id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070622.6 Rolnummer: C.05.0514.N Rechtsgebied: Bestuursrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-07-19 Raadplegingen: 727 - laatst gezien 2026-07-03 22:55 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070622.6 Fiche 1 Een rijksweg, een gewestweg, een provincieweg of een gemeenteweg, op de plaats waar die door een spoorweg wordt gekruist, verliest, door het feit zelf van zijn nieuwe bestemming, op die kruising zijn oorspronkelijke aard en maakt integrerend deel uit van de spoorweg, zijnde de grote weg; het enkele feit van een bovengrondse kruising van de spoorweg met een daaronder gelegen rijksweg, gewestweg, provincieweg of gemeenteweg heeft op de plaats van die kruising niet de inlijving tot gevolg van de lager gelegen weg, ook al steunt de bovengrondse kruising op een bouwwerk dat rust op de lager gelegen weg
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: WEGEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - KABELS EN LEIDINGEN Vrije woorden: Rijksweg - Gewestweg - Provincieweg - Gemeenteweg - Spoorweg - Bovengrondse kruising - Bestemming Wettelijke bepalingen: Wet - 17-01-1938 - Enig art., laatste lid - 30 ELI link Pub nr 1938011750 Wet - 09-08-1948 - Art. 7, eerste lid Wet - 25-07-1891 - Art. 1 Fiches 2 - 3 Het laatste lid van het enig artikel van de wet van 17 januari 1938, dat de Staat, de provinciën en de gemeenten het recht geeft om op hun domein de inrichting te doen wijzigen op kosten van de aanneming die de aanleg heeft gedaan, o.m. in het belang van de wegen, betreft zowel het openbaar als het privé-domein van die overheden maar vindt geen toepassing met betrekking tot een eigendom die niet aan een van hen toebehoort; uit die bepaling volgt dat een overheid, ten aanzien van een onroerend goed dat niet tot zijn domein behoorde, na de onteigening ervan het recht verkrijgt om zich in voorkomend geval op die bepaling te beroepen
(1).
(1)Zie Cass., 17 jan. 1992, AR 7400, nr
- Het O.M. kwam, na kennis genomen te hebben van de anticipatieve pleitnota en de replieknota van eiseres, terug op zijn eerdere schriftelijke conclusie, in zoverre het de door de verweerster opgeworpen gronden van niet-ontvankelijkheid aannam; het concludeerde mondeling tot de verwerping van die gronden, omdat ze het Hof zouden verplichten tot een onderzoek van feiten (o.m. of de nutsleidingen van eiseres inderdaad niet dienstig waren voor gasvervoer), alsook tot gegrondheid van beide onderdelen (wat het tweede betreft, om dezelfde redenen als deze in de schriftelijke conclusie in de eerste zaak ontwikkeld). Thesaurus CAS: OPENBAAR DOMEIN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - KABELS EN LEIDINGEN Vrije woorden: Inrichting - Wijziging - Belang van de wegen - Begrip - Onteigening Wettelijke bepalingen: Wet - 17-01-1938 - Enig art., laatste lid - 30 ELI link Pub nr 1938011750 Thesaurus CAS: ENERGIE UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - KABELS EN LEIDINGEN Vrije woorden: Openbaar domein - Inrichting - Wijziging - Begrip - Wegen - Belang - Onteigening Wettelijke bepalingen: Wet - 17-01-1938 - Enig art., laatste lid - 30 ELI link Pub nr 1938011750 Fiches 4 - 6 Concl. adv.-gen. DUBRULLE, Cass., 22 juni 2007, AR C.05.0514.N - C.05.0518.N, A.C., 2007, nr ... Thesaurus CAS: WEGEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - KABELS EN LEIDINGEN Vrije woorden: Rijksweg - Gewestweg - Provincieweg - Gemeenteweg - Spoorweg - Bovengrondse kruising - Bestemming Thesaurus CAS: OPENBAAR DOMEIN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - KABELS EN LEIDINGEN Vrije woorden: Inrichting - Wijziging - Belang van de wegen - Begrip - Onteigening Thesaurus CAS: ENERGIE UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - KABELS EN LEIDINGEN Vrije woorden: Openbaar domein - Inrichting - Wijziging - Begrip - Wegen - Belang - Onteigening Tekst van de beslissing Nr. C.05.0514.N INTERGEMEENTELIJK SAMENWERKINGSVERBAND ONDER DE VORM VAN EEN OPDRACHTHOUDENDE VERENIGING ANTWERPSE WATERWERKEN, met zetel te 2018 Antwerpen, Mechelsesteenweg 64, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Pierre van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 106, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen N.M.B.S. HOLDING, publiekrechtelijke naamloze vennootschap, met zetel te 1060 Brussel, Frankrijkstraat 85, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. II. C.05.0518.N INTERCOMMUNALE GASVOORZIENING VAN ANTWERPEN EN OMGEVING, opdrachthoudende vereniging, met zetel te 2000 Antwerpen, Stadhuis, Grote Markt 1, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen N.M.B.S. HOLDING, publiekrechtelijke naamloze vennootschap, met zetel te 1060 Brussel, Frankrijkstraat 85, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen C.05.0514.N en C.05.0518.N zijn gericht tegen het arrest, op 28 juni 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Ant¬werpen. Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN Zaak C.05.0514.N De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 1 (enig artikel), zevende lid, van de wet van 17 januari 1938 tot regeling van het gebruik door de openbare besturen, de verenigingen van gemeenten en de concessiehouders van openbare diensten of van diensten van openbaar nut, van de openbare domeinen van den Staat, van de provinciën en van de gemeenten, voor het aanleggen en het onderhouden van leidingen en inzonderheid van gas- en waterleidingen; - artikel 1 van de wet van 25 juli 1891 houdende herziening der wet van 15 april 1843 op de politie der spoorwegen; - artikel 7, eerste en tweede lid, van de wet van 9 augustus 1948 houdende wijziging van de wetgeving inzake wegen. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest veroordeelt de eiseres om aan de verweerster de som van 476.510,99 euro, meer intresten, te betalen en verwerpt de stelling van de eiseres, volgens dewelke de verweerster niet de bevoegdheid had om de verplaatsing van de waterleidingen van de eiseres te bevelen, dit gezien er in casu geen sprake kan zijn van een toepassing van de interceptieleer omdat de nieuwe spoorweg die de verweerster bouwde niet de Groenendaallaan, waarin de waterleidingen zich bevonden, gelijk¬gronds kruist maar bovengronds, namelijk met een brug over de Groenendaallaan. Het bestreden arrest verwerpt dit verweer met het volgend motief: ¿Dat de eenheid van beheer van de wegen er zich tegen verzet dat de interceptieleer tot de gelijkgrondse kruisingen zou worden beperkt. Dat de interceptie van een andere weg derhalve ook dient te worden aangenomen in geval van bovengrondse of ondergrondse kruising¿. Grieven Uit de samenhang van de in onderhavig middel vermelde wetsbepalin¬gen, aangehaald in het bestreden arrest, volgt dat een weg, op de plaats waar hij wordt gekruist door een nieuwe spoorweg (zijnde een grote weg) die wordt aange¬legd, door het feit zelf van zijn nieuwe bestemming zijn oorspronkelijke aard verliest en voortaan integrerend deel uitmaakt van de spoorweg (de grote weg) waarin hij wordt opgenomen. Dit veronderstelt een gelijkgrondse kruising, daar zonder een dergelijke kruising het deel van de weg dat gekruist wordt door een spoorweg niet integrerend deel kan uitmaken van de spoorweg en niet door de spoorweg kan worden opgeno¬men of ingelijfd. Zoals gesteld door de eiseres in haar syntheseconclusie en niet tegengespro¬ken door het bestreden arrest (integendeel: zie 20 overweging op p. 4) bevonden de te verplaatsen waterleidingen van de eiseres zich in de Groenendaallaan en werd die laan overkoepeld door de nieuwe spoorweg bij middel van een brug (de HST-brug). De eiseres stelde in haar syntheseconclusie dat de interceptieleer geen toepassing kan vinden omdat het gedeelte van de Groenendaallaan onder de HST-brug niet ingelijfd of geïncorporeerd wordt in het spoorwegdomein (p. 4 van de syntheseconclusie van de eiseres) met als gevolg dat de verweerster niet de bevoegdheid had om op grond van de wet van 17 januari 1938 de verplaatsing van de waterleidingen te bevelen. Door te oordelen ¿dat de eenheid van beheer van de wegen er zich tegen verzet dat de interceptieleer tot de gelijkgrondse kruisingen zou worden beperkt¿ en ¿dat de interceptie van een andere weg derhalve ook dient te worden aangenomen in geval van bovengrondse of ondergrondse kruising¿ en op basis hiervan de interceptieleer toe te passen en te beslissen dat de verweerster op grond van de wet van 17 januari 1938 de bevoegdheid had de verplaatsing van de waterleidingen op kosten van de eiseres te bevelen, schendt het bestreden arrest de bij de aanvang van het middel vermelde wetsbepalingen. Zaak C.05.0518.N De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 1 (enig artikel), zevende lid, van de wet van 17 januari 1938 tot regeling van het gebruik door de openbare besturen, de verenigingen van gemeenten en de concessiehouders van openbare diensten of van diensten van openbaar nut, van de openbare domeinen van de Staat, van de provinciën en van de gemeenten, voor het aanleggen en het onderhouden van leidingen en inzonderheid van gas- en waterleidingen; - artikel 4 van de wet van 23 juli 1926 tot oprichting van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 30 september 1992 houdende goedkeuring van het eerste beheerscontract van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen en tot vaststelling van maatregelen met betrekking tot deze Maatschappij; - artikel 156, 2°, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, zoals van toepassing voor de wijziging bij koninklijk besluit van 19 oktober 2004 houdende sommige maatregelen voor de reorganisatie van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen; - artikel 1 van de wet van 25 juli 1891 houdende herziening der wet van 15 april 1843 op de politie der spoorwegen; - artikel 7 van de wet van 9 augustus 1948 houdende wijziging van de wetgeving inzake wegen. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de eiseres ongegrond, bevestigt de bestreden vonnissen a quo in al hun beschikkingen ten aanzien van de eiseres, en zegt aldus voor recht dat de eiseres gehouden is tot aanpassing en/of verplaatsing van de nutsleidingen en/of installaties overeenkomstig de bevelen tot verplaatsing die haar door de verweerster werden bete¬kend onder meer bij aangetekend schrijven tegen ontvangstbewijs dd. 24 maart 1999, of die de verweerster nog zullen worden betekend, dat het de eiseres niet toegelaten is ter financiering van de aanpassings- of verplaatsingskosten nog voorschotten aan te rekenen aan de verweerster, en veroordeelt de eiseres tot terugbetaling van de door de verweerster reeds uitbetaalde voorschotten, te weten een bedrag van 697.876,72 euro, meer de moratoire intresten aan de wette¬lijke intrestvoet vanaf 6 oktober 1999 tot de datum van de dagvaarding en met de gerechtelijke intresten gelijk aan de wettelijke intrestvoet vanaf de dagvaarding tot de dag der volledige betaling, en dit op volgende gronden: ¿
- Feiten, retroacten, eis en verweer in hoger beroep: 1.1.- De Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, (de verweerster), is reeds enkele jaren bezig met de aanleg van een hogesnelheidslijn. Het Belgische HSL-net maakt deel uit van het Noord-Europese PK¬BAL-project, dat erop is gericht een snelle treinverbinding tussen de steden Parijs, Keulen, Brussel, Amsterdam en Londen (PKBAL) te ontwikkelen. De betrokken spoorwegmaatschappijen kregen op een conferentie van de mi¬nisters van Verkeer in Den Haag op 21 november 1989 o. a. de opdracht om nieuwe infrastructuren aan te leggen en/of bestaande infrastructuren aan te passen. Het Belgische HSL-net beslaat in totaal 314 km verdeeld over drie takken: de westelijke tak (tussen de Franse grens en Brussel), de noordelijke tak (tussen Brussel en de Nederlandse grens) en de oostelijke tak (tussen Brussel en de Duitse grens). 1.2.- De uitvoering van deze werken maakt het op diverse plaatsen de aanpassing en/of verplaatsing nodig van bestaande installaties en netleidingen van respectievelijk water-, elektriciteit-, tele-, gas- en telefoondistributie. Tussen de NMBS en de nutmaatschappijen ontstond betwisting over de vraag wie de kosten dient te dragen van deze verplaatsing. Voor de westelijke tak (reeds ingehuldigd in december 1997) waren de nutmaatschappijen enkel bereid zelf de kosten te dragen voor de verplaatsingen van leidingen gelegen in het NMBS-domein. Het directiecomité besliste op 14 juni 1993 voor de projecten P1 en P2 op de westelijke tak bepaalde kosten van concessiehouders ten laste te nemen. Voor de verplaatsingen op de oostelijke en noordelijke tak kon geen akkoord worden bereikt tussen de NMBS en de nutmaatschappijen. Het directiecomité van de NMBS besliste op 1 december 1997 de geraamde en goedgekeurde bedragen onder alle voorbehoud aan de nutmaatschappijen te pre-financieren evenwel uitdrukkelijk slechts als voorschot, onder alle voorbehoud en zonder afstand van recht noch geding met betrekking tot de latere volledige recuperatie van de gefactureerde bedragen en integraal herstel van de geleden schade via rechtsprocedures. 1.3.- Tussen de NMBS enerzijds, en de opdrachthoudende vereniging Intercommunale Gasvoorziening van Antwerpen en Omgeving (in het kort ¿IGAO'), (de eiseres), en het Intergemeentelijk samenwerkingsverband onder de vorm van een opdrachthoudende vereniging Antwerpse Waterwerken (in het kort ¿AWW'), tweede geïntimeerde, anderzijds, ontstond een betwisting met betrekking tot de verplaatsing- en aanpassingskos¬ten in Antwerpen op de as Brussel-Amsterdam (P7), onder meer voor het deel vak Antwerpen Albertkanaal - Havanastraat en het sporencomplex Luchtbal-stopplaats Groenendaallaan (gekend als ¿Project 7321' werken burgerlijke bouwkunde). De aanbestedingsprocedure begon in juni 1999 om de werken te kunnen starten in november
- In opdracht van de NMBS bracht de NV Tuc Rail, gedelegeerd bouwheer voor de Belgische hogesnelheidslijn, vooraf in overleg en samenspraak met de bevoegde diensten van beide nutmaatschappijen de noodzakelijke wijzigingen in kaart voor een totaal geraamde kostprijs van 1.635.504,38 euro (65.976.083 BEF). Wat AWW betreft, diende in een eerste fase de waterleiding DN 500 ST gelegen in de as van het noordelijk rijvak van de Groenendaallaan over een lengte van ca. 80 meter verplaatst te worden voor het bouwen van de brugondersteuning en voor een nieuwe HSL-spoorwegbrug ten oosten van de bestaande spoorwegbrug. Deze werken werden effectief uitgevoerd in januari
- In een tweede fase diende ook de waterleiding DN 800 tussen het Albertkanaal en de Groenendaallaan gelegen aan de voet van het talud van de NMBS te worden verplaatst om de HSL-sporen aan de westkant van de bestaande lij¬nen te kunnen aanleggen. Wat (de eiseres) betreft, diende bij de aanvang van de werken de stalen gasleiding D500 over een lengte van ca. 1550 meter te worden verplaatst tussen het Oude Schijn en de kruising van de gasleiding ten oosten van de collector van Aquafin. Ook deze werken werden reeds in maart 2000 uitgevoerd. 1.4.- Bij aangetekend schrijven van 24 maart 1999 deelde de NMBS aan beide nutmaatschappijen ieder afzonderlijk de uit te voeren wijzigingen mede. Telkens met verwijzing naar de volgens de NMBS terzake geldende wetgeving (Wet van 17 januari 1938), werd medegedeeld dat de aanpassings- en verplaatsingswerken op kosten van de nutmaatschappijen dienden te worden uitgevoerd, gezien het gaat om noodzakelijke wijzigingen aan het openbaar do¬mein dat de NMBS beheert in het openbaar belang, het belang van de openbare dienst en de openbare wegen. In het verplaatsingsbevel van 24 maart 1999 werden beide nutmaatschappijen uitgenodigd om binnen een termijn van 30 kalenderdagen zonder voorbehoud hun formeel akkoord te betuigen met de uitvoering van de werken. De NMBS bekwam dit akkoord niet zoals gevraagd en verklaarde zich - conform voormelde beslissing van het directiecomité van 1 december 1997 - bereid om de geraamde kosten aan de beide nutmaatschappijen te vergoeden (pré-financie¬ren). 1.5.- Dit werd ook medegedeeld aan AWW bij brief van 12 mei
- De aanvankelijke raming van 63.460,74 euro (2.560.000 BEF) voor de eerste fase (verplaatsing van de aanvoerleiding DN 500 ST) werd bij brief van 10 de¬cember 1999 begroot op 163.465,45 euro (6.594.180 BEF) en goedgekeurd. Na uitvoering van de werken in januari 2000 werd aan AWW vervolgens op 21 januari 2000 reeds een voorschot betaald ten bedrage van 163.465,45 euro (6.594.180 BEF) volgens voorschotfactuur van 2 december
- Later ontving de NMBS terugbetaling van een bedrag van 23.709,58 euro (956.442 BEF) volgens creditnota nr. 9600042/00823 van 9 juni 2000 van AWW en betaalde de NMBS nog een factuur van 29 januari 2003 op 28 maart
- 1.6.- Tegenover (de eiseres) werd bij brief van 11 mei 1999 hetzelfde standpunt ingenomen. In diezelfde brief werd meteen ook de ingediende raming ten be¬drage van 811.312,30 euro (32.728.257 BEF) voor de verplaatsing van de stalen gasleiding 0500 goedgekeurd. Ook aan (de eiseres) werden op 6 oktober 1999 de geraamde kosten als voorschot betaald volgens voorschotfactuur van 28 mei
- Later ontving de NMBS terugbetaling van een bedrag van 113.435,58 euro (4.575.980 BEF) volgens creditnota nr. 25100203 van 6 april 2000 van (de eiseres).
- Ten aanzien van het recht 2.
- Ten gronde (¿) 2.2.2.- Dat de NMBS in het leven is geroepen bij wet van 23 juli 1926 tot oprichting van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen. Dat naar luid (van de oorspronkelijke tekst van) artikel 4 van deze wet de inbreng van de Staat bestaat in het genot en het recht tot exploitatie van het Staatsspoorwegnet, zoals dit net bestaat op de dag waarop de maatschappij wordt opgericht. Dat dit artikel 4 evenwel bij artikel 3 van het koninklijk besluit van 30 september 1992 tot goedkeuring van het eerste beheerscontract in de volgende zin werd gewijzigd: ¿De Staat draagt de eigendom van het Staatsspoorwegnet, met inbegrip van de Noord-Zuidverbinding, zonder vergoeding over aan de NMBS. Deze overdracht heeft van rechtswege plaats. Zij is zonder verdere formalitei¬ten tegenstelbaar aan derden vanaf de dag waarop dit artikel in werking treedt. De lijst van de goederen die het voorwerp van deze overdracht uitmaken, wordt, op voorstel van de NMBS bij koninklijk besluit vastgesteld. De NMBS neemt de rechten en verplichtingen van de Staat betreffende de haar krachtens dit artikel overgedragen goederen over, met inbegrip van de rechten en verplichtingen verbonden aan hangende en toekomstige gerechtelijke procedures (...)'. Dat de opdracht van openbare dienst er zich tegen verzet dat de NMBS thans na de overdracht van het staatsspoorwegnet minder rechten zou kunnen uitoefenen in het kader van de exploitatie en de verdere ontwikkeling van de spoorweginfrastructuur ten algemene nutte dan deze die voorheen onder de prerogatieven van de Belgische Staat vielen. Dat (de eiseres) derhalve niet kan worden gevolgd alwaar zij stelt dat de NMBS niet gemachtigd zou zijn om de verplaatsing van nutsleidingen te bevelen die zich niet op het haar oorspronkelijk overgedragen en onderscheidenlijk domein bevinden resp. op domein dat zij later ingevolge onteigening in het kader van de uitoefening van haar openbare dienst heeft verworven. 2.2.3.- Dat de spoorwegen tot het openbaar domein behoren. Dat dit voor de spoorwegen in concessie gegeven geldt, en zelfs voor de spoorwegen door particulieren aangelegd, om hun bedrijven met het spoorwegnet te verbinden. Dat eveneens tot het openbaar domein behoren de stations, de aanpalende parkeerplaatsen, de bestuursgebouwen, de verblijfsgebouwen voor het personeel binnen het stationsgebouw, perrons, opslagplaatsen, werkplaatsen, de hele signalisatie-uitrusting op de spoorwegen, eveneens de bruggen waarover de spoorwegen lopen (F. Van Neste, Zakenrecht, 1, Brussel, E. Story-Scientia, 1990, nr. 91 p. 171; Cass., 3 mei 1968, Arr. Cass., 1968, 1100, Pas., 1968, 1, 1033, RCJB., 1969, 5, met noot A. Mast). Dat de NMBS ingevolge de overname van de rechten en verplichtingen van de Belgische Staat een opdracht van openbare dienst uitoefent en zich derhalve mag beroepen op de bepalingen van de wet van 17 januari
- Dat artikel 1 (enig artikel), zevende lid, van de wet van 17 januari 1938 tot regeling van het gebruik door de openbare besturen, de verenigingen van gemeenten en de concessiehouders van openbare diensten of van diensten van openbaar nut, van de openbare domeinen van den Staat, van de provinciën en van de gemeenten, voor het aanleggen en het onderhouden van leidingen en inzonderheid van gas- en waterleidingen, het volgende bepaalt: ¿De Staat, de provinciën en de gemeenten hebben in alle geval het recht om de inrichting of het plan van een aanleg evenals de daarmede verband houdende werken later op hun onderscheidenlijk domein te doen wijzigen. Worden wijzigingen opgelegd hetzij om reden van de openbare veiligheid of tot behoud van natuurschoon, hetzij in het belang van de wegen, waterlopen, vaarten of van een openbare dienst, hetzij als gevolg van veranderingen welke de aangelanden aan de toegangen tot de eigendommen langsheen de gebezigde wegen hebben toegebracht, dan zijn de kosten der werken ten laste van de aanneming, die den aanleg heeft gedaan; in de andere gevallen komen ze ten laste van de overheid die de wijzigingen oplegt. Deze overheid mag vooraf een kostenbegroting eisen en, bij onenigheid, zelf tot de uitvoering der werken overgaan'. Dat luidens artikel 1 van de wet van 25 juli 1891 houdende herziening der wet van 15 april 1843 op de politie der spoorwegen de spoorwegen zijn ingedeeld in de grote wegenis. Dat, krachtens artikel 7, eerste lid, van de wet van 9 augustus 1948 houdende wijziging van de wetgeving inzake wegen, de Koning de grote wegen in genummerde trajecten mag indelen en er vakken van provincie- en gemeentewegen mag bij inlijven. Dat de betrokken bestendige deputatie en gemeenten vooraf gehoord worden, maar slechts wat betreft de bij bovenbe¬doelde trajecten ingelijfde provincie- en gemeentewegen of vakken ervan. Dat, krachtens het tweede lid van hetzelfde artikel, de Koning van ambtswege de inlijving zonder vergoeding mag voorschrijven bij de grote wegen van de Staat, van wegen of vakken van wegen, die niet tot de grote wegen behoren maar in de genummerde trajecten begrepen zijn. Dat uit de samenhang van deze bepalingen volgt dat een rijksweg, een gewestweg of een gemeenteweg op de plaats waar zij door een spoorweg worden gekruist, door het feit zelf van hun nieuwe bestemming hun oorspronkelijke aard verliezen en voortaan integrerend deel uitmaken of moeten worden geacht deel uit te maken van de spoorweg waarin zij worden opgenomen. Dat het verplaatsingsbevel op de plaats waar de spoorweg een andere weg kruist, tot de handelingen behoort die aan dit gedeelte van de andere weg zijn nieuwe bestemming geven. Dat de NMBS als beheerder van de spoorweg deze verplaatsing mag vorderen en niet vereist is dat de beheerder van de gekruiste weg vooraf werd gehoord (vgl. Cass., 13 juni 2003, A.R. C.00.0725.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030613.6). Dat de NMBS dan ook met het oog op de aanleg van een (nieuwe) spoorweg die een andere weg kruist de verplaatsing van de gas- en/of watergeleiding op de kruising mag vorderen (vgl. Cass., 10 oktober 1979, Arr. Cass., 1979/80, p. 183-185, Pas., 1980, 1, p. 197-199, R. W, 1980-81, kol. 1466/1474, met noot R. Quintens, J. T, 1981, p. 23, met noot D. Lagasse, ¿Du sort d'une route communale incorporée dans une route nationale en construction'). Dat de term ¿wegen' in artikel 13, derde lid, van de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening en in artikel 1, laatste lid, van de wet van 17 januari 1938 tot regeling van het gebruik door de openbare besturen, de verenigingen van gemeenten en de concessiehouders van openbare diensten of van diensten van openbaar nut, van de openbare domeinen van de Staat, van de provinciën en van de gemeenten, voor het aanleggen en het onderhouden van leidingen en inzonderheid van gas- en waterleidingen, het geheel van de voor het openbaar vervoer aangewende wegen bedoelt en niet enkel de wegen waarop de gasinrichtingen c.q. waterinrichtingen worden aangebracht, met uitsluiting van alle andere bestaande of nog aan te leggen openbare wegen (Cass., 20 april 1978, Arr. Cass., 1978, 11, p. 955-958, Pas., 1978, I, p. 937-949). Dat de NMBS derhalve wettelijk vermocht de verplaatsing van de water- resp. gasleidingen te vorderen. Dat de eenheid van beheer van de wegen er zich tegen verzet dat de interceptieleer tot de gelijkgrondse kruisingen zou worden beperkt. Dat de interceptie van een andere weg derhalve ook dient te worden aangenomen in geval van bovengrondse of ondergrondse kruising. Dat onder ¿belang van de wegen' bovendien dient te worden begrepen ¿het belang van de verkeerswegen in het algemeen', zonder beperking tot de wegen waar de te wijzigen of te verplaatsen leidingen gelegen zijn (Flamme, A., ¿De la rencontre de canalisations et de cables au cours de travaux publics', J. T, 1966, p. 116 nr. 24). Dat uit de vorenstaande consideransen eveneens volgt dat (de verweerster) zich terecht beroept op het belang van de wegen om de verplaatsingskosten ten laste van (de eiseres) en AWW te leggen en terugbetaling ervan te vorderen¿ (arrest pp. 2-5 en pp. 13-16). Grieven Eerste onderdeel
- De eiseres betwistte voor het hof van beroep dat de verweerster op grond van het enig artikel van de wet van 17 januari 1938 tot regeling van het gebruik door de openbare besturen, de verenigingen van gemeenten en de concessiehouders van openbare diensten of van diensten van openbaar nut, van de openbare domeinen van den Staat, van de provinciën en van de gemeenten, voor het aanleggen en het onderhouden van leidingen en inzonder¬heid van gas- en waterleidingen, met het verplaatsingsbevel van 24 maart 1999 de verplaatsing, op eiseres' kosten, kon bevelen van de gasleiding van de eiseres, toen gelegen op het domein van het Vlaams Gewest, en pas later aan de verweerster overgedragen. De eiseres verdedigde in dit verband niet alleen het standpunt dat de verweerster alleen wat betreft het haar oorspronkelijk door de Belgische Staat in 1992 overgedragen domein van de spoorwegen de verplaatsing kon bevelen van de gasleiding, maar ook dat de verweerster alleen de verplaatsing kon bevelen van de op haar ¿onderscheidenlijk¿ domein gelegen leidingen, in die zin dat de verweerster niet de verplaatsing kon bevelen van leidingen gelegen op of onder het domein van andere overheden. De eiseres voerde inzonderheid in dit verband in haar syntheseberoepsbesluiten aan: ¿Uit de studie van de liggingsplannen volgt duidelijk dat de litigieuze installatie van gasbedeling vóór de uitbreiding van het spoornet buiten het NMBS-domein domein gelegen was, m. n. onder later overgedragen domein. In dit verband kan gewezen worden op het feit dat (de verweerster), op pagina 34 (punt 14.1) van haar besluiten in hoger beroep het volgende schrijft: Uit het voorgelegd liggingsplan blijkt zeer duidelijk dat de stalen gasleiding D500 gelegen was tussen de Havanastraat en de Groenendaallaan, parallel met de spoorweg en de E19 op het domein van het Vlaams Gewest. Deze leiding diende te worden verplaatst over een lengte van ca. 1550 meter tussen het Oude Schijn en de kruising van de gasleiding ten oosten van de collector van Aquafin (...)'. De NMBS erkent dus zelf, door middel van haar besluiten, expressis verbis dat de gasleidingen, die verplaatst dienden te worden, buiten het oorspronkelijk en onderscheidenlijk NMBS-domein gelegen waren. De nutsleidingen bevonden zich met name op het domein van het Vlaams Gewest' (synthese-beroepsbesluiten eiseres p. 5, sub 4). ¿Benadrukt dient te worden dat de betrokken overheden slechts over dit recht op verplaatsing beschikken op hun eigen, onderscheidenlijk domein. Uit het dossier blijkt, het weze herhaald, dat de gasleidingen die verplaatst dienden te worden, buiten het oorspronkelijk en onderscheidenlijk NMBS-domein gelegen waren en dat (de verweerster) dit zelf, door middel van haar besluiten, expliciet erkent. De nutsleidingen bevonden zich met name onder pas later overgedragen domein' (syntheseberoepsbesluiten eiseres p. 14, sub 2 en 3). (De verweerster) stelt bijgevolg volledig onterecht dat ¿het meest essentiële criterium om uit te maken wie de verplaatsingskosten moet dragen niet de vraag is op wiens domein de te verplaatsen nutsleidingen gelegen zijn, maar wel de vraag of de opgelegde verplaatsingen al dan niet een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg zijn van werken die door een bepaalde overheid worden uitgevoerd aan het eigen domein in het belang van de weg en de openbare dienst' (besluiten hoger beroep (verweerster) dd. november 2004, p. 14, nr. 2.3). Met deze stelling legt (de verweerster) de precieze wettelijke bepalingen expliciet naast zich neer en doet zo wat zij aan (de eiseres) meent te moeten verwijten, m.n. het uithollen van de duidelijke regelgeving. De verplaatsing kan volgens de geldende wetgeving immers slechts bevolen worden door elke afzonderlijke overheid op diens eigen, onderscheidenlijk domein¿ (syntheseberoepsbesluiten eiseres, p. 17, sub 5).
- Zoals blijkt uit de vaststellingen van het vonnis a quo van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen van 11 december 2003, alsook uit de door de verweerster voor het hof van beroep genomen syntheseberoepsbesluiten, diende de gasleiding van de eiseres te worden verplaatst op percelen naast de E19 tussen de Groenendaallaan en de Havanastraat over een lengte van ongeveer 1.550 meter, lag de oude gasleiding parallel tussen de bestaande goederenlijn en de E19, diende met het oog op de uitbreiding deze leiding te worden verplaatst naar de andere kant van de spoorlijnen teneinde de goederenlijn te kunnen verplaatsen naar de E19 toe, en dienden ook ter hoogte van de spoorbruggen van de Groenendaallaan, waar langs beide zijden een spoorbrug werd bijgebouwd, onder die spoorbruggen, in de Groenendaallaan, werken te worden uitgevoerd om de verbinding mogelijk te maken tussen de oude gasleiding en de nieuwe gasleiding in de Argentiniënlaan, aan de andere kant van de spoorwegbedding (vonnis a quo dd. 11 december 2003, pp. 2-3; syntheseberoepsbesluiten verweerster, p. 37, sub 14.3). Uit de vaststellingen van hetzelfde vonnis en de vermelde syntheseberoepsbesluiten van de verweerster, blijkt ook dat bij koninklijk besluit van 13 oktober 1999 waarbij de onmiddellijke inbezitneming van sommige percelen, gelegen op het grondgebied van de Stad Antwerpen van algemeen nut verklaard (B.S. 14 december 1999), de percelen gelegen tussen de Havanastraat en de Groenendaallaan, nodig voor de verbreding van de spoorbedding en de bouw van nieuwe kunstwerken met het oog op de aanleg van de hogesnelheidslijn, werden onteigend (vonnis a quo van 11 december 2003, pp. 2-3; syntheseberoepsbesluiten verweerster, p. 36, sub 14.2).
- Het bestreden arrest stelt vast dat de verweerster bij verplaatsingsbevel van 24 maart 1999 de eiseres uitnodigde om binnen een termijn van 30 kalenderdagen, zonder voorbehoud haar formeel akkoord te betuigen met de uitvoering van de verplaatsingswerken, dat in ditzelfde schrijven de verweerster zich bereid verklaarde om de door de eiseres geraamde kosten van de verplaatsingswerken te pre-financieren, en dat op 6 oktober 1999 de geraamde kosten als voorschot werden betaald door de verweerster aan de eiseres (arrest p. 4, sub 1.4 en p. 5, sub 1.6.).
- Het bestreden arrest verwerpt zowel het verweer van de eiseres dat de verweerster alleen wat betreft het ¿oorspronkelijk¿ door de Staat in 1992 aan de verweerster overgedragen domein het verleggingsrecht van voornoemde de wet van 17 januari 1938 kan inroepen is het verweer van de eiseres dat de verweerster slechts wat betreft de nutsleidingen op haar eigen domein voornoemd verleggingsrecht kan inroepen. Het bestreden arrest oordeelt dat de eiseres niet kan worden gevolgd alwaar zij stelt dat verweerster niet gemachtigd zou zijn om de verplaatsing van nutsleidingen te bevelen die zich niet op het haar oorspronkelijk overgedragen en onderscheidenlijk domein bevinden, respectievelijk op domein dat zij later ingevolge onteigening in het kader van de uitoefening van haar openbare dienst heeft verworven. Het steunt deze beslissing op de overwegingen ¿dat de opdracht van openbare dienst er zich tegen verzet dat (de verweerster) thans na de overdracht van het staatsspoorwegnet minder rechten zou kunnen uitoefenen in het kader van de exploitatie en de verdere ontwikkeling van de spoorweginfrastructuur ten algemene nutte dan deze die voorheen onder de prerogatieven van de Belgische Staat vielen¿. Het bestreden arrest stelt niet vast, doch sluit ook niet uit dat, zoals door de eiseres aangevoerd, de te verplaatsen gasleiding - in zoverre gelegen op de percelen langs de E19 tussen de Groenendaallaan en de Havanastraat, parallel tussen de bestaande goederenlijn en de E19, en te verplaatsen naar de andere kant van de spoorlijnen teneinde de goederenlijn te kunnen verplaatsen naar de E19 toe - gelegen was op terreinen behorende tot het domein van het Vlaams Gewest, die slechts later, i.e. nadat de litigieuze verplaatsing werd bevolen, aan de verweerster, ingevolge onteigening, werden overgedragen.
- Het zevende lid van het enig artikel van de wet van 17 januari 1938 tot regeling van het gebruik door de openbare besturen, de verenigingen van gemeenten en de concessiehouders van openbare diensten of van diensten van openbaar nut, van de openbare domeinen van den Staat, van de pro¬vinciën en van de gemeenten, voor het aanleggen en het onderhouden van leidingen en inzonderheid van gas- en waterleidingen, bepaalt: ¿De Staat, de provinciën en de gemeenten hebben in alle geval het recht om de inrichting of het plan van een aanleg evenals de daarmede verband houdende werken later op hun onderscheidenlijk domein te doen wijzigen. Worden wijzigingen opgelegd hetzij om reden van de openbare veiligheid of tot behoud van natuurschoon, hetzij in het belang van de wegen, waterlopen, vaarten of van een openbaren dienst, hetzij als gevolg van veranderingen welke de aangelanden aan de toegangen tot de eigendommen langsheen de gebezigde wegen hebben toegebracht, dan zijn de kosten der werken ten laste van de aanneming, die den aanleg heeft gedaan; in de andere gevallen komen ze ten laste van de overheid die de wijzigingen oplegt. Deze overheid mag vooraf een kostenbegroting eisen en, bij onenigheid, zelf tot de uitvoering der werken¿. Naar luid van artikel 4 van de wet van 23 juli 1926 tot oprichting van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 30 september 1992 houdende goedkeuring van het eerste beheerscontract van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen en tot vaststelling van maatregelen met betrekking tot deze Maatschappij, draagt de Staat, ingevolge de oprichting van de NMBS als autonoom overheidsbedrijf, in uitvoering van titel V van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, ¿de eigendom van het Staatsspoorwegnet, met inbegrip van de Noord-Zuidverbinding, zonder vergoeding over aan de NMBS¿. Krachtens hetzelfde artikel neemt de NMBS de rechten en verplichtingen van de Staat over ¿betreffende de haar krachtens dit artikel overgedragen goederen¿. Luidens artikel 156, 2°, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, zoals van toepassing voor de wijziging bij koninklijk besluit van 19 oktober 2004 houdende sommige maatregelen voor de reorganisatie van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, heeft de NMBS als ¿opdrachten van openbare dienst¿, o.a. ¿het verwerven, de aanleg, het onderhoud, het beheer en de exploitatie van de infrastructuur¿. Onder infrastructuur moet, krachtens dezelfde wetsbepaling, worden verstaan ¿heel de spoorweguitrusting, de signalisatie, de voorziening van elektrische stroom evenals de grond waarop zij gelegen zijn¿. In zoverre de NMBS de Staat opvolgt put zij dezelfde rechten uit het enig artikel van de wet van 17 januari 1938 als de Staat voordien. Het verleggingsrecht dat krachtens het zevende lid van het enig artikel van de wet van 17 januari 1938, toekomt aan ¿de Staat, de provincies en de gemeenten¿ om de leidingen ¿op hun onderscheidenlijk domein¿ te doen wijzigen, vereist dat het domein waarop of waarin de te verplaatsen leiding ligt, toebehoort aan de overheid die de verplaatsing verzoekt. De Staat kon, toen hij nog eigenaar was van het staatsspoorwegnet, niet de verplaatsing bevelen, in het algemeen nut van de spoorinfrastructuur, van een gasleiding op kosten van de beheerder van deze leidingen, wanneer deze leiding niet gelegen was op het domein van de Staat. Wanneer deze leiding gelegen was op het domein van een andere overheid, diende deze overheid in te stemmen met de door de Staat voorgenomen werken aan de spoorinfrastructuur, en kon alleen deze overheid de verplaatsing bevelen van de leidingen op haar domein, desgevallend in het algemeen belang van de spoorwegen. Pas nadat de Staat eigenaar geworden was van de terreinen waarin de gasleiding is gelegen, weze het door onteigening of aankoop, kon de Staat zich beroepen op het verleggingsrecht van het zevende lid van het enig artikel van de wet van 17 januari 1938, omdat slechts dan de leiding gelegen was op zijn ¿onderscheidenlijk domein¿. Dezelfde beperking geldt voor de NMBS die zich, sinds voornoemde overdracht in 1992 van het spoorwegnet, op de toepassing van het zevende lid van het enig artikel van de wet van 17 januari 1938 kan beroepen. Wanneer, zoals te dezen door eiseres in conclusie aangevoerd, de gasleiding gelegen was op een niet aan de NMBS toebehorend domein, inzonderheid het domein van het Vlaamse Gewest, en deze gasleiding diende verplaatst te worden in het algemeen belang van de spoorwegen, kon alleen het Vlaams Gewest de verplaatsing bevelen, en kon de NMBS zelf alleen de verplaatsing bevelen op kosten van de eiseres nadat zijzelf de terreinen waarin de leiding lag, had verworven. De verplaatsing die, zoals te dezen, tussen de NMBS en de nutsmaatschappij ingevolge het verplaatsingsbevel van 24 maart 1999 werd overeengekomen met vergoeding van de door de nutsmaatschappij geraamde kosten, toen het domein waarin de gasleiding lag nog toebehoorde aan het Vlaams Gewest, en dus voordat het domein tot het ¿onderscheidenlijk do¬mein¿ van de NMBS behoorde, is geen verplaatsing waarvan eiseres de kosten diende te dragen in de zin van het zevende lid van het enig artikel van de wet van 17 januari 1938, doch een verplaatsing waarvan de NMBS de kosten dient te dragen omdat zij op 24 maart 1999 niet de vereiste hoedanigheid had tot het opleggen van de verplaatsing op kosten van de eiseres.
- Het bestreden arrest kon dienvolgens niet wettig aannemen dat de Belgische Staat vóór de overdracht van het Staatspoorwegnet, en de NMBS na de overdracht van dit net, gerechtigd waren de verplaatsing van de leiding te bevelen ook al bevond die zich niet op zijn/haar ¿onderscheidenlijk domein¿, niet wettig het verweer van de eiseres verwerpen dat slechts de verplaatsing op kosten van de nutsmaatschappij kon bevolen worden voor de leidingen gelegen op ¿het onderscheidenlijk domein¿ van de NMBS en derhalve op grond van de overwegingen, die het bevat en waaruit niet blijkt dat de te verplaatsen gasleiding op het ogenblik van het bevel van verplaatsing zich bevond in/op percelen die tot het domein van de verweerster behoren, niet wettig verweersters vordering lastens de eiseres inwilligen (schending van het zevende lid van het enig artikel van de wet van 17 januari 1938 tot regeling van het gebruik door de openbare besturen, de verenigingen van gemeenten en de concessiehouders van openbare diensten of van diensten van openbaar nut, van de openbare domeinen van den Staat, van de provinciën en van de gemeenten, voor het aanleggen en het onderhouden van leidingen en inzonderheid van gas- en waterleidingen, van artikel 4 van de wet van 23 juli 1926 tot oprichting van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 30 september 1992 houdende goedkeuring van het eerste beheerscontract van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen en tot vaststelling van maatregelen met betrekking tot deze Maatschappij, evenals van artikel 156, 2°, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, zoals van toepassing vóór de wijziging bij koninklijk besluit van 19 oktober 2004 houdende sommige maatregelen voor de reorganisatie van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen). Het bestreden vonnis kon vervolgens ook niet wettig voor recht zeggen dat de eiseres gehouden is tot aanpassing en/of verplaatsing van de nutsleidingen en/of installaties overeenkomstig het bevel tot verplaatsing dat haar door verweerster werd betekend bij aangetekend schrijven tegen ontvangstbewijs dd. 24 maart 1999 en niet wettig de kosten van de verplaatsing van de gasleiding lastens de eiseres leggen in zoverre de oude gasleiding gelegen was op percelen naast de E19 tussen de Groenendaallaan en de Havanastraat over een lengte van ongeveer 1.550 meter, en dit parallel tussen de bestaande goederenlijn en de E19 (schending van het zevende lid van het enig artikel van de wet van 17 januari 1938 tot regeling van het gebruik door de openbare besturen, de verenigingen van gemeenten en de concessiehou¬ders van openbare diensten of van diensten van openbaar nut, van de openbare domeinen van den Staat, van de provinciën en van de gemeenten, voor het aanleggen en het onderhouden van leidingen en inzonderheid van gas- en waterleidingen, van artikel 4 van de wet van 23 juli 1926 tot oprichting van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 30 september 1992 houdende goedkeuring van het eerste beheerscontract van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen en tot vaststelling van maatregelen met betrekking tot deze Maatschappij, en van artikel 156, 2°, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, zoals van toepassing vóór de wijziging bij koninklijk besluit van 19 oktober 2004 houdende sommige maatregelen voor de reorganisatie van de Nationale Maatschappij der Belgi¬sche Spoorwegen). Tweede onderdeel
- Naar luid van het te dezen op de gasleiding van de eiseres toepasselijke zevende lid van het enig artikel van de wet van 17 januari 1938 tot regeling van het gebruik door de openbare besturen, de verenigingen van gemeenten en de concessiehouders van openbare diensten of van diensten van openbaar nut, van de openbare domeinen van den Staat, van de provinciën en van de gemeenten, voor het aanleggen en het onderhouden van leidingen en inzonderheid van gas- en waterleidingen, hebben ¿de Staat, de provinciën en de gemeenten in alle geval het recht om de inrichting of het plan van een aanleg evenals de daarmede verband houdende werken later op hun onder¬scheidenlijk domein te doen wijzigen¿. Wanneer de wijzigingen worden opge¬legd ¿hetzij om reden van de openbare veiligheid of tot behoud van natuurschoon, hetzij in het belang van de wegen, waterlopen, vaarten of van een openbaren dienst, hetzij als gevolg van veranderingen welke de aangelanden aan de toegangen tot de eigendommen langsheen de gebezigde wegen hebben toegebracht', dan zijn de kosten van de werken ¿ten laste van de aanneming, die de aanleg heeft gedaan¿. In de andere gevallen komen de kosten ten laste van ¿de overheid die de wijzigingen oplegt¿. Ingevolge dit enig artikel van de wet van 17 januari 1938, kan de verplaatsing slechts bevolen worden op kosten van de exploitant van de te verplaatsen gasleiding, in zoverre de verplaatsing wordt verzocht door de overheid op wiens domein de leiding gelegen is.
- Zoals blijkt uit de vaststellingen van het vonnis a quo dd. 11 december 2003, en de syntheseberoepsbesluiten van de verweerster, houdt de toepassing van de ingeroepen ¿interceptietheorie¿, wat de gasleiding van de eiseres betreft, verband met de aanpassing van de gasleiding in de Groenendaallaan, alwaar onder de spoorwegbrug, in de Groenendaallaan, werken dienden te worden uitgevoerd om de verbinding mogelijk te maken tussen de oude gasleiding en de nieuwe gasleiding aan de andere kant van de spoorwegbedding (vonnis a quo dd. 11 december 2003, p. 3, in medio; syntheseberoepsbe¬sluiten verweerster p. 37, sub 14.3).
- De ¿interceptietheorie¿, gesteund op de samenhang van artikel 1 van de wet van 25 juli 1891 houdende herziening der wet van 15 april 1843, op de politie der spoorwegen, artikel 7 van de wet van 9 augustus 1948 houdende wijziging van de wetgeving inzake wegen, en het enig artikel van de wet van 17 januari 1938 tot regeling van het gebruik door de openbare bestu¬ren, de verenigingen van gemeenten en de concessiehouders van openbare diensten of van diensten van openbaar nut, van de openbare domeinen van den Staat, van de provinciën en van de gemeenten, voor het aanleggen en het onderhouden van leidingen en inzonderheid van gas- en waterleidingen, betekent, zoals ook aangenomen door het bestreden arrest, dat een weg, op de plaats waar hij wordt gekruist door een nieuwe spoorlijn die wordt aangelegd, door het feit zelf van zijn nieuwe bestemming zijn oorspronkelijke aard ver¬liest en voortaan integrerend deel uitmaakt van de spoorlijn waarin hij wordt opgenomen. De toepassing van de ¿interceptietheorie¿ heeft tot gevolg, zoals ook aangenomen door het bestreden arrest, dat het bevel tot verplaatsing van de gasleiding op de plaats waar de spoorweg een weg kruist, behoort tot de handelingen die aan dit gedeelte van de gekruiste weg zijn bestemming van spoorweg verlenen, derwijze dat te dezen de NMBS, die op grond van artikel 4 van de wet van 23 juli 1926 tot oprichting van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 30 september 1992 houdende goedkeuring van het eerste beheerscontract van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen en tot vaststelling van maatregelen met betrekking tot deze Maatschappij, en artikel 156, 2°, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, zoals van toepassing vóór de wijziging bij koninklijk besluit van 19 oktober 2004 houdende sommige maatregelen voor de reorgani¬satie van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, de beheerder is van het spoordomein, deze verplaatsing van de gasleiding mag vorderen.
- Te dezen blijkt dat de kruising van de weg, met name de Groenendaallaan, waarin de gasleiding van de eiseres gelegen is, en de spoorweg van de verweerster, geen gelijkgrondse kruising is, maar dat de spoorweg via een brug over de Groenendaallaan loopt. Wanneer een spoorweg een weg kruist via een spoorwegbrug, is er geen feitelijke inlijving van de gekruiste weg in de spoorweg, en kan geen toepassing worden gemaakt van de interceptietheorie om aan te nemen dat de beheerder van de spoorweg de bevoegde overheid is om een aanpassing te bevelen van de gasleiding gelegen in de weg behorende tot het domein van een andere overheid. Het bestreden arrest oordeelt niettemin dat de interceptieleer niet ¿tot de gelijkgrondse kruisingen (kan) worden beperkt¿, en ¿dat de interceptie van een andere weg ook dient te worden aangenomen in geval van bovengrondse of ondergrondse kruising¿ (arrest p. 16, voorlaatste alinea), en dat omdat ¿de eenheid van beheer van de wegen¿ zich tegen een andere oplossing zou verzetten (ibid.). Bij afwezigheid van een feitelijke inlijving vereist de ¿eenheid van beheer van de wegen¿ evenwel geenszins dat bij een niet-gelijkgrondse kruising van een weg en een spoorweg, de ¿gekruiste¿ weg moet beschouwd worden als deel uitmakend van de spoorweg. Het bestreden arrest kon dan ook niet wettig, in de gegeven omstandigheden van de zaak, en op grond van de enkele vaststellingen die het bevat, oordelen dat de Groenendaallaan een ¿nieuwe bestemming¿ had gekregen, zijnde de bestemming van spoorweg vallend onder het beheer van de NMBS, omdat zij niet-gelijkgronds wordt gekruist door de spoorweg, met name de spoorwegbrug (schending van artikel 1 van de wet van 25 juli 1891 houdende herziening der wet van 15 april 1843 op de politie der spoorwegen, artikel 7 van de wet van 9 augustus 1948 houdende wijziging van de wetgeving inzake wegen, en het enig artikel van de wet van 17 januari 1938 tot regeling van het gebruik door de openbare besturen, de verenigingen van gemeenten en de concessiehouders van openbare diensten of van diensten van openbaar nut, van de openbare domeinen van den Staat, van de provinciën en van de gemeenten, voor het aanleggen en het onderhouden van leidingen en inzonderheid van gas- en waterleidingen). Het kon dienvolgens ook niet wettig aannemen dat de verweerster, voor de toepassing van het zevende lid van het enig artikel van de wet van 17 januari 1938, de bevoegde overheid was om de verplaatsing te bevelen van de gasleiding in de Groenendaallaan, en evenmin wettig besluiten dat de verweerster gerechtigd was om, met toepassing van het enig artikel van de wet van 17 januari 1938, de verplaatsingskosten van de gasleiding in de Groenendaallaan, ten laste te leggen van de eiseres (schending van het enig artikel van de wet van 17 januari 1938 tot regeling van het gebruik door de openbare besturen, de verenigingen van gemeenten en de concessiehouders van openbare diensten of van diensten van openbaar nut, van de openbare domeinen van den Staat, van de provinciën en van de gemeenten, voor het aanleggen en het onderhouden van leidingen en inzonderheid van gas- en waterleidingen). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Voeging
- De cassatieberoepen in de zaken C.050514.N en C.05.0518.N zijn gericht tegen hetzelfde arrest. Zij dienen te worden gevoegd. Zaak C.05.0514.N
- Het laatste lid van het enig artikel van de wet van 17 januari 1938 tot regeling van het gebruik door de openbare besturen, de verenigingen van gemeenten en de concessiehouders van openbare diensten of van diensten van openbaar nut, van de openbare domeinen van de Staat, van de provinciën en van de gemeenten, voor het aanleggen en het onderhouden van leidingen en inzonderheid van gas- en waterleidingen geeft de Staat, de provincies en de gemeenten het recht om in alle geval op hun domein de schikkingen op het plan van een waterleiding en de werken die ermee verband houden, te doen wijzigen. Krachtens die bepaling moet de kostprijs van die wijzigingen door de concessiehouder worden gedragen als de wijzigingen vereist zijn in het belang van de wegen.
- Krachtens artikel 7, eerste lid, van de wet van 9 augustus 1948 houdende wijziging van de wetgeving inzake wegen, mag de Koning de grote wegen in genummerde trajecten indelen en er vakken van provincie- en gemeentewegen bij inlijven. Krachtens het tweede lid van hetzelfde artikel, mag de Koning van ambtswege de inlijving zonder vergoeding voorschrijven bij de grote wegen van de staat, van wegen of vakken van wegen, die niet tot de grote wegen behoren maar in de genummerde trajecten begrepen zijn.
- Krachtens artikel 1 van de wet van 25 juli 1891 houdende herziening der wet van 15 april 1843 op de politie der spoorwegen zijn de spoorwegen ingedeeld in de grote wegenis.
- Uit de samenhang van deze bepalingen volgt dat een rijksweg, een gewestweg, een provincieweg of een gemeenteweg op de plaats waar die door een spoorweg wordt gekruist, door het feit zelf van zijn nieuwe bestemming, op die kruising zijn oorspronkelijke aard verliest en integrerend deel uitmaakt van de spoorweg, zijnde de grote weg.
- Het enkele feit van een bovengrondse kruising van de spoorweg met een daaronder gelegen rijksweg, gewestweg, provincieweg of gemeenteweg heeft op de plaats van die kruising niet de inlijving tot gevolg van de lager gelegen weg, ook al steunt bovengrondse kruising op een bouwwerk dat rust op de lager gelegen weg.
- Het arrest stelt vast dat wat de eiseres betreft, in een eerste fase de waterleiding DN 500 ST gelegen in de as van het noordelijke rijvak van de Groenendaallaan over een lengte van ongeveer 80 meter verplaatst diende te worden voor het bouwen van de brugondersteuning en voor een nieuwe HSL-spoorwegbrug ten oosten van de bestaande spoorwegbrug en dat deze werken effectief werden uitgevoerd in januari
- Het arrest oordeelt dat de eenheid van beheer van de wegen er zich tegen verzet dat de interceptieleer tot de gelijkgrondse kruisingen zou worden beperkt en dat de interceptie van een andere weg derhalve ook dient te worden aangenomen in geval van bovengrondse kruising. Het arrest verantwoordt aldus zijn beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Zaak C.05.0518.N Tweede onderdeel Ontvankelijkheid
- De verweerster werpt op dat het middel niet ontvankelijk is omdat het enig artikel van de wet van 24 maart 1999 als geschonden is aangewezen, terwijl dit artikel wat betreft het gasvervoer is opgeheven door artikel 21 van de wet van 12 april
- Het arrest stelt niet vast welk gebruik te dezen van de gasleidingen werd gemaakt, zodat om uit te maken of de leidingen voor het door de grond van niet-ontvankelijkheid bedoelde gasvervoer bestemd zijn, het Hof verplicht is tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Het onderdeel zelf
- Uit het antwoord op het middel in de zaak C.05.0514.N volgt dat het onderdeel gegrond is. Eerste onderdeel Ontvankelijkheid
- Uit het antwoord op de door de verweerster opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid van het tweede onderdeel volgt dat de identieke grond van niet-ontvankelijkheid eveneens noopt tot een onderzoek van feiten, waarvoor het hof niet bevoegd is. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.
- De verweerster werpt verder op dat het onderdeel niet ontvankelijk is omdat de bestreden beslissing ook steunt op de niet-bekritiseerde reden dat het ¿belang van de wegen¿ ruim dient te worden uitgelegd.
- Die niet-bekritiseerde reden betreft niet de in het eerste onderdeel aangevochten beslissing omtrent wie het verplaatsingsbevel kon geven, maar de hiervan onderscheiden rechtsvraag of het verplaatsingsbevel ¿in het belang van de wegen¿ werd bevolen. De grond van niet-ontvankelijkheid dient te worden verworpen. Het onderdeel zelf
- Het laatste lid van het enig artikel van de voormelde wet van 17 januari 1938 geeft de Staat, de provincies en de gemeenten het recht om in alle geval op hun domein de inrichting of het plan van een aanleg evenals de daarmee verband houdende werken later op hun onderscheidenlijk domein te doen wijzigen, terwijl de kosten van deze werken ten laste vallen van de aanneming die de aanleg heeft gedaan, wanneer de wijzigingen worden opgelegd hetzij om reden van de openbare veiligheid of tot behoud van natuurschoon, hetzij in het belang van de wegen, waterlopen, vaarten of van een openbare dienst. Deze bepaling betreft zowel het openbaar als het privé-domein van die overheden, maar vindt geen toepassing met betrekking tot een eigendom die niet aan een van hen behoort. Uit die bepaling volgt dat een overheid, ten aanzien van een onroerend goed dat niet tot zijn domein behoorde, na de onteigening ervan het recht verkrijgt om zich in voorkomend geval op de voormelde bepaling te beroepen.
- Het arrest oordeelt dat: - de opdracht van openbare dienst er zich tegen verzet dat de verweerster thans na de overdracht van het staatsspoorwegnet minder rechten zou kunnen uitoefenen in het kader van de exploitatie en de verdere ontwikkeling van de spoorweginfrastructuur ten algemene nutte dan deze die voorheen onder de prerogatieven van de Belgische Staat viel; - de eiseres derhalve niet kan worden gevolgd als zij stelt dat de verweerster niet gemachtigd zou zijn om de verplaatsing van nutsleidingen te bevelen die zich op het haar oorspronkelijk overgedragen en onderscheidenlijk domein bevinden respectievelijk op domein dat zij later ingevolge onteigening in het kader van de uitoefening van haar openbare dienst heeft verworven.
- Door aldus te oordelen, verantwoordt het arrest zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Voegt de zaken C.05.0514.N en C.05.0518.N. Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit de hogere beroepen, de vordering van de verweerster en de uitbreiding ervan in de zaak C.05.0514.N ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing hieromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 22 juni 2007 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070622.6 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070622.6 citeert: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030613.6 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070302.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130926.13 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140227.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div