id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:
§1
, eerste lid, vermelde gegevens, gemachtigd het minimum der winsten te bepalen dat belastbaar is ten laste van de vreemde firma's die in België werkzaam zijn. Het koninklijk besluit tot uitvoering van het WIB
(1964)in artikel 146, §1, 7°, legt het minimum der winsten dat belastbaar is ten name van vreemde firma's die in België werkzaam zijn en belastbaar zijn volgens de vergelijkingsprocedure bepaald in artikel 248, §1, eerste lid, WIB
(1964), voor alle andere bedrijven of ondernemingen, dan deze geviseerd in hetzelfde voornoemde artikel 146, §1, 1° tot en met 6°, vast op 80 BEF per 1.000 BEF ontvangsten, zonder dat die winst lager mag zijn dan 140.000 BEF. Deze wettelijk vermoede minima zijn nettowinsten, die absoluut gelden zonder mogelijkheid voor de vreemde firma's om behoorlijk bewezen bedrijfsuitgaven en -verliezen in mindering te brengen en waartegen alleen als tegenbewijs mogelijk is het juiste cijfer van hun belastbare inkomsten. Aldus wordt eiseres die belast werd a rato van 80 BEF per 1.000 BEF op haar ontvangsten die zij ontving voor de litigieuze bouwwerken door haar uitgevoerd in België onderworpen aan zwaardere verplichtingen met betrekking tot het te leveren tegenbewijs van het wettelijk vermoeden en aan een zwaardere fiscale heffing dan de Belgische firma's werkzaam in België, die nooit onderworpen zijn aan dit absoluut minimum, met mogelijkheid om behoorlijk bewezen bedrijfsuitgaven en -verliezen in mindering te brengen op de wettelijk vermoede belastbare brutowinst. Hieruit volgt dat het bestreden arrest onwettig de belastingheffing van eiseres laat bestaan, die belast wordt op een wettelijk vermoede minimumwinst die netto bepaald wordt, hetgeen een zwaardere fiscale heffing is dan de Belgische firma's ondergaan die wel hun regelmatig bewezen bedrijfsuitgaven en - verliezen in mindering kunnen brengen (schending van de artikelen 1, 2, f, en 59, 1°, van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie, artikel 248 WIB
(1964)en voor zoveel als nodig artikel 342 WIB
(1992), artikel 146 KB / WIB
(1964)en voor zoveel als nodig artikel 182 koninklijk besluit WIB
(1992)en die eiseres onderwerpt aan zwaardere verplichtingen dan de Belgische firma's inzake het tegenbewijs van het ingestelde wettelijk vermoeden (schending van de artikelen 1, 2, f, en 58, 2°, van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie, artikel 248 WIB
(1964)en voor zoveel als nodig artikel 342 WIB
(1992), artikel 146 koninklijk besluit WIB
(1964)en voor zoveel als nodig artikel 182 koninklijk besluit WIB
(1992)). Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 2 (ex art. 2), 3 (ex art. 3), 4 (ex art. 3A), 5 (ex art. 3B), 10 (ex art. 5), 12 (ex art. 6), 39 (ex art. 48), 43 (ex art. 52), 49 (ex art. 59), 56 (ex art. 73 B), 234 (ex art. 177) van de geconsolideerde versie van het Verdrag van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Gemeenschap, gesloten te Rome, goedgekeurd bij wet van 2 december 1957, zoals gewijzigd door het Verdrag van Nice, goedgekeurd bij wet van 7 juni 2002; - voor zoveel als nodig, de artikelen 2, 3, 5, 6, 48, 52, 56, 59, 73 van het Verdrag van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, gesloten te Rome, goedgekeurd bij wet van 2 december 1957; - artikel 248 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, gecoördineerd bij van 26 februari 1964, hierna afgekort WIB
(1964)en voor zoveel als nodig artikel 342 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 10 april 1992, bekrachtigd bij wet van 12 juni 1992, hierna afgekort WIB
(1992); - de artikelen 377 tot 385 en 386 tot 391, in de versie ervan van vóór de opheffing bij wet van 15 maart 1999, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 10 april 1992, bekrachtigd bij wet van 12 juni 1992, hierna afgekort WIB
(1992); - artikel 146 van het koninklijk besluit van 4 maart 1965 tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (WIB 1964) en voor zoveel als nodig artikel 182 van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest ¿verklaart het fiscaal verhaal ontvankelijk doch ongegrond. Veroordeelt (de eiseres) tot de kosten van de voorziening, vereffend zoals in strafzaken op 156,42 euro¿, op grond van de motieven op p. 5 -7: ¿(De eiseres) houdt voor dat de toepassing van artikel 146 koninklijk besluit WIB
(1964), dat in toepassing van artikel 248, §2, WIB de belastbare minimumwinsten van vaste inrichtingen van buitenlandse ondernemingen vastlegt, in strijd is met artikel 25 van het dubbelbelastingverdrag tussen België en Nederland, artikel 52 EG-Verdrag, met het gelijkheidsbeginsel en met het verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie. (...). Het vrije vestigingsrecht voorzien in artikel 52 van het EG-Verdrag wordt ook niet geschonden door de toepassing van artikel 146 koninklijk besluit WIB
(1964). Inderdaad, het onderwerpen van een natuurlijke persoon, die onderworpen is aan de belasting der niet- verblijfhouders en wiens hier ten lande belastbare winsten niet kunnen worden bepaald aan de hand van een bewijskrachtige boekhouding of andere bewijskrachtige gegevens, aan een forfaitaire winstberekening, maakt geen belemmering uit van werkzaamheden van (de eiseres), bestaand in een verschil van behandeling van (de eiseres) ten opzichte van Belgische onderdanen wier winsten bij gebreke van bewijskrachtige boekhouding of andere bewijskrachtige gegevens eveneens op grond van een forfaitaire berekening worden belast. Uit niets blijkt dat de forfaitaire winstberekening voor (de eiseres) in het bijzonder of zelfs voor niet-verblijfhouders in het algemeen, de toegang tot een door het recht van vrije vestiging beschermde werkzaamheid financieel bemoeilijkt door het opleggen van een zwaardere fiscale last dan aan rijksinwoners in gelijkaardige omstandigheden¿. Grieven Eerste onderdeel De eiseres verzocht in regelmatig genomen beroepsbesluiten neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Brussel op 3 december 1999 op p. 11 onderaan ¿(...) volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie: ¿Verzet artikel 52 EG-Verdrag er zich tegen dat de Belgische Staat op grond van artikel 248, §2, WIB
(1964)en artikel 146 koninklijk besluit WIB
(1964)een vennootschap met zetel in een EG-lidstaat die op zijn grondgebied een filiaal heeft zonder aldaar gevestigd te zijn, bij gebreke van bewijskrachtige gegevens, onderwerpt aan een forfaitaire minimumbelasting (¿) terwijl dit niet het geval is voor een ingezeten belastingplichtige'. Krachtens artikel 234, derde lid, (ex art. 177) van het aangehaalde EG-Verdrag is de nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, gehouden zich tot het Hof van Justitie te wenden met een prejudiciële vraag indien een vraag over de uitlegging van het EG-recht wordt opgeworpen voor die nationale instantie. Tegen een arrest uitgesproken door een hof van beroep op de fiscale voorziening van een belastingplichtige op grond van het aangehaalde artikel 377 en volgende WIB
(1992), staat geen beroep open, maar enkel een voorziening in cassatie overeenkomstig de aangehaalde artikelen 386 en volgende WIB
(1992). De strijdigheid met EG-recht is voorhanden van zodra de toepassing van een nationale regeling er kan toe leiden dat het verrichten van werkzaamheden tussen lidstaten moeilijker wordt dan het verrichten van werkzaamheden binnen eenzelfde lidstaat. Hieruit volgt dat het bestreden arrest onwettig de door eiseres voorgestelde prejudiciële vraag niet heeft gesteld, waartoe de appelrechters gehouden waren (schending van artikel 234 (ex art. 177) van het aangehaalde EG-Verdrag en van de aangehaalde artikelen 377 tot 385 en van de aangehaalde artikelen 386 tot 391 WIB
(1992), van zodra de litigieuze regeling ingesteld door de artikel 248, §2, WIB
(1964)en 146 koninklijk besluit WIB
(1964)er kan toe leiden dat de werkzaamheden van eiseres in België door deze fiscale regeling moeilijker wordt dan het verrichten van werkzaamheden door haar in Nederland (schending van artikel 43 (ex art. 52) van het aangehaalde EG-Verdrag en voor zoveel als nodig artikel 52 van het aangehaald oorspronkelijk EG-Verdrag, de artikelen 248 WIB
(1964)en voor zoveel als nodig 342 WIB
(1992), artikel 146 koninklijk besluit WIB
(1964)en voor zoveel als nodig 182 koninklijk besluit WIB
(1992)). Tweede onderdeel Ofschoon de directe belastingen tot de bevoegdheid van de lidstaten behoren, zijn deze niettemin verplicht die bevoegdheid in overeenstemming met het gemeenschapsrecht uit te oefenen. Artikel 10 (ex art. 5) van het aangehaalde EG-Verdrag legt de lidstaten immers de verplichting op alle algemene en bijzondere maatregelen te treffen die geschikt zijn om de nakoming van de uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende verplichtingen te verzekeren. In de optiek van de interne markt en om de verwezenlijking van de doelstellingen daarvan mogelijk te maken, verzetten de artikelen 12 (ex art. 6), 39 (ex art. 48), 43 (ex art. 52) 49 (ex art. 59 ) en 56 (ex art. 73 B) zich tegen de toepassing van een nationale regeling die ertoe leidt dat het verrichten van werkzaamheden tussen lidstaten moeilijker wordt dan het verrichten van werkzaamheden binnen eenzelfde lidstaat. Zo verzetten de aangehaalde artikelen van het EG-Verdrag zich tegen een nationale regeling waarin als regel bij de belastingheffing van niet-ingezetenen rekening wordt gehouden met de onzuivere inkomsten zonder aftrek van beroepskosten, terwijl ingezetenen worden belast naar hun zuivere inkomsten na aftrek van die kosten. In die omstandigheden kan dergelijke nationale regeling die bij de belastingheffing geen aftrek van beroepskosten toestaat aan niet-ingezetenen maar wel aan ingezetenen, in het nadeel werken van hoofdzakelijk onderdanen van andere lidstaten en dus een in beginsel met de aangehaalde artikelen van het EG-Verdrag strijdige indirecte discriminatie op grond van nationaliteit inhouden. De Belgische directe belastingen bevatten dergelijke met voormelde gemeenschapsregels strijdige regeling, wanneer de administratie bij toepassing van de wettelijke vermoedens, voorzien in artikel 248 WIB
(1964), bij gebreke van bewijskrachtige gegevens, geleverd door de belanghebbenden of door de administratie, de belastbare winst van een belastingplichtige bepaalt op een verschillende wijze naargelang het om een Belgische of vreemde firma gaat. De belastbare winst van elke belastingplichtige wordt in de regel krachtens artikel 248, §1, eerste lid, WIB
(1964)bepaald naar de normale winsten of baten van ten minste drie soortgelijke belastingplichtigen en met inachtneming, volgens het geval, van het aangewende kapitaal, van de omzet, van het aantal werklieden, van de benuttigde drijfkracht, van de huurwaarde der in bedrijf genomen gronden, alsmede van alle andere nuttige inlichtingen. De belastbare winst bekomen in toepassing van dit wettelijk vermoeden is een brutowinst, waarop de behoorlijk bewezen bedrijfsuitgaven en -verliezen van de belastingplichtige, zo voldaan is aan de wettelijke vereisten, in mindering komen, zonder dat het bekomen belastbaar nettobedrag beneden een gesteld minimum kan dalen. Hierop wordt de Koning, in uitvoering van artikel 248, §2, WIB
(1964)bij wijze van uitzondering,
§1
, eerste lid, vermelde gegevens, gemachtigd het minimum der winsten te bepalen dat belastbaar is ten laste van de vreemde firma's die in België werkzaam zijn. Het koninklijk besluit tot uitvoering van het WIB
(1964)in artikel 146, §1, 7°, legt het minimum der winsten dat belastbaar is ten name van vreemde firma's die in België werkzaam zijn en belastbaar zijn volgens de vergelijkingsprocedure bepaald in artikel 248, §1, eerste lid, WIB
(1964), voor alle andere bedrijven of ondernemingen, dan deze geviseerd in hetzelfde voornoemde artikel 146, §1, 1° tot en met 6°, vast op 80 BEF per 1.000 BEF ontvangsten, zonder dat die winst lager mag zijn dan 140.000 BEF. Deze wettelijk vermoede minima zijn nettowinsten, die absoluut gelden zonder mogelijkheid voor de vreemde firma's om behoorlijk bewezen bedrijfsuitgaven en -verliezen in mindering te brengen en waartegen alleen als tegenbewijs mogelijk is het juiste cijfer van hun belastbare inkomsten. Aldus wordt de eiseres die belast werd a rato van 80 BEF per 1.000 BEF op haar ontvangsten die zij ontving voor de litigieuze bouwwerken door haar uitgevoerd in België onderworpen aan zwaardere verplichtingen met betrekking tot het te leveren tegenbewijs van het wettelijk vermoeden en aan een zwaardere fiscale heffing dan de Belgische firma's werkzaam in België, die nooit onderworpen zijn aan dit absoluut minimum, met mogelijkheid om behoorlijk bewezen bedrijfsuitgaven en -verliezen in mindering te brengen op de wettelijk vermoede belastbare brutowinst. Hieruit volgt dat het bestreden arrest, door het afwijzen van de fiscale voorziening van eiseres, de litigieuze belastingheffing op grond van de forfaitair bepaalde minimumwinst overeenkomstig artikel 248, §2, en 146 van het koninklijk besluit WIB
(1964), onwettig niet strijdig bevindt met het supranationale EG-recht dat zich verzet tegen dergelijke nationale regeling waarin bij de belastingheffing van niet-ingezetenen rekening wordt gehouden met de onzuivere inkomsten zonder aftrek van beroepskosten en -verliezen, terwijl ingezetenen worden belast naar hun zuivere inkomsten na aftrek van die kosten en verliezen (schending van de aangehaalde artikelen 2 (ex art.2), 3 (ex art. 3), 4 (ex art. 3A), 5 (ex art. 3B), 10 (ex art. 5), 12 (ex art. 6), 39 (ex art. 48), 43 (ex art. 52), 49 ( ex art. 59), 56 ( ex art. 73B) van de geconsolideerde versie van het Verdrag van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Gemeenschap, gesloten te Rome, goedgekeurd bij wet van 2 december 1957, zoals gewijzigd door het Verdrag van Nice, goedgekeurd bij wet van 7 juni 2002; voor zoveel als nodig, de artikelen 2, 3, 5, 6, 48, 52, 56, 59, 73 van het Verdrag van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, gesloten te Rome, goedgekeurd bij wet van 2 december 1957; artikel 248 WIB
(1964),voor zoveel als nodig artikel 342 WIB
(1992); artikel 146 van het koninklijk besluit van 4 maart 1965 tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (WIB 1964) en voor zoveel als nodig artikel 182 van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992) IV. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede middel Tweede onderdeel
- Krachtens artikel 2, lid 2, a, van het Verdrag van 3 februari 1958 tot instelling van de Benelux Economische Unie (hierna afgekort: BEU-Verdrag), genieten de onderdanen van elk der verdragsluitende Staten op het grondgebied van de andere verdragsluitende staten de behandeling welke voor de eigen onderdanen geldt voor wat betreft de vestiging. Volgens artikel 2, lid 2, f, van dit verdrag, geldt een zelfde behandeling voor wat betreft rechten en belastingen van welke aard ook. Dit beoogt aldus in een verdragsluitende Staat de nationale behandeling te verzekeren op het gebied van de belastingen, van welke aard ook.
- Krachtens artikel 59, lid 1, van dit verdrag, zijn de vennootschappen welke zijn opgericht overeenkomstig de wetgeving van een verdragsluitende Staat en binnen het grondgebied van een der verdragsluitende Staten hun fiscaal domicilie hebben, op het grondgebied van de andere verdragsluitende Staten, niet onderworpen aan hogere fiscale lasten dan die welke worden gedragen door soortgelijke nationale vennootschappen. Dit artikel houdt voor rechtspersonen het beginsel in van de nationale behandeling op fiscaal terrein.
- Krachtens artikel 248, §1, eerste lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964)worden bij gebreke van bewijskrachtige gegevens, geleverd hetzij door de belanghebbenden, hetzij door de administratie, de in artikel 20, 1° en 3°, van dit wetboek, bedoelde winsten of baten voor elke belastingplichtige bepaald naar de normale winsten of baten van ten minste drie soortgelijke belastingplichtigen en met inachtneming, volgens het geval, van het aangewende kapitaal, van de omzet, van het aantal werklieden, van de benuttigde drijfkracht, van de huurwaarde der in bedrijf genomen gronden, alsmede van alle andere nuttige inlichtingen. Krachtens §2 van die wetsbepaling, bepaalt de Koning,
§1
, eerste lid, vermelde gegevens, het minimum der winsten dat belastbaar is ten laste van de vreemde firma's die in België werkzaam zijn en waarvan de bedrijfsinkomsten minder gemakkelijk te controleren zijn. 4. Artikel 146, §1, van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964)bepaalt dat het minimum der winsten dat belastbaar is ten name van vreemde firma's die in België werkzaam zijn en belastbaar zijn volgens de vergelijkingsprocedure bepaald in artikel 248, §1, eerste lid, van dit wetboek, wordt bepaald als volgt: - 1° fabrieken, constructiewerkplaatsen, groeven, pannenbakkerijen, steenbakkerijen, spoorwegexploitaties: 90.000 BEF per bediende en arbeider (gemiddeld getal over het beschouwde jaar); - 2° landbouwbedrijven, tuinbouwbedrijven of groentenkwekerijen, boomkwekerijen: forfaitaire schaal vastgesteld voor de Belgische belastingplichtigen van het aangrenzende gewest die een soortgelijk beroep uitoefenenen; - 3° banken, krediet- en wisselinstelling: 250.000 BEF per bediende (gemiddeld getal over het beschouwde jaar); - 4° levensverzekeringen: 100 BEF per 1.000 BEF geïnde premies; - 5° zeeverzekeringen: 70 BEF per 1.000 BEF geïnde premies; - 6° andere verzekeringen: 75 BEF per 1.000 BEF geïnde premies; - 7° alle andere bedrijven of ondernemingen: 80 BEF per 1.000 BEF ontvangsten, met een minimum van 145.000 BEF per bediende en arbeider (gemiddeld getal over het beschouwde jaar). Krachtens §2 van die wetsbepaling mag het bedrag van de overeenkomstig §1 vastgestelde belastbare winst in geen geval lager zijn dan 140.000 BEF.
- Uit die bepalingen volgt dat bij gebrek aan bewijskrachtige gegevens, Belgische ondernemingen anders worden belast dan vreemde ondernemingen voor dewelke een stelsel geldt van forfaitaire winsten gepaard met een volstrekt minimum van winsten.
- Het Benelux-Gerechtshof heeft in antwoord op de bij het arrest van 23 februari 2006 gestelde prejudiciële vraag in zijn arrest van 19 maart 2007 voor recht verklaard: ¿De artikelen 2, lid 2, onder a en f, en 59, lid 1, van het BEU-Verdrag dienen aldus te worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de toepassing van fiscale regelingen van een van de drie verdragsluitende Staten, die gevallen die gemeen hebben dat bewijskrachtige gegevens voor de winstbepaling ontbreken, verschillend regelen in die zin dat zij een forfaitair minimum belastbaar inkomen vaststellen dat niet geldt voor vennootschappen naar zijn nationale recht maar uitsluitend voor soortgelijke vennootschappen die zijn opgericht overeenkomstig de wetgeving van een van die andere verdragsluitende Staten en op het grondgebied van een van de andere verdragsluitende Staten hun fiscaal domicilie hebben, ook als die regelingen niet tot noodzakelijk gevolg hebben dat de vreemde vennootschap steeds zwaarder wordt belast dan de nationale vennootschap¿. Hieruit volgt dat de artikelen 2, lid 2, a en f, en 59, lid 1, van het BEU-Verdrag zich verzetten tegen de berekening van de belastbare winst in hoofde van een Nederlandse vennootschap met een vaste inrichting in België volgens het stelsel van het minimum van de winsten dat vervat ligt in de artikelen 248, §2, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964)juncto artikel 146 van het koninklijk besluit van 4 maart 1965 tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964).
- Het arrest oordeelt dat ¿het non-discriminatiebeginsel voorzien in de artikelen 2, (58-2) en 59-1 van het Verdrag (van 3 februari 1958) tot instelling van de Benelux Economische Unie ten aanzien van de eiseres (¿.) niet wordt geschonden vermits de toepassing van artikel 146 KB/WIB 1964 zonder onderscheid van nationaliteit van toepassing is op alle (natuurlijke) personen ook die van Belgische nationaliteit, die onder de toepassing vallen van de belasting op de niet-verblijfhouders¿ en dat ¿uit niets blijkt dat de forfaitaire winstberekening voor (de eiseres) in het bijzonder of zelfs voor niet-verblijfhouders in het algemeen, de toegang tot een door het recht van vrije vestiging beschermde werkzaamheid financieel bemoeilijkt door het opleggen van een zwaardere fiscale last dan aan rijksinwoners in gelijkaardige omstandigheden¿.
- Het arrest schendt aldus de artikelen 2, lid 2, a en f, en artikel 59, lid 1, van het BEU-Verdrag door de nationale behandeling te ontzeggen aan de eiseres. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
- De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Christine Matray en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 22 juni 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070622.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060223.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div