerste prejudiciële vraag betreft het verschil in behandeling tussen, enerzijds, de sportbeoefenaar die vervolgd wordt voor feiten gepleegd ter gelegenheid van de voorbereiding op of de deelname aan een sportmanifestatie, anderzijds, de sportbeoefenaar die vervolgd wordt voor feiten gepleegd buiten de voorbereiding op of de deelname aan een sportmanifestatie. De vraag heeft betrekking op personen die, alhoewel zij dezelfde hoedanigheid hebben, zich niettemin bevinden in verschillende juridische toestanden en daarom anders worden behandeld. De vraag hoeft derhalve niet te worden gesteld. 8. De tweede prejudiciële vraag betreft geen onderscheid tussen personen of categorieën van personen die in een zelfde juridische toestand verkeren, maar wel een onderscheid tussen sportbeoefenaars en niet-sportbeoefenaars, dit is tussen personen die zich bij het plegen van de feiten in verschillende juridische toestanden bevinden en daarom anders worden behandeld. De vraag hoeft niet te worden gesteld. 9. Het middel voert eveneens aan dat de toepassing van de strafuitsluitende verschoningsgrond bepaald in artikel 44 Dopingdecreet zoals hierboven uitgelegd, de grondwettelijke bevoegdheidsverdeling tussen de Federale Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten miskent. Het middel houdt wezenlijk in dat eens een dopingpraktijk strafbaar gesteld door artikel 43 Dopingdecreet eveneens gekwalificeerd wordt als overtreding van de Drugwet, die wet van toepassing is. 10. De Drugwet regelt in het belang van de openbare gezondheid, eensdeels, het vervoer, de invoer, de uitvoer, het bezit, de verkoop, het te koop stellen, het afleveren en het aanschaffen van giftstoffen, slaapmiddelen, verdovende stoffen, ontsmettingsmiddelen en antiseptica, anderdeels de uitoefening van de geneeskunde met betrekking tot die stoffen. 11. Art. 2, 5°, Dopingdecreet bepaalt de medisch verantwoorde sportbeoefening als ¿het geheel van preventieve en curatieve maatregelen, bepalingen en aanbevelingen die de sportverenigingen en sportbeoefenaars in acht dienen te nemen met het oog op het fysiek en psychisch welzijn van de sportbeoefenaars¿. 12. Het Dopingdecreet beoogt aldus enkel de bescherming van het fysieke en psychische welzijn van de sportbeoefenaars in het kader van de sportbeoefening, dit is ter gelegenheid van de voorbereiding op of hun deelname aan een sportmanifestatie. Dit betreft niet de openbare gezondheid maar enkel het persoonlijk belang van de sportbeoefenaars. De Drugwet en het Dopingdecreet hebben bijgevolg elk een verschillend toepassingsgebied. 13. De vraag is derhalve of de decreetgever zijn bevoegdheid heeft overschreden doordat het toepassingsgebied van artikel 44 Dopingdecreet het toepassingsgebied van de Drugwet wat betreft de strafbaarheid van het bezit van in die wet bedoelde verboden substanties, uitsluit. 14. Desbetreffende verzoekt de eiser de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen. ¿Schendt artikel 44 van het decreet van 27 maart 1991 inzake medische verantwoorde sportbeoefening, geïnterpreteerd in die zin dat door dat artikel een strafuitsluitende verschoningsgrond wordt gecreëerd die niet enkel zou gelden met betrekking tot feiten die alleen (maar) strafbaar zijn op grond van artikel 43 Dopingdecreet, (maar) dat deze ook geldt voor wat betreft mogelijke bestraffingen op grond van (kwalificaties van) andere toepasselijke strafwetten (zoals de Drugwet) waaronder de feiten vallen, de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheden van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten, inbegrepen de regels voorgeschreven door artikel 1, I, 2, van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 , in zoverre de toepassing ervan de residuaire bevoegdheid van de federale wetgever in het gedrang brengt wat tot een ongefundeerde ongelijke behandeling kan leiden tussen een gewone rechtsonderhorige en een sportbeoefenaar [binnen de Vlaamse gemeenschap] inzake de toepassing en handhaving van de federale Drugwet en haar uitvoeringsbesluiten¿. Er is aanleiding de hierna heromschreven prejudiciële vraag te stellen. Dictum Het Hof, Houdt elke verdere beslissing aan tot het Grondwettelijk Hof uitspraak zal gedaan hebben over de volgende vraag: ¿Schendt artikel 44 van het decreet van 27 maart 1991 inzake medische verantwoorde sportbeoefening, geïnterpreteerd in die zin dat door dat artikel een strafuitsluitende verschoningsgrond wordt gecreëerd die niet enkel geldt met betrekking tot feiten die alleen strafbaar zijn op grond van artikel 43 Dopingdecreet, maar dat deze ook geldt voor wat betreft louter het bezit van verboden substanties, strafbaar gesteld door de Drugwet, de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheden van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten, in zoverre de toepassing ervan de residuaire bevoegdheid van de federale wetgever in het gedrang brengt¿. Houdt de kosten aan. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare terechtzitting van 26 juni 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070626.10 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080603.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.