id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070622.4 Rolnummer: F.05.0029.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2007-07-18 Raadplegingen: 612 - laatst gezien 2026-07-04 03:35 Versie(s): Vertaling FR Fiche Wanneer de oorspronkelijke aanslag nietig werd verklaard wegens miskenning van een wettelijke regel bij beslissing van de directeur der belastingen of van de door hem gedelegeerde ambtenaar, moet de nieuwe aanslag gevestigd worden binnen de termijn van drie maanden, welke termijn een aanvang neemt op het ogenblik dat de termijn van veertig dagen om tegen die beslissing een voorziening in te stellen, is verstreken; daarbij moet niet worden onderzocht of de belastingplichtige een belang heeft om op te komen tegen de vernietiging van de oorspronkelijke aanslag
(1).
(1)Zie Cass., 30 juni 2003, AR nr F.02.0048.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030630.10, www.cass.be. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslagtermijnen UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Aanslag - Algemeen Vrije woorden: Oorspronkelijke aanslag - Nietigverklaring bij directoriale beslissing - Nieuwe aanslag - Termijn van drie maanden - Aanvangsdatum Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 26-02-1964 - Artt. 260 en 280 Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Artt. 355 en 379 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Tekst van de beslissing Nr. F.05.0029.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op verzoek van de Gewestelijk directeur der belastingen te Antwerpen II, met kantoren te 2000 Antwerpen, Tabakvest 50, eiser, tegen
- B.A., en zijn echtgenote,
- F.B., verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 21 december 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift drie middelen aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 260 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1964, zoals van toepassing voor de aanslagjaren 1985 en 1986 en artikel 355 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 zoals van toepassing op 25 maart 1992; - de artikelen 260 en 280 van het WIB 1964 en de artikelen 355 en 379 van het WIB 1992 en voor zoveel nodig, artikel 50 van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest stelt het volgende. Beide betwiste aanslagen zijn met toepassing van artikel 260 WIB
(1964)en 355 WIB
(1992)gevestigd (ingekohierd) op 25 maart 1992 ingevolge de nietigverklaring van de aanslagen artikelen 745204 en 8704345 bij directoriale beslissing van 10 december 1991. Blijkens voornoemde beslissing werden de betwiste aanslagen NIETIG verklaard omwille van de willekeurige vaststelling van de uitgaven voor het levensonderhoud (schending van artikel 247 WIB
(1964). Krachtens artikel 260 WIB
(1964)en 355 WIB
(1992)kan de administratie, wanneer een aanslag nietig is verklaard omdat hij niet werd gevestigd overeenkomstig een wettelijke regel, met uitzondering van een regel betreffende de prescriptie, zelfs wanneer de voor het vestigen van de aanslag gestelde termijn verlopen is, een nieuwe aanslag ten name van dezelfde belastingschuldige en op grond van dezelfde belastingelementen of op een gedeelte ervan vestigen, binnen drie maanden van de datum van waarop de beslissing van de directeur der belastingen of van de door hem gedelegeerde ambtenaar niet meer vatbaar is voor een voorziening als bedoeld in de artikelen 278 tot 286 WIB
(1964)en 377 tot 385 WIB
(1992). Krachtens artikel 280 WIB
(1964)en 379 WIB
(1992)kan een voorziening tegen de beslissing van de directeur rechtsgeldig worden ingesteld binnen een termijn van 40 dagen te rekenen vanaf de kennisgeving van de beslissing. Deze termijn is voorgeschreven op straffe van verval. Gelet op voornoemde bepalingen, dient de nieuwe - vervangende - aanslag te worden gevestigd binnen een termijn van 3 maanden volgend op het verstrijken van de 40-dagen termijn tot voorziening. Uit de lezing van de directoriale beslissing van 10 december 1991 blijkt evenwel overduidelijk dat de aanslagen met betrekking tot de aanslagjaren 1985 en 1986 werden vernietigd, wat onmiskenbaar uitwijst dat zij vanaf dan onbestaande zijn. Dat dienvolgens de verweerders, ingevolge de vernietiging der aanslagen, terzake geen enkel belang - bedoeld in de artikelen 17 en 18 Ger. W. - hadden om tegen de voornoemde directoriale beslissing enige voorziening in te stellen. Dat dergelijke voorziening immers bij gebrek aan belang, onontvankelijk zou zijn. Zij konden immers enkel een geldige voorziening instellen én een belang doen gelden indien de beslissing hun bezwaren enkel op grond van strijdigheid met de wet had ingewilligd, terwijl in werkelijkheid een grond tot prescriptie aanwezig was, quod non in casu. Gelet op voorgaande vaststellingen, was de directoriale beslissing van 10 december 1991 in hoofde van de verweerders niet ¿vatbaar¿ voor een geldige voorziening, en de termijn voor hertaxatie nam derhalve een aanvang op 22 december 1991 en verstreek aldus op 11 maart 1992. De stelling van de eiser kan in theorie juist zijn, doch dit standpunt zou ertoe kunnen leiden de verweerder te verplichten een geheel ontoelaatbare voorziening in te stellen of een termijn te doen respecteren die door de vernietiging van de aanslagen geheel zinloos wordt. Bijgevolg beslist het bestreden arrest dat de op 25 maart 1992 ingekohierde aanslagen laattijdig zijn en door prescriptie zijn getroffen. Grieven Eerste middel Schending van artikel 260 WIB
(1964)en artikel 355 WIB
(1992)Artikel 260 WIB
(1964)zoals van toepassing op de aanslagjaren 1985 en 1986 bepaalt dat ¿wanneer een aanslag nietig is verklaard omdat hij niet werd gevestigd overeenkomstig een wettelijke regel, met uitzondering van een regel betreffende de prescriptie, de administratie, zelfs wanneer de voor het vestigen van de aanslag gestelde termijn reeds verlopen is, ten name van dezelfde belastingschuldige, op grond van dezelfde belastingelementen of op een gedeelte ervan, een nieuwe aanslag kan vestigen, zulks hetzij binnen drie maanden van de datum van waarop de beslissing van de directeur der belastingen of van de door hem gedelegeerde ambtenaar niet meer vatbaar is voor een voorziening als bedoeld in de art. 278 tot 286 WIB
(64), hetzij binnen zes maanden van de datum waarop de rechterlijke beslissing niet meer vatbaar is voor de voorzieningen als bedoeld bij de artikelen 288 tot 292 WIB
(64)¿. Deze tekst is van toepassing sinds 11 augustus 1972 (artikelen 6 en 34, §1, van de Wet van 30 mei 1972, BS van 11 augustus 1972) Artikel 355 WIB
(1992)zoals van toepassing op 25 maart 1992 bepaalt dat ¿wanneer een aanslag nietig is verklaard omdat hij niet werd gevestigd overeenkomstig een wettelijke regel, met uitzondering van een regel betreffende de prescriptie, de administratie, zelfs wanneer de voor het vestigen van de aanslag gestelde termijn reeds verlopen is, ten name van dezelfde belastingschuldige, op grond van dezelfde belastingelementen of op een gedeelte ervan, een nieuwe aanslag kan vestigen, zulks hetzij binnen drie maanden van de datum van waarop de beslissing van de directeur der belastingen of van de door hem gedelegeerde ambtenaar niet meer vatbaar is voor een voorziening als bedoeld in de artikelen 377 tot 385 WIB
(1992), hetzij binnen zes maanden van de datum waarop de rechterlijke beslissing niet meer vatbaar is voor de voorzieningen als bedoeld bij de artikelen 387 tot 391 WIB
(1992)¿. Uit de parlementaire stukken met betrekking tot die wetsbepaling volgt dat de bewoordingen ¿binnen drie maanden van de datum waarop de beslissing van de directeur der belastingen (...) niet meer vatbaar is voor de voorzieningen als bedoeld bij de artikelen 278 tot 286 WIB
(1964)en 377 tot 385 WIB
(1992)¿ dezelfde draagwijdte hebben als de bewoordingen ¿binnen drie maanden na de datum van de definitieve beslissing van de directeur der belastingen¿. De memorie van toelichting van 18 januari 1971 aan de Senaat bij het ontwerp van wet tot aanpassing van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen aan het Gerechtelijk Wetboek stelt immers in zijn commentaar bij artikel 6 van het ontwerp het volgende: ¿Artikel 260 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen bepaalt dat wanneer een aanslag nietig is verklaard omdat hij niet werd gevestigd overeenkomstig een wettelijke regel, met uitzondering van een regel betreffende de prescriptie, de administratie ten name van dezelfde belastingplichtige een nieuwe aanslag kan vestigen, zulks hetzij binnen drie maanden na de datum van de definitieve beslissing van de directeur der belastingen, hetzij binnen zes maanden na de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing. Krachtens artikel 28 van het Gerechtelijk Wetboek gaat iedere beslissing ¿in kracht van gewijsde zodra zij niet meer voor verzet of hoger beroep vatbaar is, behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt en onverminderd de gevolgen van de buitengewone rechtsmiddelen'. Om elke dubbelzinnigheid te vermijden met betrekking tot de in artikel 260 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen voorkomende uitdrukkingen ¿definitieve beslissing van de directeur der belastingen' en ¿kracht van gewijsde', lijkt het raadzaam die woorden in de tekst te schrappen en te verduidelijken dat de nieuwe aanslag mag worden gevestigd hetzij binnen drie maanden vanaf de datum waarop de beslissing van de directeur der belastingen niet meer vatbaar is voor een voorziening als bedoeld bij de artikelen 278 tot 287 van hetzelfde wetboek, hetzij binnen zes maanden van de datum waarop de rechterlijke beslissing niet meer vatbaar is voor de voorzieningen als bedoeld bij de artikelen 288 tot 292 van hetzelfde wetboek¿. Welnu een beslissing van de directeur der belastingen is pas definitief wanneer de belastingplichtige de termijn van veertig dagen laat verstrijken van artikel 280 WIB
(1964), en 379 WIB
(1992), termijn waarbinnen hij principieel de mogelijkheid heeft om tegen die beslissing een verzoekschrift in hoger beroep in te stellen. Waar artikel 260 WIB
(1964)en artikel 355 WIB
(1992)verwijst naar ¿de voorzieningen als bedoeld bij de artikelen 278 tot 286 WIB
(1964)en artikel 377 tot 385 WIB
(1992)¿, doelt het op de voorzieningen in beroep waaromtrent artikel 1397 van het Gerechtelijk Wetboek preciseert dat ¿(...) verzet en hoger beroep tegen eindvonnissen de tenuitvoerlegging schorsen¿, zodat de directoriale beslissing waartegen een dergelijke voorzieningen openstaan op grond van artikel 278 WIB
(1964)en artikel 377 WIB
(1992), pas volle uitvoerbare kracht kan verkrijgen dan bij het verstrijken van de in artikel 280 WIB
(1964)en artikel 379 WIB
(1992)vastgestelde beroepstermijn, namelijk een termijn van veertig dagen te rekenen van de kennisgeving van de directoriale beslissing, bij een ter post aangetekende brief aan de belastingschuldige. Daaruit volgt dat, krachtens artikel 260 WIB
(1964)en artikel 355 WIB
(1992)¿de termijn van 3 maanden te rekenen vanaf de datum waarop de directoriale beslissing niet meer vatbaar is voor de voorziening als bedoeld bij de artikelen 278 tot 286 WIB
(1964)en artikel 377 tot 385 WIB
(1992), niet kan ingaan vanaf de kennisgeving van de beslissing van de gewestelijke directeur, zoals het bestreden arrest beslist, maar pas bij het verstrijken van de in artikel 280 WIB
(1964)en artikel 379 WIB
(1992)vastgestelde termijn van 40 dagen. Dit is de juiste draagwijdte van het ¿niet meer vatbaar zijn voor ...¿ waarvan artikel 260 WIB
(1964)en artikel 355 WIB
(1992)spreekt. In zijn arrest van 30 mei 1997 met nummer F.95.0015.N heeft het Hof overigens reeds beslist dat een beslissing van de directeur die ontheffing geeft van belastingen in de regel vatbaar is voor hoger beroep van de belastingplichtige en dat het arrest dat zulks beslist en hieruit afleidt dat de termijn van artikel 260 WIB
(1964)niet aanving de dag van de uitspraak, artikel 260 WIB
(1964)en de artikelen 2, 6, 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek niet schendt. Door te beslissen dat de op 25 maart 1992 ingekohierde aanslagen laattijdig zijn en door prescriptie getroffen schendt het bestreden arrest artikel 260 WIB
(1964)en artikel 355 WIB
(1992). (¿) III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Artikel 260 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964), zoals het van toepassing is voor de aanslagjaren 1985 en 1986, bepaalt dat wanneer een aanslag nietig is verklaard omdat hij niet werd gevestigd overeenkomstig een wettelijke regel, met uitzondering van een regel betreffende de prescriptie, de administratie, zelfs wanneer de voor het vestigen van de aanslag gestelde termijn reeds verlopen is, ten name van dezelfde belastingschuldige, op grond van dezelfde belastingelementen of op een gedeelte ervan, een nieuwe aanslag kan vestigen, zulks hetzij binnen drie maanden van de datum waarop de beslissing van de directeur der belastingen of van de door hem gedelegeerde ambtenaar niet meer vatbaar is voor een voorziening als bedoeld bij de artikelen 278 tot 286, hetzij binnen zes maanden van de datum waarop de rechterlijke beslissing niet meer vatbaar is voor de voorzieningen als bedoeld bij de artikelen 288 tot 292. 2. Krachtens artikel 280 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964)kan een voorziening tegen de beslissing van de directeur rechtsgeldig worden ingesteld binnen een termijn van 40 dagen te rekenen vanaf de kennisgeving van de beslissing. 3. Uit de voormelde wetsbepalingen volgt dat de termijn voor het vestigen van een nieuwe aanslag een aanvang neemt op het ogenblik dat de termijn bedoeld in artikel 280 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964)is verstreken. Daarbij moet niet worden onderzocht of de belastingplichtige een belang heeft om op te komen tegen de vernietiging van de oorspronkelijke aanslag.
- Het bestreden arrest overweegt dat te dezen uit de lezing van de directoriale beslissing van 10 december 1991 overduidelijk blijkt dat de aanslagen met betrekking tot de aanslagjaren 1985 en 1986 werden vernietigd, wat onmiskenbaar uitwijst dat zij vanaf dan onbestaande zijn en dat dienvolgens de verweerders, ingevolge de vernietiging der aanslagen, terzake geen enkel belang, bedoeld in de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek, hadden om tegen de voornoemde directoriale beslissing enige voorziening in te stellen. Dergelijke voorziening zou immers bij gebrek aan belang, onontvankelijk zijn. Het bestreden arrest besluit dat de directoriale beslissing van 10 december 1991 in hoofde van de verweerders niet ¿vatbaar¿ was voor een geldige voorziening, en dat derhalve de termijn voor hertaxatie een aanvang nam op 22 december 1991 en aldus verstreek op 11 maart
- Het middel is gegrond. Overige grieven
- De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het de voorziening van de verweerders toelaatbaar verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Christine Matray en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 22 juni 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070622.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210517.3F.5 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231221.1N.8 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250509.1N.8 precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030630.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div