← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070626.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070626.9 Rolnummer: P.07.0402.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2007-07-19 Raadplegingen: 587 - laatst gezien 2026-07-04 01:59 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De rechters die artikel 62, eerste lid, Wegverkeerswet toepasselijk achten, veroordelen de beklaagde wettig op grond van de vaststellingen van het proces-verbaal waarvan, naar hun onaantastbare vaststelling, de beklaagde het tegenbewijs niet levert. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Wegverkeer - Proces-verbaal - Bijzondere bewijswaarde - Tegenbewijs Wettelijke bepalingen: Wet - 16-03-1968 - Art. 62, eerste lid Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 62 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Proces-verbaal - Bijzondere bewijswaarde - Tegenbewijs Wettelijke bepalingen: Wet - 16-03-1968 - Art. 62, eerste lid Fiches 3 - 4 Het Hof is niet gehouden aan het Grondwettelijk Hof prejudiciële vragen te stellen over wetsbepalingen die niet in het geding zijn en derhalve geen ontvankelijke middelen kunnen opleveren

(1).
(1)Zie: Cass., 31 mei 2000, AR P.00.0339.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000531.5, nr 336; Cass., 19 maart 2002, AR P.00.1603.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020319.6, nr 189; Cass., 30 okt. 2002, AR P.02.0748.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021030.4, nr
  1. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Hof van Cassatie - Verplichting - Grenzen - Opgegeven wettelijke bepalingen Wettelijke bepalingen: Wet - 06-01-1989 - Art. 26 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Grondwettelijk Hof - Hof van Cassatie - Verplichting - Grenzen - Opgegeven wettelijke bepalingen Wettelijke bepalingen: Wet - 06-01-1989 - Art. 26 Tekst van de beslissing Nr. P.07.0402.N L. M. A. A. L., beklaagde, eiser. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Correctionele Rechtbank te Leuven van 1 maart
  2. De eiser voert in een verzoekschrift en in vier memories die aan dit arrest zijn gehecht, grieven aan. Als antwoord op de conclusie van het openbaar ministerie legt de eiser een noot neer. Afdelingsvoorzitter Edward Forrier heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING De eiser stond voor de Correctionele Rechtbank te Leuven terecht wegens twee door de wet als zware overtredingen aangewezen en bestrafte verkeersinbreuken, namelijk A. geen onmiddellijk gevolg te hebben gegeven aan de bevelen van een bevoegd persoon, en B. een witte doorlopende streep die een rijstrook aanduidt, te hebben overschreden. De eiser voerde bij de rechters verweer tegen de bijzondere bewijswaarde die artikel 62, eerste lid, Wegverkeerswet, verleent aan het proces-verbaal van vaststelling door daartoe bevoegde overheidspersonen zolang het tegendeel niet is bewezen. Hij betwistte de tegen hem gedane vaststellingen en verzocht de rechtbank het Grondwetttelijk Hof prejudiciële vragen te stellen. De correctionele rechtbank wees de opgeworpen vragen af met de redengeving: ¿De bemerkingen en de talrijke prejudiciële vragen van de [eiser] zijn helemaal niet relevant, laat staan nodig om deze eenvoudige politiezaak te beoordelen¿. De correctionele rechtbank overwoog vervolgens: ¿Op grond van artikel 62, eerste lid, hebben de vaststellingen van de verbalisanten bewijskracht zolang het tegendeel niet bewezen is¿. De rechtbank stelde daarop vast dat de eiser in dit tegenbewijs niet is geslaagd. De correctionele rechtbank veroordeelde de eiser tot een geldboete van 30 euro met een vervangend rijverbod van 8 dagen en tot betaling van een bijdrage van 137,50 euro en de kosten, hierin begrepen een vergoeding van 25 euro. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de vierde memorie
  3. De vierde memorie is neergelegd op 30 mei 2007, dit is buiten de termijn van twee maanden bepaald bij artikel 420bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. De zaak is immers op 29 maart 2007 ingeschreven op de algemene rol van het Hof. De memorie is niet ontvankelijk. Middelen
  4. Overeenkomstig artikel 26, § 2, laatste lid, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof waren de rechters die zeggen dat ze de opgeworpen prejudiciële vragen niet onontbeerlijk achten om uitspraak te doen, niet verplicht deze te stellen.
  5. Daar de rechters artikel 62, eerste lid, Wegverkeerswet terzake toepasselijk achten, veroordelen zij wettig de eiser op grond van de vaststellingen van het proces-verbaal waarvan, naar hun onaantastbare vaststelling, de eiser het tegenbewijs niet levert.
  6. Naar de vaststelling van het Hof is het bestreden vonnis naar het voorschrift van artikel 149 Grondwet met redenen omkleed en op grond van de redenen die het vermeldt, naar recht verantwoord. Geen van de middelen kan tot cassatie leiden.
  7. De eiser verzoekt het Hof het Grondwettelijk Hof prejudiciële vragen te stellen.
  8. Wat het artikel 62, eerste lid, Wegverkeerswet betreft, heeft het Grondwettelijk Hof de opgeworpen vraag reeds beantwoord met zijn arrest nr. 48/97 14 juli
  9. Daar het Grondwettelijk Hof daarover reeds uitspraak heeft gedaan, is overeenkomstig artikel 26, § 2, tweede lid, 2°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof, het Hof niet gehouden deze vraag nogmaals te stellen.
  10. Anderzijds is het Hof niet gehouden prejudiciële vragen te stellen over wetsbepalingen die niet in het geding zijn en derhalve geen ontvankelijke middelen kunnen opleveren. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
  11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 57,12 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare terechtzitting van 26 juni 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070626.9 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000531.5 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020319.6 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021030.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090714.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.