← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070904.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070904.2 Rolnummer: P.07.0219.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Financieel recht Invoerdatum: 2007-09-26 Raadplegingen: 960 - laatst gezien 2026-07-03 16:45 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het misdrijf van artikel 505, eerste lid, 4°, en tweede lid, Strafwetboek kan erin bestaan dat de oorsprong van gelden van criminele oorsprong of van het ermee overeenstemmend bedrag wordt verheeld en verhuld door handelingen waarbij de dader, tevens dader van het basismisdrijf, rechtstreeks en zonder tussenbewerking, illegale vermogensvoordelen in ontvangst neemt, bijvoorbeeld door plaatsing op zijn bankrekening. Thesaurus CAS: HELING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Verbeurdverklaring STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen eigendommen - Heling HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - FINANCIEEL RECHT - Witwasreglementering Vrije woorden: Misdaad of wanbedrijf - Vermogensvoordelen - Witwassen - Basismisdrijf en witwasheling gepleegd door dezelfde dader - Toepassing Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 42, 3° en 505, eerste lid, 4°, en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 2 Het aflopend karakter van de witwasmisdrijven van artikel 505, eerste lid, 2°, 3° en 4°, belet niet dat de dader dat misdrijf telkens opnieuw pleegt wanneer hij één van de in deze bepalingen omschreven handelingen stelt

(1)
(2).
(1)Cass., 21 juni 2000, AR P.99.1285.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000621.30, P.00.0351.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000621.30, P.00.0856.F, nr 387.
(2)Ingevolge artikel 2 van de Wet van 10 mei 2007 houdende diverse maatregelen inzake de heling en inbeslagneming (B.S., 22.08.2007, inwerkingtreding: 01/09/2007) waardoor artikel 505 Sw. wordt gewijzigd, kunnen de bedoelde misdrijven al naargelang de feitelijke omstandigheden thans het karakter van voortdurend misdrijf hebben. Thesaurus CAS: HELING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Verbeurdverklaring STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen eigendommen - Heling HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - FINANCIEEL RECHT - Witwasreglementering Vrije woorden: Misdaad of wanbedrijf - Vermogensvoordelen - Witwassen - Aard van het misdrijf Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 505, eerste lid, 2°, 3° en 4° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 3 - 4 Indien de zaken bedoeld in artikel 505, eerste lid, Strafwetboek het voorwerp zijn geweest van verschillende opeenvolgende witwashandelingen van een bepaalde beklaagde, kunnen zij tegen hem slechts éénmaal worden verbeurdverklaard. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Verbeurdverklaring STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen eigendommen - Heling HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - FINANCIEEL RECHT - Witwasreglementering Vrije woorden: Bijzondere verbeurdverklaring - Misdaad of wanbedrijf - Vermogensvoordelen - Witwasheling - Opeenvolgende witwashandelingen van eenzelfde beklaagde Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 42, 1° en 3°, 505, 1e lid, 1°, 2°,3° en4°, 505, 3e lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: HELING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Verbeurdverklaring STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen eigendommen - Heling HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - FINANCIEEL RECHT - Witwasreglementering Vrije woorden: Misdaad of wanbedrijf - Vermogensvoordelen - Witwasheling - Straffen - Bijzondere verbeurdverklaring - Opeenvolgende witwashandelingen van eenzelfde beklaagde Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 42, 1° en 3°, 505, 1e lid, 1°, 2°,3° en4°, 505, 3e lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 5 De verbeurdverklaring van de criminele vermogensvoordelen of van een daarmee overeenstemmend bedrag overeenkomstig artikel 42, 3°, Strafwetboek samen met artikel 43bis Strafwetboek, en deze van de witgewassen zaken van artikel 505, derde lid, Strafwetboek samen met artikel 42, 1e, Strafwetboek, zijn beide straffen met een zakelijk karakter zodat zij worden uitgesproken tegen elke schuldige maar enkel de door de wet bepaalde zaken kunnen betreffen
(1).
(1)Zie Cass., 11 jan. 2005, AR P.04.1087.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050111.12, nr
  1. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Verbeurdverklaring STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen eigendommen - Heling HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - FINANCIEEL RECHT - Witwasreglementering Vrije woorden: Bijzondere verbeurdverklaring - Misdaad of wanbedrijf - Vermogensvoordelen - Witwassen - Witwasheling - Aard van de straf Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 42, 1° en 3°, en 43bis - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 505, eerste lid, 1°, 2°, 3° en 4° en 505, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 6 Wanneer dezelfde dader schuldig is aan een misdrijf dat de criminele vermogensvoordelen heeft voortgebracht en aan latere feiten van witwassen ervan, kunnen zij tegen hem slechts éénmaal verbeurd worden verklaard. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Verbeurdverklaring STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen eigendommen - Heling HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - FINANCIEEL RECHT - Witwasreglementering Vrije woorden: Bijzondere verbeurdverklaring - Misdaad of wanbedrijf - Vermogensvoordelen - Witwassen - Basismisdrijf en witwasheling gepleegd door dezelfde dader Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 42, 1° en 3°, en 43bis - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 505, eerste lid, 3° en 4°, en 505, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.07.0219.N I M. R., beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, en tevens met als raadsman mr. Raf Verstraeten, advocaat bij de balie te Brussel. II S. B. D., beklaagde, eiseres. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 17 januari
  2. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. De eiseres II voert geen middel aan. Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Omvang van de cassatieberoepen
  3. Het Hof neemt aan dat de eisers hun cassatieberoepen niet hebben willen richten tegen de beschikkingen van het bestreden arrest die de tegen de eisers ingestelde burgerlijke rechtsvorderingen afwijzen. Eerste middel
  4. Het middel betreft eisers veroordeling wegens witwassen (tenlastelegging C.I en C.II) en de tegen hem uitgesproken verbeurdverklaring van witgewassen bedragen op bankrekening 320-0590870-16 BBL, (tenlastelegging C.I). Eerste onderdeel
  5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet.
  6. Met de overwegingen die het bestreden arrest bevat, beantwoordt het eisers verweer dat hij hier hoogstens voor het misdrijf van artikel 505, eerste lid, 2°, Strafwetboek kon worden vervolgd. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 505, eerste lid, 2° en 4°, en artikel 505, tweede lid, Strafwetboek. Het misdrijf van artikel 505, eerste lid, 2°, Strafwetboek betreft vormen van witwassen door enige vorm van inontvangstneming gepleegd door anderen dan de dader of mededader, respectievelijk de medeplichtige aan het misdrijf waaruit de zaken bedoeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek voortkomen, dit betekent criminele voordelen of het daarmee overeenstemmend bedrag bedoeld in artikel 43bis, tweede lid, Strafwetboek. De handelingen waardoor de dader of mededader, respectievelijk de medeplichtige aan het misdrijf waaruit deze zaken voortkomen, zelf witwast, zijn daarentegen begrepen onder de misdrijven omschreven onder artikel 505, eerste lid, 3° en 4°, en tweede lid, Strafwetboek.
  8. Artikel 505, eerste lid, 4°, en tweede lid, Strafwetboek stelt strafbaar zij die de aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of eigendom van de in artikel 42, 3°, Strafwetboek bedoelde zaken hebben verheeld of verhuld, ofschoon zij de oorsprong ervan kenden of moesten kennen. Anders dan het onderdeel aanvoert, kan dit misdrijf erin bestaan dat de oorsprong van gelden van criminele oorsprong of het ermee overeenstemmend bedrag wordt verheeld en verhuld door handelingen waarbij de dader, tevens dader van het basismisdrijf, rechtstreeks en zonder tusenbewerking, illegale vermogensvoordelen in ontvangst neemt, bijvoorbeeld door plaatsing op zijn bankrekening. Het onderdeel faalt naar recht. Derde onderdeel
  9. Het onderdeel verzoekt het Grondwettelijk Hof volgende prejudiciële vraag te stellen: "Schendt artikel 505, tweede lid, Strafwetboek, samen gelezen met artikel 505, eerste lid, van hetzelfde wetboek, (...) de artikelen 10 en 11 Grondwet in zoverre deze wetsbepaling een onderscheid maakt tussen de daders van feiten van heling of witwassen bedoeld in artikel 505, eerste lid, 1° en 2°, enerzijds, en de daders van witwashandelingen bedoeld in artikel 505, eerste lid, 3° en 4°, anderzijds, in de mate de eerst vermelde daders niet strafbaar kunnen worden gesteld wegens heling of witwassen wanneer zij tevens dader zijn van het basismisdrijf waaruit de geheelde of witgewassen zaken zijn voortgekomen, terwijl laatst vermelde daders wel strafbaar zijn aan het misdrijf van witwassen, ook al zijn ze tegelijk dader van het basismisdrijf waaruit de door hen witgewassen zaken zijn voortgekomen?"
  10. Het misdrijf van artikel 505, eerste lid, 2°, Strafwetboek betreft vormen van witwassen door enige vorm van inontvangstneming gepleegd door anderen dan de dader of mededader, respectievelijk de medeplichtige aan het misdrijf waaruit de zaken bedoeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek voortkomen. Ze kunnen uit hun aard slechts gepleegd worden door anderen dan de laatst vernoemden. Artikel 505, eerste lid, 3° en 4°, en tweede lid, Strafwetboek stelt daarentegen strafbaar gelijk welke daders aan de vormen van witwassen die het vermeldt. Het maakt ter zake geen onderscheid naar de daders ervan of naar de omstandigheid waardoor zij de zaak onder zich hebben.
  11. Het onderdeel maakt niet duidelijk welke discriminatie zou kunnen voortspruiten uit de omstandigheid dat iemand die een bepaalde handeling feitelijk niet kan stellen, daarvoor niet gestraft kan worden, terwijl alle anderen die een bepaalde andere handeling feitelijk wel kunnen stellen, daarvoor gestraft kunnen worden. Het onderdeel is wegens onnauwkeurigheid niet ontvankelijk, zodat het Hof daarover aan het Grondwettelijk Hof geen prejudiciële vraag hoeft te stellen. Vierde onderdeel
  12. Het onderdeel voert aan dat door bepaalde geldsommen tweemaal verbeurd te verklaren tegen de eiser, het bestreden arrest het zakelijk karakter van de verbeurdverklaring miskent en bijgevolg de artikelen 505, derde lid, en 42, 1°, Strafwetboek schendt.
  13. Het aflopend karakter van de witwasmisdrijven van artikel 505, eerste lid, 2°, 3° en 4°, belet niet dat de dader dat misdrijf telkens opnieuw pleegt wanneer hij één van de in de in deze bepalingen omschreven handelingen stelt . Overeenkomstig artikel 505, derde lid, Strafwetboek worden de zaken bedoeld in het eerste lid, 1°, 2°, 3° en 4°, verbeurdverklaard, ook indien zij geen eigendom zijn van de veroordeelde. Indien de zaken het voorwerp zijn geweest van verschillende opeenvolgende witwashandelingen van een bepaalde beklaagde, kunnen zij evenwel tegen hem slechts een maal worden verbeurdverklaard.
  14. Het bestreden arrest verklaart verbeurd "de bedragen der verrichtingen op de rekening 320-0590870-16 BBL zoals ge-expliciteerd onder de tenlastelegging C.I". Uit het bestreden arrest blijkt evenwel dat de in de tenlastelegging C.I vermelde bedragen zowel stortingen als betalingen omvatten, zodat aldus blijkbaar voor een deel tweemaal dezelfde zaak wordt verbeurdverklaard. Het onderdeel is gegrond. Tweede middel
  15. Het middel betreft de tegen de eiser uitgesproken verbeurdverklaring van het belastingvoordeel voortkomend uit de illegale handel naar billijkheid geraamd op 118.988,90 euro (tenlasteleggingen E.I - directe belastingen - en F.I. - BTW). Eerste onderdeel
  16. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet.
  17. Het bestreden arrest vermeldt de door de beide eisers in het strafonderzoek gedane verklaringen om te oordelen dat de uit de illegale handel verworven inkomsten en genoten belastingvoordeel moeten berekend worden op respectievelijk 150.000 en 50.000 frank (ontdoken belastingen en BTW) per maand. Hierdoor verwerpt het bestreden arrest de door de eiser in conclusie aangevoerde strijdige of andere feitelijke gegevens, dit is zijn verweer dat verwees naar de stukken van de fiscale bezwaarprocedure, om te stellen dat het belastingvoordeel moest berekend worden op 1.140.000 franken bruto-ontvangsten per jaar, hetzij 95.000 frank per maand. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  18. Het onderdeel voert aan dat de tegen de eiser uitgesproken verbeurdverklaring op grond van artikel 42, 3°, Strafwetboek samen met artikel 43bis Strafwetboek, niet is gemotiveerd zoals vereist door artikel 195 Wetboek van Strafvordering.
  19. Het bestreden arrest spreekt tegen de eiser een hoofdgevangenisstraf uit van 3 jaar met uitstel gedurende 5 jaar, een geldboete met opdecimes gebracht op 4.957,87 euro of een vervangende gevangenisstraf van 3 maanden, een beroepsverbod gedurende 10 jaar, de verbeurdverklaring van de witgewassen bedragen van de tenlasteleggingen C.I en C.II, de verbeurdverklaring van het belastingvoordeel voortkomend uit illegale handel van de tenlasteleggingen E.I en F.I en de verbeurdverklaring van het voorwerp van de heling van de tenlastelegging D.
  20. Het bestreden arrest motiveert de tegen de eiser uitgesproken straffen als volgt: "Gelet op de ernst van de feiten, de lange duur ervan, de omvang ervan en het totaal gebrek aan schuldbesef in hoofde van de eiser wordt de straf passend bepaald als hieronder gesteld. Gelet op de concurrentievervalsing en het ontwrichten van de markt dringt een beroepsverbod, als hieronder gespecificeerd, zich verder op."
  21. Het eerste deel van deze overwegingen is niet te algemeen van aard. Het verantwoordt wettig zowel de hoofdstraffen als de verbeurdverklaringen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  22. Het onderdeel voert aan dat de motivering van het bestreden arrest betreffende de verbeurdverklaring van het belastingvoordeel dubbelzinnig is, omdat het niet uit te maken is of deze verbeurdverklaring nu als verplicht dan wel facultatief te beschouwen is.
  23. Het bestreden arrest kan niet begrepen worden in de zin dat de appelrechters oordelen dat ze gebonden zouden zijn door de door de procureur des Konings gevorderde verbeurdverklaring. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Vierde onderdeel
  24. Het onderdeel voert aan dat het bestreden arrest niet antwoordt op eisers verweer "dat de door de Procureur des Konings gevorderde verbeurdverklaring niet mocht worden uitgesproken in de mate ¿inzake BTW het vermogensvoordeel reeds vastgesteld is door de administratie van de BBI' en ¿de belasting betaald wordt aan de Schatkist', zoals bleek uit de door eiser vermelde en overgelegde betalingsregeling met de administratie".
  25. Door de hoger vermelde motivering van de tegen de eiser uitgesproken straffen, verwerpt het bestreden arrest dit verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde middel
  26. Het middel betreft de gelijktijdig tegen de eiser uitgesproken verbeurdverklaringen van, enerzijds, het belastingvoordeel voortkomend uit de illegale handel naar billijkheid geraamd op 118.988,90 euro (tenlasteleggingen E.I en F.I), anderzijds, de bedragen op bankrekening 320-0590870-16 BBL, (tenlastelegging C.I) en het inbeslaggenomen bedrag van 164.018 US-dollar (tenlastelegging C.II). Eerste onderdeel
  27. Het onderdeel voert miskenning aan van het zakelijke karakter van de verbeurdverklaring van artikel 42, 3°, Strafwetboek samen met artikel 43bis Strafwetboek, en van artikel 505, derde lid, samen met artikel 42, 1°, Strafwetboek die een dubbele verbeurdverklaring van dezelfde bedragen of bedragen van dezelfde oorsprong verbieden, en bijgevolg schending van de artikelen 42, 1° en 3°, 43bis, eerste en tweede lid, en 505, derde lid, Strafwetboek. Het onderdeel stelt dat gelet op het zakelijke karakter van de beide verbeurdverklaringen het bestreden arrest, niet wettig, alleszins niet tegen de eiser, dader van zowel het misdrijf waaruit de vermogensvoordelen zijn verkregen als van het witwassen ervan, tezelfdertijd de verbeurdverklaring van het belastingvoordeel uit de illegale handel in tweedehandsjuwelen (tenlasteleggingen E.I en F.I), geraamd op 118.988,90 euro, kon uitspreken en een tweede maal de verbeurdverklaring van het voorwerp van het witwassen (tenlasteleggingen C.I en C.II), dit is 241.830,24 euro en 164.018 USdollar, waarin de door de fiscale misdrijven niet afgedragen inkomsten begrepen waren.
  28. De verbeurdverklaring van de criminele vermogensvoordelen of van een daarmee overeenstemmend bedrag overeenkomstig artikel 42, 3°, Strafwetboek, samen met artikel 43bis Strafwetboek, en deze van de witgewassen zaken van artikel 505, derde lid, Strafwetboek, samen met artikel 42, 1°, Strafwetboek, zijn beide straffen met een zakelijk karakter. Hieruit volgt dat zij worden uitgesproken tegen elke schuldige maar enkel de door de wet bepaalde zaken kunnen betreffen. Wanneer dezelfde dader schuldig is aan een misdrijf dat de criminele vermogensvoordelen heeft voortgebracht en aan latere feiten van witwassen ervan, kunnen zij uiteraard tegen hem slechts eenmaal verbeurd worden verklaard.
  29. Het staat de rechter, die daarvan is gevat, in feite te oordelen in hoeverre het belastingvoordeel verkregen uit misdrijven, begrepen is in de navolgende feiten van witwassen van de illegale inkomsten uit die misdrijven. Het bestreden arrest onderzoekt dit niet. Dit tast evenwel de rechtgeldigheid van de vaststelling van het bedrag van het belastingvoordeel voortkomend uit de illegale handel op zich niet aan. Het onderdeel is enkel gegrond in zoverre het de vaststelling van de witgewassen bedragen betreft. Tweede en derde onderdeel
  30. De onderdelen die niet tot ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing kunnen leiden, behoeven geen antwoord. Vierde middel
  31. Het middel betreft het tegen de eiser uitgesproken beroepsverbod. Eerste onderdeel
  32. Het onderdeel voert aan dat artikel 6 EVRM en het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging vereisten dat de eiser uitgenodigd werd zich te verdedigen over een facultatief beroepsverbod van artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, zoals gewijzigd bij wet van 2 juni
  33. Het bekritiseerde beroepsverbod was reeds uitgesproken door het vonnis van de correctionele rechtbank. Ingevolge de devolutieve werking van het hoger beroep was het beroepsverbod in debat voor de appelrechter zodat eiser niet meer diende te worden uitgenodigd om zich hierop te verdedigen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  34. Het onderdeel voert aan dat het tegen de eiser uitgesproken beroepsverbod niet is gemotiveerd zoals vereist door artikel 195 Wetboek van Strafvordering.
  35. Het bestreden arrest motiveert de tegen de eiser uitgesproken straffen, waaronder een beroepsverbod gedurende 10 jaar, als volgt: "Gelet op de ernst van de feiten, de lange duur ervan, de omvang ervan en het totaal gebrek aan schuldbesef in hoofde van de eiser wordt de straf passend bepaald als hieronder gesteld. Gelet op de concurrentievervalsing en het ontwrichten van de markt dringt een beroepsverbod, als hieronder gespecificeerd, zich verder op." Met deze overwegingen, die in hun geheel moeten worden gelezen, motiveert het bestreden arrest, overeenkomstig artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, beknopt maar nauwkeurig de aan de eiser opgelegde straffen en de strafmaat ervan, ook wat het uitgesproken beroepsverbod betreft. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve middel wat de eiseres II betreft Geschonden wettelijke bepaling - de artikelen 42, 1° en 3°, 43bis, eerste en tweede lid, en 505, derde lid, Strafwetboek.
  36. De redenen en het besluit vermeld in antwoord op het eerste onderdeel van het derde middel van de eiser I, gelden ook voor de eiseres II. Ambtshalve onderzoek van beslissing op de strafvordering
  37. Behoudens wat de hierna vernietigde beslissing betreft, zijn de substantiële of op straffe van nietigheid voorge¬schreven rechts¬vormen in acht genomen en zijn de beslissingen overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de verbeurdverklaring van de bedragen op bankrekening 320-0590870-16 BBL, thans ING, en van het bedrag van 164.018 US-dollar. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eisers in twee derde van de kosten van hun cassatieberoepen en laat de overige kosten ten laste van de Staat. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Gent. Begroot de kosten in het geheel op 419,76 euro, waarvan de eisers elk 209,88 euro verschuldigd zijn. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère en Paul Maffei, en op de openbare terechtzitting van 4 september 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. F. Adriaensen P. Maffei J.-P. Frère E. Goethals L. Huybrechts E. Forrier PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070904.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090210.11 ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140910.2 ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201201.2N.5 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250131.1N.9 precedenten: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000621.30 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050111.12 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071016.7 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071211.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181106.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.