id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070629.1 Rolnummer: D.06.0012.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2007-07-19 Raadplegingen: 249 - laatst gezien 2026-07-03 06:16 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Artikel 6.2 E.V.R.M. en het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld zijn toepasselijk in tuchtprocedures wanneer de procedure die concreet gevoerd wordt leidt of kan leiden tot de schrapping van de beroepsbeoefenaar
(1).
(1)Zie Cass., 27 april 2001, AR C.00.0258.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010427.20, nr 240 (architect). Het O.M. concludeerde, met verwijzing naar dit precedent, dat de toetsing aan artikel 6.2 E.V.R.M. enkel kon betrekking hebben op de vaststelling van feiten die de wettigheid van de bestreden beslissing kan aantasten en niet op de mogelijke invloed van die beslissing op een latere (strafrechterlijke) beslissing. Overigens verklaarde de raad van beroep die feiten, die eiser zelf aanvoerde, niet bewezen, maar nam ze enkel aan als één van de elementen van de gevaarlijkheid van eiser die de sanctie rechtvaardigde. Dit belet geen latere vrijspraak. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEROEPEN - Arts - Tucht GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Vermoeden van onschuld Vrije woorden: Vermoeden van onschuld - Tuchtprocedure - Toepasselijkheid Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEROEPEN - Arts - Tucht GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Vermoeden van onschuld Vrije woorden: Vermoeden van onschuld - Tuchtprocedure - Toepasselijkheid Fiches 3 - 5 Het vermoeden van onschuld verhindert niet dat bij de bepaling van de zwaarte van een tuchtsanctie, gelet op het belang van een goede gezondheidszorg voor de maatschappij, de tuchtrechter elementen of feiten betrekt, die hem regelmatig ter kennis werden gebracht
(1).
(1)Zie Cass., 27 april 2001, AR C.00.0258.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010427.20, nr 240 (architect). Het O.M. concludeerde, met verwijzing naar dit precedent, dat de toetsing aan artikel 6.2 E.V.R.M. enkel kon betrekking hebben op de vaststelling van feiten die de wettigheid van de bestreden beslissing kan aantasten en niet op de mogelijke invloed van die beslissing op een latere (strafrechterlijke) beslissing. Overigens verklaarde de raad van beroep die feiten, die eiser zelf aanvoerde, niet bewezen, maar nam ze enkel aan als één van de elementen van de gevaarlijkheid van eiser die de sanctie rechtvaardigde. Dit belet geen latere vrijspraak. Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEROEPEN - Arts - Tucht GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Vermoeden van onschuld Vrije woorden: Vermoeden van onschuld - Tuchtsanctie - Beoordeling - Gezondheidszorg - Gevolg Thesaurus CAS: GENEESKUNDE - UITOEFENING VAN DE GENEESKUNDE UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEROEPEN - Arts - Tucht GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Vermoeden van onschuld Vrije woorden: Vermoeden van onschuld - Tuchtsanctie - Beoordeling - Gezondheidszorg - Gevolg Thesaurus CAS: ARTS UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEROEPEN - Arts - Tucht GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Vermoeden van onschuld Vrije woorden: Vermoeden van onschuld - Tuchtsanctie - Beoordeling - Gezondheidszorg - Gevolg Fiche 6 Het vermoeden van onschuld is geschonden wanneer een rechterlijke beslissing aanneemt dat iemand schuldig is aan een strafbaar feit, terwijl diens schuld niet of nog niet volgens de wettelijke regels is bewezen en die beslissing hierop steunt
(1).
(1)Zie Cass., 27 april 2001, AR C.00.0258.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010427.20, nr 240 (architect). Het O.M. concludeerde, met verwijzing naar dit precedent, dat de toetsing aan artikel 6.2 E.V.R.M. enkel kon betrekking hebben op de vaststelling van feiten die de wettigheid van de bestreden beslissing kan aantasten en niet op de mogelijke invloed van die beslissing op een latere (strafrechterlijke) beslissing. Overigens verklaarde de raad van beroep die feiten, die eiser zelf aanvoerde, niet bewezen, maar nam ze enkel aan als één van de elementen van de gevaarlijkheid van eiser die de sanctie rechtvaardigde. Dit belet geen latere vrijspraak. Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEROEPEN - Arts - Tucht GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Vermoeden van onschuld Vrije woorden: Vermoeden van onschuld Tekst van de beslissing Nr. D.06.0012.N R.E., eiser, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen ORDE DER GENEESHEREN, publiekrechtelijk rechtspersoon, met zetel te 1030 Brussel, de Jamblinne de Meuxplein 34-35, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing, op 22 mei 2006 gewezen door de raad van beroep van de Orde der geneesheren met het Nederlands als voertaal. Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955; - het algemeen rechtsbeginsel houdende het vermoeden van onschuld; - artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de orde der geneesheren. Aangevochten beslissingen De bestreden beslissing: ¿Doet de bestreden beslissing teniet. Beslissend met de twee/derde meerderheid van de stemmen van de bij de beraadslaging aanwezige leden: Verklaart de feiten van de tenlasteleggingen bewezen. Schrapt (de eiser) van de lijst van de Orde der geneesheren¿, op grond van de motieven op p. 4 -5: ¿De gepleegde feiten vormen op zich een zware aanfluiting van de eer en de waardigheid van het geneeskundig beroep. (De eiser) is tuchtrechtelijk niet aan zijn proefstuk. De raad van beroep dient op te treden en zijn verantwoordelijkheden op te nemen om een herhaling van gelijkaardige feiten te voorkomen. Noch het geneeskundig korps noch de patiënten zijn met dergelijke beoefening van de geneeskunde gediend. Desbetreffend wordt nog verwezen naar de beroepsakte eigenhandig opgesteld door (de eiser) (stuk 16/1-2) waar hij aanhaalt dat hij kortelings voor de correctionele rechtbank te Antwerpen moet verschijnen wegens dubbele klacht ¿waarvan één klacht onopzettelijke doding is'. Op interpellatie hieromtrent, bevestigde hij dat hij door de raadkamer naar de rechtbank werd verwezen en verklaarde, zonder in details te treden, dat het niet ging om een ongeval maar wel om de uitoefening van het beroep. Uit al deze elementen treedt een bijzondere gevaarlijkheid van de betrokkene naar voor. De belangen van de maatschappij en ook de zijne vereisen dat hij niet verder de geneeskunde uitoefent met alle risico's en gevaren hieraan verbonden¿. Grieven In tuchtzaken, zoals in strafzaken, mag de bodemrechter bij de beoordeling van de op te leggen sanctie, in de regel, alle gegevens eigen aan de vervolgde persoon in acht nemen, maar in zijn oordeel mag hij geen strafbare feiten en/of tuchtrechtelijk vervolgbare feiten betrekken waarvoor de schuld van die vervolgde persoon niet onherroepelijk vaststaat. Het vermoeden van onschuld, krachtens hetwelk een persoon onschuldig wordt geacht tot hij bij een beslissing, die kracht van gewijsde heeft, is veroordeeld, verzet zich daartegen. De appelrechters leiden de ¿bijzondere gevaarlijkheid van (de eiser)¿, die zijn schrapping vereist, af ¿uit al deze elementen¿, zijnde niet alleen ¿De gepleegde feiten op zich¿, maar ook de vaststelling ¿(De eiser) is tuchtrechtelijk niet aan zijn proefstuk¿ en de verwijzing naar de omstandigheid dat ¿(de eiser) door de raadkamer naar de rechtbank werd verwezen (...)¿ ¿wegens (...) onopzettelijke doding¿ in ¿de uitoefening van het beroep¿. Uit geen enkel stuk waarop het Hof vermag regelmatig acht te slaan blijkt dat een onherroepelijke veroordeling van de eiser in deze strafprocedure voorlag aan de raad van beroep. Hieruit volgt dat de bestreden beslissing onwettig de eiser schrapt van de lijst van de Orde der geneesheren door die tuchtstraf bepaald te hebben mede in functie van vooralsnog strafrechtelijk vervolgde feiten, waaromtrent de schuld van de eiser nog niet onherroepelijk vaststaat (schending van artikel 6.2 EVRM, het algemeen rechtsbeginsel houdende het vermoeden van onschuld en artikel 6, 2°, van het aangehaald KB nr. 79). III. BESLISSING VAN HET HOF
- Krachtens artikel 6.2 EVRM en het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld wordt eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld volgens de wet bewezen wordt. Die regel en dit beginsel zijn toepasselijk in tuchtprocedures wanneer de procedure die concreet gevoerd wordt leidt of kan leiden tot de schrapping van de beroepsbeoefenaar.
- Het vermoeden van onschuld verhindert niet dat bij de bepaling van de zwaarte van een tuchtsanctie, gelet op het belang van een goede gezondheidszorg voor de maatschappij, de tuchtrechter elementen of feiten betrekt, die hem regelmatig ter kennis werden gebracht. Dit vermoeden is wel geschonden wanneer een rechterlijke beslissing aanneemt dat iemand schuldig is aan een strafbaar feit, terwijl diens schuld niet of nog niet volgens de wettelijke regels is bewezen en die beslissing hierop steunt.
- In de bestreden beslissing wordt vastgesteld dat: - de aan de eiser ten laste gelegde feiten bijzonder ernstig zijn en de zwaarwichtigheid ervan ter zitting door alle betrokken onderhoorden in alle sereniteit werd bevestigd; - de gepleegde feiten op zich een zware aanfluiting van de eer en de waardigheid van het geneeskundig beroep vormen; - de eiser tuchtrechtelijk niet aan zijn proefstuk is en de raad van beroep dient op te treden en zijn verantwoordelijkheid op te nemen om een herhaling van gelijkaardige feiten te voorkomen; - noch het geneeskundig korps noch de patiënten met dergelijke uitoefening van de geneeskunde gediend zijn; - de eiser aanhaalt dat hij binnenkort voor de correctionele rechtbank moet verschijnen wegens dubbele klacht waarvan één klacht onopzettelijke doding is en hij bevestigt dat hij door de raadkamer naar de correctionele rechtbank werd verwezen en de feiten geen betrekking hebben op een ongeval maar wel op de uitoefening van zijn beroep. Het bestreden arrest oordeelt vervolgens dat uit al deze elementen een bijzondere gevaarlijkheid van de eiser naar voor komt en dat de belangen van de maatschappij en van de eiser vereisen dat deze niet verder de geneeskunde uitoefent met alle risico's en gevaren hieraan verbonden. Tenslotte spreekt de bestreden beslissing de schrapping van de eiser van de lijst van de Orde van geneesheren uit.
- Hieruit blijkt dat de bestreden beslissing de tuchtstraf van schrapping mede laat steunen op feiten die niet het voorwerp uitmaken van de tuchtvervolgingen, maar waarvoor de eiser strafrechtelijk wordt vervolgd en waarover de strafrechter nog geen definitieve uitspraak heeft gedaan. Door aldus te oordelen schendt de bestreden beslissing artikel 6.2 EVRM en miskent het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt de bestreden beslissing. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de bestreden beslissing. Veroordeelt de verweerder in de kosten. Verwijst de zaak naar de raad van beroep van de Orde der geneesheren met het Nederlands als voertaal, anders samengesteld. De kosten zijn begroot op de som van 357,04 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, voorzitter Ivan Verougstraete, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 29 juni 2007 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070629.1 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010427.20 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div