← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070625.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:

Art. 66

, eerste lid Fiches 2 - 5 Het arrest dat oordeelt dat de bewegingsvrijheid van de conventioneel bruggepensioneerden door de verblijfsvoorwaarde op belangrijke wijze wordt beperkt in vergelijking tot de rechthebbenden tussen de 60 en 65 jaar die een rustpensioen genieten, terwijl niet blijkt dat dit nodig zou zijn voor het naast elkaar in stand houden van de stelsels van het conventioneel brugpensioen en van het rustpensioen en op die gronden, wegens schending van het beginsel van gelijke behandeling en niet-discriminatie, de toepassing van de verblijfsvoorwaarde terzijde schuift, schendt de artikelen 10, 11 en 159 van de Grondwet en artikel 66, eerste lid, van het Werkloosheidsbesluit 1991

(1).
(1)K.B. van 25 nov. 1991, vóór de wijziging ervan bij K.B. van 6 feb. 2003. Thesaurus CAS: ARBEIDSVOORZIENING - BRUGPENSIOEN UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer - Rustpensioen SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer - Sancties SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Toekenningsvoorwaarden - Aangifte en controle Vrije woorden: Toekenningsvoorwaarde - Beperkende maatregelen - Schending van het beginsel van gelijke behandeling en niet-discriminatie - Toepassing Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10, 11 en 159

Art. 66, eerste lid Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART.

1 TOT 99) - Artikel 10 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer - Rustpensioen SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer - Sancties SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Toekenningsvoorwaarden - Aangifte en controle Vrije woorden: Beperkende maatregelen ten aanzien van conventioneel bruggepensioneerden - Schending van het beginsel van gelijke behandeling en niet-discriminatie - Toepassing Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10, 11 en 159

Art. 66, eerste lid Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART.

1 TOT 99) - Artikel 11 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer - Rustpensioen SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer - Sancties SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Toekenningsvoorwaarden - Aangifte en controle Vrije woorden: Beperkende maatregelen ten aanzien van conventioneel bruggepensioneerden - Schending van het beginsel van gelijke behandeling en niet-discriminatie - Toepassing Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10, 11 en 159

Art. 66, eerste lid Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART.

100 TOT EINDE) - Artikel 159 UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer - Rustpensioen SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer - Sancties SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Werkloosheid - Toekenningsvoorwaarden - Aangifte en controle Vrije woorden: Beperkende maatregelen ten aanzien van conventioneel bruggepensioneerden - Schending van het beginsel van gelijke behandeling en niet-discriminatie - Toepassing Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10, 11 en 159

Art. 66, eerste lid Tekst van de beslissing Nr.

S.05.0094.N RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, met zetel te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, eiser, vertegenwoordigd door mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen D.B.J., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 28 april 2005 gewezen door het Arbeidshof te Brussel. Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 10, 11, 149 en 159 van de Grondwet; - artikel 66, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering (zoals van toepassing vóór wijziging bij koninklijk besluit van 6 februari 2003, Belgisch Staatsblad, 24 februari 2003), hierna afgekort: het Werkloosheidsbesluit; - artikel 69 van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de gemeenschap verplaatsen (P.B., L.I49, 5 juli 1971, zoals van toepassing vóór intrekking bij artikel 90.1 van de Verordening 883/2004/EG van 29 april 2004 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, P.B., L. 166, 30 april 2004, err., P.B., L.200, 7 juni 2004). Bestreden beslissing Het arrest oordeelt dat artikel 66 van het Werkloosheidsbesluit ongrondwettig is, verklaart dienvolgens het hoger beroep van de eiser ongegrond en bevestigt het bestreden vonnis dat de door de eiser op 24 september 1996 getroffen beslissing had vernietigd in al zijn beschikkingen, en zulks op grond van de hiernavolgende overwegingen: ¿In (zijn) arrest nr. 63/93 van 15 juli 1993 heeft het Arbitragehof als volgt voor recht gezegd: ¿Artikel 2, §2, 1°, van de wet van 20 juli 1990 tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn schendt de artikelen 6 en 6bis van de Grondwet niet in zoverre het bepaalt dat het ruspensioen van een mannelijke gerechtigde op een conventioneel brugpensioen ten vroegste ingaat op de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt, terwijl voor alle andere belanghebbenden het rustpensioen kan ingaan op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin zij de leeftijd van 60 jaar bereiken, behalve in zoverre aan de gerechtigde op een conventioneel brugpensioen de verplichting wordt opgelegd zijn gewone verblijfplaats in België te hebben en er bovendien effectief te verblijven'. Het is duidelijk dat het Arbitragehof de bestaanbaarheid van de artikelen 6 en 6bis van de Grondwet met artikel 2, §2, 1°, van de wet van 20 juli 1990 voormeld heeft onderzocht. In (zijn) overwegingen stelt het Arbitragehof dat de grondwettelijke regels van de gelijkheid en van de niet-discriminatie niet uitsluiten dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen zou worden ingesteld, voor zover voor het criterium van onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat, dat de bepaling die het onderwerp van de prejudiciële vraag is een wettig doel nastreeft en dient te worden onderzocht of die bepaling geen overdreven gevolgen met zich meebrengt voor de gerechtigden op een conventioneel brugpensioen. Het Arbitragehof overweegt verder als volgt: ¿De verplichting voor conventioneel bruggepensioneerden tussen 60 en 65 jaar in dat stelsel te blijven, met inbegrip van de verplichting in België te verblijven, is het rechtstreeks gevolg van de litigieuze wettelijke bepaling. De conventioneel bruggepensioneerden dienen evenwel niet te voldoen aan alle voorwaarden die gelden voor werklozen om in (aanmerking) te komen voor werkloosheidsuitkeringen, vermits zij niet meer als werkzoekenden worden beschouwd. Opeenvolgende koninklijke besluiten - het eerste van 19 februari 1975 en het meest recente van 7 december 1992 - hebben de gerechtigden op een conventioneel brugpensioen op allerlei punten vrijgesteld van de principiële toekenningsvoorwaarden voor werkloosheidsuitkering. De betrokkenen zijn gaandeweg inzonderheid vrijgesteld van de vereiste beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt en elke passende dienstbetrekking te aanvaarden, de verplichte inschrijving als werkzoekende, de voorwaarde arbeidsgeschikt te zijn en de onderwerping aan de werklozencontrole in de gemeente van hun gewone verblijfplaats. Daarentegen is voor de conventioneel bruggepensioneerden evenwel geen vrijstelling verleend van de verblijfsvoorwaarde. Nu de conventioneel bruggepensioneerden wel zijn vrijgesteld van alle vereisten die hun principiële aanwezigheid in België zouden kunnen rechtvaardigen, blijkt niet waarom niettemin voor hen - in tegenstelling tot hen die hun rustpensioen genieten - de voorwaarde blijft dat zij hun gewone verblijfplaats in België moeten hebben en er bovendien effectief moeten verblijven. Zodoende wordt hun bewegingsvrijheid op belangrijke wijze beperkt in vergelijking tot de andere belanghebbenden tussen 60 en 65 jaar terwijl niet blijkt dat dit nodig zou zijn voor het naast elkaar in stand houden van de stelsels van het conventioneel brugpensioen en van het rustpensioen dat de wetgever heeft willen vrijwaren'. Krachtens artikel 159 van de Grondwet moeten de hoven en rechtbanken onwettige besluiten buiten beschouwing laten en de exceptie van ongrondwettigheid opgeworpen door (de verweerder) en weerhouden door de eerste rechter is terecht. Het vonnis a quo dient te worden bevestigd¿ (arrest, pp. 5-7). Grieven Eerste onderdeel De eiser had in zijn verzoekschrift tot hoger beroep (in nagenoeg identieke bewoordingen hernomen in zijn beroepsconclusie, pp. 3-4) verschillende middelen aangevoerd op grond waarvan hij liet gelden dat er in tegenstelling tot wat het Arbitragehof had beslist geen sprake kon zijn van een discriminatie tussen bruggepensioneerden en gepensioneerden, meer bepaald: ¿1) Onbevoegdheid Arbitragehof: Wat de bevoegdheid van het Arbitragehof betreft, kan het Arbitragehof in prejudiciële vragen alleen de grondwettelijkheid van wetten toetsen (artikel 26 van de wet van 6 januari 1989). Vermits de verblijfsverplichting in België in artikel 66 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 wordt vastgesteld, mag het Arbitragehof zich niet buigen over deze materie, die behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de Raad van State (zie artikel 14 van de Gecoördineerde wetten op de Raad van State) en van de arbeids-rechtbanken (artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet) om de grondwettelijkheid van de uitvoeringsbesluiten te toetsen. 2) Ten gronde, is de ongelijkheid verantwoord? De grondwettelijke regels van de gelijkheid der Belgen voor de wet en van de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling volgens bepaalde categorieën van personen zou worden ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld met betrekking tot het doel en de gevolgen van de overwogen maatregel, het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat de aangewende middelen redelijkerwijze niet evenredig zijn met het beoogde doel (zie o.m. ¿). Zoals hierboven gesteld maakt de vergoedbaarheid van de bruggepensioneerden integraal deel uit van de werkloosheidsverzekering. Ten aanzien van de werkloosheidsverzekering werd de verplichte verblijfsvoorwaarde echter nooit ter discussie gesteld. Enkel artikel 69 van de Verordening 1408/71 vormt hierop een uitzondering. In tegenstelling tot wat het Arbitragehof beslist heeft kan er echter geen sprake zijn van een discriminatie tussen bruggepensioneerden en gepensioneerden in de mate dat de bruggepensioneerden zouden moeten gelijkgesteld worden wat de verblijfsvoorwaarde met de gepensioneerden (betreft). Het onderscheid tussen beide categorieën is redelijk verantwoord en steunt op objectieve gronden:

  1. a)de kans op een werkhervatting voor een bruggepensioneerde is voor een bruggepensioneerde hoger dan voor een gepensioneerde gelet op ¿zijn jongere leeftijd'. De leeftijd van de bruggepensioneerde bevolking situeert zich tussen de 50 en 65 jaar, terwijl de leeftijd van de rustgepensioneerden ten vroegste 60 jaar is in geval van vervroegd rustpensioen. De vergelijking die het Arbitragehof dan ook maakt gaat derhalve pas op vanaf de leeftijd van 60 jaar. In casu is betrokkene op brugpensioen gegaan op 57-jarige leeftijd. Minstens dient betrokkene de specifieke verblijfsvoorwaarde na te leven tot de leeftijd van 60 jaar.
  2. b)Het brugpensioen ontstaat door een ontslag van de werkgever en is dus eveneens van toepassing op de werknemers die verkozen hun werk te behouden maar zich desondanks tegen hun wil zonder werk bevonden. De kansen dat dit ook het geval is voor een persoon die op pensioen gaat is klein. De enkele reden dat bruggepensioneerden niet kunnen verplicht worden het werk te hervatten (gelet op hun vrijstelling om ingeschreven te zijn als werkzoekende) doet geen afbreuk aan de hierboven geformuleerde opmerkingen. De bruggepensioneerde dient derhalve beschouwd te worden als een werkloze waarvan de professionele carrière onderbroken werd maar niet noodzakelijkerwijze op een definitieve manier. Derhalve verklaart de werkloosheidsreglementering de regels met betrekking tot de cumul van werkloosheidsuitkeringen met het uitoefenen van een beroepsactiviteit toepasselijk op de bruggepensioneerden. De voorwaarden hieromtrent zijn veel stricter dan de voorwaarden opgenomen in de pensioenregeling (waar de kansen op een werkhervatting veel beperkter zijn) zodat ook een restrictievere controle zich opdringt en een verblijf in België daartoe noodzakelijk is (¿). In tegenstelling tot de pensioenwetgeving waar het bedrag van inkomen van belang is, vereist de werkloosheidsreglementering dat wordt nagegaan tijdens welke dagen een beroepsactiviteit wordt uitgeoefend en of deze activiteit al dan niet het karakter heeft van een bijkomstige activiteit.
  3. c)De bruggepensioneerden vrijstellen van de verplichte verblijfsvoorwaarde met het enkele motief dat zij werkloosheidsuitkeringen genieten ingevolge een afwijkend stelsel zou een discriminatie creëren tussen de bruggepensioneerden en de andere werklozen, in elk geval met de oudere werklozen. 3) Artikel 69 van de verordening 1408/71: Krachtens de bepalingen van deze Verordening vormt het verblijf op het territorium van een andere lidstaat geen hinderpaal om aanspraak te maken op o.a. volgende prestaties van sociale zekerheid: ziekte- en invaliditeit, ouderdom- of overlevingspensioenen, renten uitgekeerd naar aanleiding van een arbeidsongeval of een beroepsziekte, overlijdensvergoedingen. De werkloosheidsuitkeringen worden hierin echter niet vermeld. In tegendeel, het artikel 69 van de Verordening bepaalt dat de werkloosheidsuitkeringen enkel exporteerbaar zijn wanneer de werkloze in een andere lidstaat werk gaat zoeken en dit mits naleving van stricte voorwaarden. A contrario, kan hieruit afgeleid worden dat, buiten de mogelijkheid voorzien in artikel 69, geen aanspraak kan gemaakt worden op werkloosheidsuitkeringen wanneer men zich op het territorium van een andere lidstaat bevindt. Gelet op deze bevindingen kan besloten worden dat België soeverein de toekenning van werkloosheidsuitkeringen kan verbinden aan de verplichting in België te verblijven en dit ongeacht het systeem waarin de werkloosheidsuitkeringen verschuldigd zijn¿ (verzoekschrift tot hoger beroep, pp. 2-4). De eiser liet aldus gelden om welke specifieke redenen, met name de onbevoegdheid van het Arbitragehof, de afwezigheid van enige ongelijke behandelingen en de gelding van het Europees recht, in casu met het arrest van het Arbitragehof van 15 juli 1993 geen rekening kon worden gehouden. Met de hoger aangehaalde en hierbij bekritiseerde motieven steunt het arrest louter op de redengeving van het arrest van het Arbitragehof van 15 juli 1993 om te oordelen dat de verblijfsverplichting ongrondwettig is, zonder evenwel te antwoorden op het specifieke verweer van de eiser. In zoverre het arrest zich ook de motivering van het beroepen vonnis van de arbeidsrechtbank heeft eigen gemaakt door dit vonnis ¿in al zijn beschikkingen te bevestigen¿, heeft het het verweer van de eiser evenmin beantwoord, nu dat vonnis evenmin op enige andere gronden berust dan de overname van de redenen uit hetzelfde arrest van het Arbitragehof. In zoverre het bestreden arrest aldus dit verweer van de eiser onbeantwoord laat, is het niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet). Tweede onderdeel De in de de artikelen 10 en 11 van de Grondwet vastgelegde regels inzake gelijkheid en non-discriminatie verbieden dat categorieën van personen die in situaties verkeren welke, vanuit het oogpunt van de bedoelde maatregel, wezenlijk van elkaar verschillen, op dezelfde wijze worden behandeld zonder dat daarvoor een redelijke grond voorhanden is. Het bestaan van een dergelijke grond moet worden beoordeeld met inachtneming van het doel en de gevolgen van de getroffen maatregel alsook van de aard van de in het geding zijnde beginselen. Zoals de eiser in conclusie had laten gelden ¿(maakt) de vergoedbaarheid van de bruggepensioneerden (¿) integraal deel uit van de werkloosheidsverzekering¿ en bestaat er een onderscheid tussen beide categorieën dat ¿redelijk is verantwoord en steunt op objectieve gronden¿, namelijk ¿
  4. a)de kans op een werkhervatting is groter voor de bruggepensioneerden gelet op hun jongere leeftijd, aangezien de leeftijd van de bruggepensioneerden zich situeert tussen de 50 en 65 jaar, terwijl de leeftijd van de rustgepensioneerden ten vroegste 60 jaar bedraagt; (betrokkene) in casu op brugpensioen (
  5. is)gegaan op 57-jarige leeftijd (en bijgevolg) minstens (¿) de specifieke verblijfsvoorwaarde (dient) na te leven tot de leeftijd van 60 jaar;
  6. b)het brugpensioen ontstaat door een ontslag van de werkgever en is dus eveneens van toepassing op werknemers die verkozen hun werk te behouden maar zich desondanks tegen hun wil zonder werk bevonden¿ (conclusie eiser, p. 3), wat fundamenteel verschilt van diegene die vrijwillig met pensioen gaat (¿de kans dat dit ook het geval is voor een persoon die op pensioen gaat is klein¿) (conclusie eiser, p. 3). Steeds volgens de eiser dient de bruggepensioneerde ¿derhalve beschouwd te worden als een werkloze waarvan de professionele carrière onderbroken werd, maar niet noodzakelijk op een definitieve manier¿ en dat om die reden ¿de werkloosheidsreglementering de regels met betrekking tot de cumul van werkloosheidsuitkeringen met het uitoefenen van een beroepsactiviteit toepasselijk (verklaart) op de bruggepensioneerden¿ (conclusie eiser, p. 4). Vermits de voorwaarden hieromtrent "veel strikter zijn dan de voorwaarden opgenomen in de pensioenregeling (waar de kansen op een werkhervatting veel beperkter zijn), (...) (dringt) ook een restrictievere controle zich op en (
  7. is)een verblijf in België daartoe noodzakelijk. In tegenstelling tot de pensioenwetgeving waar het bedrag van het inkomen van belang is, vereist de werkloosheidsreglementering dat wordt nagegaan tijdens welke dagen een beroepsactiviteit wordt uitgeoefend en of deze activiteit al dan niet het karakter heeft van een bijkomstige activiteit¿ (ibidem). De eiser had aldus laten gelden dat er een fundamenteel objectief onderscheid bestaat tussen de bruggepensioneerden, minstens deze in de categorie van 57 tot 60 jaar enerzijds, en de rustgepensioneerden vanaf de leeftijd van 60 jaar en dat "het vrijstellen van de (bruggepensioneerden) van de verplichte verblijfsvoorwaarde met het enkel motief dat zij werkloosheidsuitkeringen genieten ingevolge een afwijkend stelsel, (¿) een discriminatie zou creëren tussen de bruggepensioneerden en de andere werklozen, in elk geval met de oudere werklozen¿ (ibidem). Uit de stukken waarop het Hof acht vermag te slaan blijkt dat de vordering van de eiser ertoe strekt vanwege de verweerder, die in zijn beroepsconclusie stelde dat hij, geboren in 1936, sedert 1 januari 1997 met pensioen is gegaan (besluiten verweerder van 10 december 2004, p. 2), de terugbetaling te bekomen van sommen die hij ontving als bruggepensioneerde in de periode vóór hij met pensioen ging en bijgevolg, per definitie, vóór hij de leeftijd van 60 jaar had bereikt. Het bestreden arrest oordeelt evenwel dat de verblijfsvoorwaarde niet van toepassing is op de eiser omdat ¿de bewegingsvrijheid (van de bruggepensioneerden) op belangrijke wijze (wordt) beperkt in vergelijking tot de andere belanghebbenden tussen 60 en 65 jaar terwijl niet blijkt dat dit nodig zou zijn voor het naast elkaar in stand houden van de stelsels van het conventioneel brugpension en van het rustpensioen dat de wetgever heeft willen vrijwaren¿ (arrest, p. 6). Door de verblijfsvoorwaarde van artikel 66 van het Werkloosheidsbesluit niet van toepassing te verklaren op de eiser, daar waar hij tot een andere categorie behoort dan de rustgepensioneerden van de leeftijd van 60 tot 65 jaar waarmee het arrest de eiser vergelijkt, en door aldus situaties die wezenlijk van elkaar verschillen (bruggepensioneerden vóór de leeftijd van 60 jaar enerzijds, en rustgepensioneerden vanaf 60 jaar, anderzijds) en op redelijke en objectieve gronden berusten op dezelfde wijze te behandelen, zonder dat daarvoor een redelijke grond voorhanden is, schendt het bestreden arrest de artikelen 10, 11 en 159 van de Grondwet en 66 van het Werkloosheidsbesluit. Derde onderdeel Bij artikel 69 van de Verordening (EEG) 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen staan de voorwaarden en beperkingen omschreven voor de handhaving van het recht op werkloosheidsuitkeringen voor werklozen die zich naar het grondgebied van een andere dan de bevoegde Lid-Staat begeven om aldaar werk te zoeken. Dit recht is evenwel onderworpen aan de naleving van strikte voorwaarden inzake (termijnen van) inschrijving als werkzoekende in de bevoegde staat (artikel 69,1. a), het land waarnaar hij zich begeeft (artikel 69, I.
  8. b)en duur van toekenning van het recht op uitkering (artikel 69, I.
  9. c)en specifieke voorwaarden in geval van terugkeer (artikel 69, 2-4). Vermits de Europese regelgever, anders dan inzake andere takken van de sociale zekerheid waarvoor het recht op uitkeringen onverkort gehandhaafd blijft in geval van verblijf op het territorium van een andere Lid-Staat, de handhaving van het recht op werkloosheidsuitkeringen voor werknemers die zich begeven naar het grondgebied van een andere Lid-Staat onderworpen heeft aan de naleving van deze specifieke voorwaarden, is er, in de gevallen waarin die voorwaarden niet vervuld zijn, geen recht op werkloosheidsuitkeringen wanneer men zich buiten het grondgebied van de bevoegde Lid-Staat bevindt. Het bestreden arrest, door artikel 66 van het Werkloosheidsbesluit niet van toepassing te verklaren en aldus aan de verweerder een onverkort recht op werkloosheidsuitkeringen toe te kennen, ongeacht of de voorwaarden van artikel 69 van de Verordening 1408/71 zijn nageleefd of niet, schendt bijgevolg artikel 69 van de Verordening 1408/71 evenals artikel 66 van het Werkloosheidsbesluit. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Beoordeling Tweede onderdeel 1. De grondwettelijke regels van de gelijkheid der Belgen voor de wet en van de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover voor dat onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld met inachtneming van het doel en de gevolgen van de ter beoordeling staande maatregel. Het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel geen redelijk verband van evenredigheid bestaat. 2. Krachtens artikel 44 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering (hierna genoemd: het Werkloosheids-besluit 1991) moet de werkloze om uitkeringen te kunnen genieten, wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil zonder arbeid en zonder loon zijn. Krachtens artikel 45, eerste lid, van dit koninklijk besluit wordt voor de toepassing van artikel 44 als arbeid beschouwd: 1° de activiteit verricht voor zichzelf die ingeschakeld kan worden in het economische ruilverkeer van goederen en diensten en niet beperkt is tot het gewone beheer van het eigen bezit; 2° de activiteit verricht voor een derde, waarvoor de werknemer enig loon of materieel voordeel ontvangt dat tot zijn levensonderhoud of dat van zijn gezin kan bijdragen. Krachtens artikel 48, §1, eerste lid, van dit koninklijk besluit kan de werkloze die op bijkomstige wijze een activiteit uitoefent in de zin van artikel 45, (¿), slechts genieten van uitkeringen op voorwaarde dat: 1° hij daarvan aangifte doet bij zijn uitkeringsaanvraag; 2° hij deze activiteit reeds uitoefende terwijl hij tewerkgesteld was als werknemer, en dit ten minste gedurende de drie maanden voorafgaand aan de uitkeringsaanvraag; 3° hij deze activiteit voornamelijk verricht tussen 18 uur en 7 uur. Deze beperking geldt niet voor de zaterdagen en de zondagen; 4° het geen activiteit betreft:
  10. a)in een beroep dat alleen na 18 uur wordt uitgeoefend;
  11. b)in een beroep dat valt onder het hotelbedrijf, met inbegrip van de restaurants en de drankgelegenheden, of onder de vermaaksondernemingen, of het geen activiteit betreft als leurder, reiziger, verzekeringsagent of -makelaar, tenzij de activiteit van gering belang is;
  12. c)die, krachtens de wet van 6 april 1960 betreffende de uitvoering van bouwwerken, niet verricht mag worden. Krachtens artikel 50, tweede lid, van dit koninklijk besluit, zoals van toepassing voor de opheffing ervan bij koninklijk besluit van 27 april 2001, is artikel 48 van toepassing op de werkloze die enigerlei hulp verleent aan de zelfstandige met wie hij samenwoont. 3. Krachtens de artikelen 2, §1, eerste lid, en 2bis, §1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 7 december 1992 betreffende de toekenning van werkloosheidsuitkeringen in geval van conventioneel brugpensioen, zoals van toepassing voor de wijziging bij koninklijk besluit van 3 juni 2003, blijft de conventioneel bruggepensioneerde onderworpen aan de voormelde bepalingen van het voormelde Werkloosheidsbesluit. 4. Krachtens artikel 64, §2, A, eerste lid, van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, zoals van toepassing na de wijziging bij koninklijk besluit van 30 oktober 1992 en voor de wijziging bij koninklijk besluit van 14 november 2002, mag de pensioengerechtigde, mits voorafgaande verklaring en onder de in deze paragraaf bepaalde voorwaarden: 1° een beroepsbezigheid uitoefenen die onder toepassing valt van de wetgeving op de arbeidsovereenkomsten, of van een soortgelijk wettelijk of reglementair statuut, voor zover het bruto beroepsinkomen per kalenderjaar 276.586 BEF (282.118 BEF voor 1996) niet overschrijdt; 2° een beroepsbezigheid als zelfstandige of als helper uitoefenen die de onderwerping aan het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen tot gevolg heeft, of die wordt uitgeoefend in de hoedanigheid van echtgenoot-helper of van echtgenote-helpster, voor zover het beroepsinkomen uit deze bezigheid per kalenderjaar 221.268 BEF (225.693 BEF voor 1996) niet overschrijdt. 5. Artikel 66, eerste lid, van het Werkloosheidsbesluit 1991, zoals van toepassing voor de wijziging bij koninklijk besluit van 6 februari 2003, bepaalt dat om uitkeringen te genieten, de werkloze zijn gewone verblijfplaats in België moet hebben en hij bovendien effectief in België moet verblijven. 6. Deze toekenningsvoorwaarde van voormeld artikel 66, eerste lid, heeft tot doel de inspectiediensten van de eiser in staat te stellen om te controleren of de situatie van een persoon die heeft verklaard dat hij werkloos is, niet zodanig is gewijzigd dat dit gevolgen heeft voor de toegekende uitkering. De doeltreffendheid van het toezicht, dat onder meer bedoeld is om controle uit te oefenen op het eventuele bestaan van door de betrokken werkloze niet-aangegeven bronnen van inkomsten, berust in ruime mate hierop dat de controle onverwacht is en ter plaatse kan worden verricht, daar de bevoegde diensten moeten kunnen nagaan of de door de werkloze verstrekte gegevens overeenstemmen met de werkelijkheid. De specificiteit van het toezicht inzake werkloosheidsuitkeringen rechtvaardigt de invoering van meer beperkende maatregelen dan bij de controle inzake andere uitkeringen zoals een rustpensioen. Minder beperkende maatregelen die voor de controle inzake andere uitkeringen volstaan, zoals de overlegging van documenten of attesten, kunnen er toe leiden dat de controle niet meer onverwacht is en hierdoor minder doeltreffend. 7. Het bestreden arrest oordeelt dat de conventioneel bruggepensioneerden zijn vrijgesteld van alle vereisten die hun principiële aanwezigheid in België zouden kunnen rechtvaardigen, zodat niet blijkt waarom zij, in tegenstelling tot zij die een rustpensioen genieten, onderworpen blijven aan de voorwaarde dat zij hun gewone verblijfplaats in België moeten hebben en er bovendien effectief moeten verblijven. Het oordeelt dat de bewegingsvrijheid van de conventioneel bruggepensioneerden hierdoor op belangrijke wijze wordt beperkt in vergelijking tot de rechthebbenden tussen 60 en 65 jaar die een rustpensioen genieten, terwijl niet blijkt dat dit nodig zou zijn voor het naast elkaar in stand houden van de stelsels van het conventioneel brugpensioen en van het rustpensioen. 8. Door op die gronden, wegens schending van het beginsel van gelijke behandeling en niet-discriminatie, de toepassing terzijde te schuiven van de verblijfsvoorwaarde, die verantwoord wordt door de noodzaak een doeltreffend toezicht te kunnen uitoefenen op de naleving van de voorwaarden bepaald in de artikelen 44 tot 50 van het Werkloosheidsbesluit 1991 waaraan de bruggepensioneerden onderworpen blijven, schendt het bestreden arrest de artikelen 10, 11 en 159 van de Grondwet en artikel 66, eerste lid, van het Werkloosheidsbesluit 1991. Het onderdeel is gegrond. Kosten 9. Overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek dient de eiser te worden veroordeeld in de kosten. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Veroordeelt de eiser in de kosten. Verwijst de zaak naar het Arbeidshof te Gent. De kosten begroot op de som van 98,01 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Stassijns, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van vijfentwintig juni tweeduizend en zeven uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070625.1 Gerelateerde publicatie(
  13. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20151214.6 ECLI:BE:CTBRL:2013:ARR.20130221.16 ECLI:BE:CTBRL:2013:ARR.20131127.5 ECLI:BE:CTLIE:2024:ARR.20240423.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050428.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.