← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070703.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 juli 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070703.1 Rolnummer: P.07.0920.N Kamer: VAK - Vakantiekamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2007-07-23 Raadplegingen: 593 - laatst gezien 2026-07-04 03:13 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Wanneer de verdachte de nietigheid van een onderzoekshandeling en van de hierop gesteunde procedure aanvoert om hieruit af te leiden dat er geen aanwijzingen bestaan die de handhaving van de voorlopige hechtenis verantwoorden, is de kamer van inbeschuldigingstelling voor het onderzoek naar de handhaving van de voorlopige hechtenis weliswaar slechts gehouden tot een prima facie onderzoek naar de aangevoerde onregelmatigheid; die omstandigheid neemt evenwel niet weg dat wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling tevens geroepen is met toepassing van artikel 235bis, § 2, Wetboek van Strafvordering uitspraak te doen over de regelmatigheid van een of meerdere onderzoekshandelingen, zij dit onderzoek moet doen, ook al kan zij dit onderzoek op een latere datum uitstellen

(1).
(1)Cass., 9 nov. 2005, AR P.05.1378.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051109.9, n°
  1. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Toezicht door Kamer inbeschuldigingstelling Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Handhaving - Aanwijzing van schuld - Bewijsverkrijging - Regelmatigheid - Kamer van inbeschuldigingstelling - Opdracht Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 235bis, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Toezicht door Kamer inbeschuldigingstelling Vrije woorden: Aanwijzing van schuld - Bewijsverkrijging - Regelmatigheid - Kamer van inbeschuldigingstelling - Opdracht Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 235bis, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.07.0920.N A.K., verdachte, gedetineerd, eiser, met als raadslieden mr. Sven Mary, advocaat bij de balie te Brussel, met kantoor te 1060 Sint-Gillis, Afrikastraat 92, alwaar de eiser woonplaats kiest, en mr. Joris Van Cauter, advocaat bij de balie te Gent, ter rechtszitting bijgestaan door mr. Nicolas Van Der Smissen, advocaat bij de balie te Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 21 juni
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Artikel 235bis, § 1, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de kamer van inbeschuldigingstelling bij de regeling van de rechtspleging, op vordering van het openbaar ministerie, op verzoek van een der partijen of ambtshalve de regelmatigheid van de haar voorgelegde procedure onderzoekt. De tweede paragraaf van dit artikel bepaalt dat de kamer van inbeschuldigingstelling op dezelfde wijze handelt in de andere gevallen waarin ze kennisneemt van de zaak.
  4. Uit deze bepalingen volgt dat wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling, in hoger beroep tegen een beslissing van de raadkamer over de handhaving van de voorlopige hechtenis, geroepen is uitspraak te doen over de regelmatigheid van de bewijsverkrijging, zij krachtens artikel 235bis, § 2, Wetboek van Strafvordering gehouden is dit te doen.
  5. Wanneer de verdachte de nietigheid van een onderzoekshandeling en van de hierop gesteunde procedure aanvoert om hieruit af te leiden dat er geen aanwijzingen bestaan die de handhaving van de voorlopige hechtenis verantwoorden, is de kamer van inbeschuldigingstelling voor het onderzoek naar de handhaving van de voorlopige hechtenis weliswaar slechts gehouden tot een prima facie onderzoek van de aangevoerde onregelmatigheid.
  6. Die omstandigheid neemt evenwel niet weg dat wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling tevens geroepen is met toepassing van artikel 235bis, § 2, Wetboek van Strafvordering uitspraak te doen over de regelmatigheid van een of meerdere onderzoekshandelingen, zij dit onderzoek moet doen, ook al kan zij dit onderzoek op een latere datum uitstellen.
  7. Uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat de eiser de kamer van inbeschuldigingstelling gevorderd heeft uitspraak te doen over de regelmatigheid van een aantal onderzoeksdaden en de met die onderzoeksdaden betrekking hebbende processen-verbaal uit het dossier te verwijderen.
  8. Het arrest oordeelt dat in het kader van de handhaving van de voorlopige hechtenis enkel een prima facie onderzoek van de door de verdachte gewraakte onderzoekshandelingen vereist is. Dienvolgens beperkt het zich ertoe te oordelen dat deze onderzoekshandelingen prima facie regelmatig zijn. Het arrest doet, alhoewel daartoe gevraagd, evenwel geen uitspraak met toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering en verdaagt dit onderzoek evenmin naar een latere rechtszitting. Aldus is de beslissing niet naar recht verantwoord. Het middel is gegrond. Tweede middel
  9. Het arrest oordeelt: ¿de vaststelling dat een bepaalde aanwijzing van schuld mogelijk illegaal werd verkregen, belet niet dat er in casu voldoende andere en rechtsgeldige ernstige aanwijzingen van schuld blijven bestaan die de verdere aanhouding rechtvaardigen, zelfs wanneer men de door de in verdenking gestelde aangeklaagde onderzoekshandelingen buiten beschouwing laat¿. Aldus oordeelt het arrest dat er naast de onderzoekshandelingen waarvan de eiser aanvoert dat ze onregelmatig zijn, andere onderzoekshandelingen zijn die de voorlopige hechtenis wettigen. Die redenen dragen de beslissing dat het aanhoudingsmandaat rechtsgeldig is uitgevaardigd en dat er voldoende aanwijzingen van schuld bestaan die de handhaving van de voorlopige hechtenis wettigen. Het middel komt op tegen een overtollige reden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de voorlopige hechtenis
  10. De substantiële of op straffe van onderzoek voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet genomen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het geen uitspraak doet over eisers verzoek toepassing te maken van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser in de helft van de kosten en laat de overige kosten ten laste van de Staat. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld. Begroot de kosten op 137,77 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Paul Mathieu, Didier Batselé, Paul Maffei en Koen Mestdagh, en op de openbare terechtzitting van 3 juli 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070703.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210113.2F.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051109.9 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190724.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.