id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 augustus 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070821.2 Rolnummer: P.07.1268.N Kamer: VAK - Vakantiekamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2007-09-20 Raadplegingen: 527 - laatst gezien 2026-07-03 14:10 Versie(s): Vertaling FR Fiche De rechter die uitspraak doet over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel heeft niet te oordelen over de wettigheid en de regelmatigheid van dit bevel, maar enkel over de tenuitvoerlegging ervan overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot 8 Wet Europees Aanhoudingsbevel
(1).
(1)Cass., 25 jan. 2005, AR P.05.0065.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050125.4, nr
- Thesaurus CAS: UITLEVERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - AANHOUDINGSBEVEL - EUROPEES - Algemene beginselen (aanhoudingsbevel - Europees) Vrije woorden: Europees aanhoudingsbevel - Tenuitvoerlegging - Beoordeling van de wettigheid en de regelmatigheid Tekst van de beslissing Nr. P.07.1268.N J. G., eiser, aangehouden, met als raadsman mr. Koen Van Put, advocaat bij de balie te Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 7 augustus
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- De eiser voert de miskenning aan van zijn recht van verdediging doordat een in de Poolse taal opgesteld stuk (stuk 88 van het dossier) niet werd vertaald.
- De appelrechters betrekken dat stuk niet in hun oordeel. Het middel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het artikel 2, § 4, Wet Europees Aanhoudingsbevel vermeldt de inlichtingen die het Europees aanhoudingsbevel moet bevatten. Krachtens het artikel 2, § 4, 3°, bevat het Europees aanhoudingsbevel opgave van het bestaan van een uitvoerbaar vonnis, van een aanhoudingsbevel of van enige andere uitvoerbare rechterlijke beslissing met dezelfde rechtskracht in het kader van het toepassingsgebied van deze bepaling.
- De eiser voert aan dat de opgave van het bestaan van een uitvoerbaar vonnis, die is opgelegd door artikel 2, § 4, 3° van de voormelde wet, foutief is gebeurd. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser dit verweer voor de appelrechters heeft gevoerd. In zoverre is het middel nieuw en mitsdien niet ontvankelijk.
- De rechter, die uitspraak doet over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel heeft niet te oordelen over de wettigheid en regelmatigheid van dit bevel, maar enkel over de tenuitvoerlegging ervan overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot 8 van de voormelde wet. De wettigheid en regelmatigheid van het Europees aanhoudingsbevel worden, ingeval van tenuitvoerlegging ervan, beoordeeld door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit aan dewelke de gezochte persoon wordt overgeleverd. In zoverre het middel de wettigheid en regelmatigheid van het Europees aanhoudingsbevel aanvecht, is het niet ontvankelijk. Derde middel
- Krachtens artikel 16, § 2, eerste lid, Wet Europees Aanhoudingsbevel wordt de plaats, de dag en het uur van verschijning ten minste vierentwintig uur vooraf opgetekend in een bijzonder ter griffie gehouden register en geeft de griffier daarvan per faxpost of bij een ter post aangetekend schrijven kennis aan de betrokken persoon en aan zijn advocaat. Het tweede lid bepaalt dat het dossier gedurende de laatste werkdag vóór de verschijning ter beschikking gesteld wordt van de betrokken persoon en van zijn advocaat. Krachtens het laatste lid wordt het dossier opnieuw te hunner beschikking gesteld gedurende de voormiddag van de dag van verschijning ingeval de dag voordien geen werkdag was; in dat geval vindt de verschijning voor de raadkamer in de namiddag plaats.
- De door de eiser beweerde nietigheid van de beschikking van de raadkamer, zelfs indien ze zou bestaan, brengt niet de nietigheid mee van de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling, indien het voorschrift van het ter beschikking houden van het dossier aan de betrokken persoon en zijn raadsman werd nageleefd met betrekking tot de rechtspleging voor de kamer van inbeschuldigingstelling die uitspraak moet doen over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel.
- Het arrest stelt vast, zonder dienaangaande te worden bekritiseerd, dat "in elk geval de termijn van de terbeschikkingstelling van het dossier, zoals bepaald in artikel 17, § 3, van de wet van 19 december 2003, gerespecteerd (werd) in de procedure voor de kamer van inbeschuldigingstelling, ten overstaan van dewelke (de eiser) zijn verdediging onverkort heeft laten gelden. De rechten van verdediging van (de eiser) werden dus niet geschonden". Nu het middel enkel de beslissing van de raadkamer betreft, is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Vierde middel
- De rechter, die uitspraak doet over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel heeft niet te oordelen over de wettigheid en regelmatigheid van dit bevel, maar enkel over de tenuitvoerlegging ervan overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot 8 Wet Europees Aanhoudingsbevel. De wettigheid en regelmatigheid van het Europees aanhoudingsbevel worden, in geval van tenuitvoerlegging ervan, beoordeeld door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit aan dewelke de gezochte persoon wordt overgeleverd. In zoverre het middel de wettigheid en regelmatigheid van het Europees aanhoudingsbevel aanvecht, is het niet onvankelijk.
- In zoverre het middel aanvoert dat toepassing had dienen te worden gemaakt van de weigeringsgrond voorzien door het artikel 4.5° van de voormelde wet, dient het als niet ontvankelijk te worden afgewezen, nu het niet preciseert waardoor de aangeklaagde leemtes en onduidelijkheden van het Europees aanhoudingsbevel het bestaan zouden impliceren van ernstige aanwijzingen dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel afbreuk zou doen aan de door de eiser niet nader gepreciseerde fundamentele rechten van de betrokken persoon, zoals die worden bevestigd door artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Vijfde middel
- Krachtens artikel 6.4° Wet Europees Aanhoudingsbevel kan de tenuitvoerlegging worden geweigerd in geval het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf of van een veiligheidsmaatregel, de betrokken persoon Belg is of in België verblijft, en de bevoegde Belgische autoriteiten zich ertoe verbinden die straf of veiligheidsmaatregel overeenkomstig de Belgische wetgeving ten uitvoer te leggen.
- Uit deze bepaling volgt dat de onderzoeksgerechten in het geval van artikel 6.4° onaantastbaar oordelen over deze weigering van de tenuitvoerlegging. Het middel dat ervan uitgaat dat de tenuitvoerlegging in dit geval steeds moet worden geweigerd, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 79,06 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, als voorzitter, en de raadsheren Jean de Codt, Eric Stassijns, Luc Van hoogenbemt en Alain Smetryns, en op de openbare terechtzitting van 21 augustus 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070821.2 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050125.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090714.6 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101116.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div