← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070906.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070906.2 Rolnummer: C.06.0345.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-09-28 Raadplegingen: 534 - laatst gezien 2026-07-04 02:42 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Een vernietiging van een beslissing door het Hof van Cassatie brengt van rechtswege vernietiging mee van de handelingen die het gevolg zijn van de vernietigde beslissing

(1).
(1)Zie Cass., 10 april 1981, A.C., 1980-81, nr. 464, met concl. P.G. Dumon. Thesaurus CAS: CASSATIE - VERNIETIGING. OMVANG - Burgerlijke zaken UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatie - Gevolgen - Omvang van cassatie - In burgerlijke zaken Fiche 2 De definitieve evaluatiebeslissing van het college van evaluatoren, houdende de beoordeling "onvoldoende" is het gevolg van de vorige evaluatiebeslissing houdende dezelfde beoordeling; doordat laatstgenoemde beslissing door het Hof van Cassatie vernietigd werd, is het verzoek van de aldus geëvalueerde magistraat aan het Hof tot vernietiging van eerstgenoemde beslissing gegrond
(1).
(1)
  1. Eiseres, een rechter, had op 29 september 2005 een voorziening in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof van beroep van 30 juni 2005 dat haar verzoek tot wraking van haar evaluatoren (wegens gebrek aan onpartijdigheid) niet toelaatbaar had verklaard. Op 10 januari 2006 stelde ze ook een "voorziening in cassatie" in tegen de evaluatiebeslissing van 7 oktober 2005, houdende de beoordeling "onvoldoende", van het college van (die) evaluatoren. Het O.M. concludeerde tot een verwerping van beide voorzieningen, de eerste o.m. op grond dat de evaluatie geen rechtspleging is in de zin van art. 2 Ger.W., maar een door dat wetboek zelf geregelde procedure en dat de wraking van rechters slechts op hun rechtsprekende functie betrekking had. Wat de tweede betreft stelde het O.M. de vraag of, afgezien van het feit dat het niet duidelijk was welk van beide rechtsmiddelen (een verzoek tot vernietiging wegens overschrijding van bevoegdheid of een cassatieberoep) eiseres hanteerde, het verzoekschrift, in zoverre het niettemin als een cassatieberoep kon worden beschouwd, niet als onontvankelijk moet worden afgewezen, omdat de bestreden beslissing niet behoort tot de beslissingen waartegen, krachtens artikel 609 Ger.W., een voorziening in cassatie openstaat. Het stelde voor, ingeval van twijfel, artikel 1097 Ger.W. toe te passen. Het Hof heeft deze zaken gevoegd omdat ze betrekking hadden op dezelfde evaluatie, het arrest van het hof van beroep vernietigd, op grond dat de regels in zake wraking bedoeld in de artikelen 828 e.v. Ger.W. van toepassing zijn op de evaluatie van magistraten en deze vernietiging uitgebreid tot de evaluatiebeslissing, als een gevolg van het vernietigd arrest. Dit cassatiearrest werd niet gepubliceerd.
  2. In de geannoteerde zaak, waarin de eiseres opkwam tegen de navolgende definitieve evaluatiebeslissing van 4 april 2006 (en waarbij de beoordeling "onvoldoende" werd aangehouden) heeft het O.M., overeenkomstig art. 1097 Ger. W., o.m., behoudens de voormelde uit art. 609 afgeleide grond, volgende gronden van niet-ontvankelijkheid van het "verzoekschrift" opgeworpen:
(1)het verzoekschrift verduidelijkt niet welke keuze eiseres maakt tussen een cassatieberoep overeenkomstig artikel 1073 Ger. W. en een vordering tot nietigverklaring op grond van artikel 610 Ger.W.(krachtens artikel 1088 voorbehouden aan de procureur-generaal bij het Hof), noch hoe zij zou gerechtigd zijn beide rechtsmiddelen te cumuleren.; (...)
(4)de voorziening tegen een beslissing die het gevolg is van een door het Hof vernietigde beslissing (zoals in het verzoekschrift voorgehouden: i.c. het gevolg van de vernietigde evaluatiebeslissing van 7 oktober 2005) heeft geen bestaansreden, omdat de vernietiging van de gevolgbeslissing van rechtswege werkt, ook al werd dit door het Hof in het vernietigingsarrest niet vastgesteld (met verwijzing naar Cass., 10 april 1981, met de conclusie, zoals in vorige voetnoot aangehaald). Aldus had eiseres geen belang. Het O.M. handhaafde dit standpunt ter zitting en concludeerde, in ondergeschikte orde, mondeling tot afwijzing van de aangevoerde middelen. Het Hof heeft het verzoek impliciet ontvankelijk verklaard en de definitieve evaluatiebeslissing (ook?) "rechtstreeks" vernietigd. Thesaurus CAS: MACHTEN - RECHTERLIJKE MACHT UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatie - Gevolgen - Omvang van cassatie - In burgerlijke zaken Vrije woorden: Magistraten - Evaluatie - Beoordeling "onvoldoende" - Cassatieberoep - Vernietiging - Volgende evaluatie - Beoordeling "onvoldoende" aangehouden - Cassatieberoep Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 259nonies, eerste lid en 360quater, tweede lid Fiche 3 De definitieve evaluatiebeslissing van het college van evaluatoren, houdende de beoordeling "onvoldoende" is het gevolg van de vorige evaluatiebeslissing houdende dezelfde beoordeling; doordat laatstgenoemde beslissing door het Hof van Cassatie vernietigd werd, is het verzoek van de aldus geëvalueerde magistraat aan het Hof tot vernietiging van eerstgenoemde beslissing gegrond
(1).
(1)
  1. Eiseres, een rechter, had op 29 september 2005 een voorziening in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof van beroep van 30 juni 2005 dat haar verzoek tot wraking van haar evaluatoren (wegens gebrek aan onpartijdigheid) niet toelaatbaar had verklaard. Op 10 januari 2006 stelde ze ook een "voorziening in cassatie" in tegen de evaluatiebeslissing van 7 oktober 2005, houdende de beoordeling "onvoldoende", van het college van (die) evaluatoren. Het O.M. concludeerde tot een verwerping van beide voorzieningen, de eerste o.m. op grond dat de evaluatie geen rechtspleging is in de zin van art. 2 Ger.W., maar een door dat wetboek zelf geregelde procedure en dat de wraking van rechters slechts op hun rechtsprekende functie betrekking had. Wat de tweede betreft stelde het O.M. de vraag of, afgezien van het feit dat het niet duidelijk was welk van beide rechtsmiddelen (een verzoek tot vernietiging wegens overschrijding van bevoegdheid of een cassatieberoep) eiseres hanteerde, het verzoekschrift, in zoverre het niettemin als een cassatieberoep kon worden beschouwd, niet als onontvankelijk moet worden afgewezen, omdat de bestreden beslissing niet behoort tot de beslissingen waartegen, krachtens artikel 609 Ger.W., een voorziening in cassatie openstaat. Het stelde voor, ingeval van twijfel, artikel 1097 Ger.W. toe te passen. Het Hof heeft deze zaken gevoegd omdat ze betrekking hadden op dezelfde evaluatie, het arrest van het hof van beroep vernietigd, op grond dat de regels in zake wraking bedoeld in de artikelen 828 e.v. Ger.W. van toepassing zijn op de evaluatie van magistraten en deze vernietiging uitgebreid tot de evaluatiebeslissing, als een gevolg van het vernietigd arrest. Dit cassatiearrest werd niet gepubliceerd.
  2. In de geannoteerde zaak, waarin de eiseres opkwam tegen de navolgende definitieve evaluatiebeslissing van 4 april 2006 (en waarbij de beoordeling "onvoldoende" werd aangehouden) heeft het O.M., overeenkomstig art. 1097 Ger. W., o.m., behoudens de voormelde uit art. 609 afgeleide grond, volgende gronden van niet-ontvankelijkheid van het "verzoekschrift" opgeworpen:
(1)het verzoekschrift verduidelijkt niet welke keuze eiseres maakt tussen een cassatieberoep overeenkomstig artikel 1073 Ger. W. en een vordering tot nietigverklaring op grond van artikel 610 Ger.W.(krachtens artikel 1088 voorbehouden aan de procureur-generaal bij het Hof), noch hoe zij zou gerechtigd zijn beide rechtsmiddelen te cumuleren.; (...)
(4)de voorziening tegen een beslissing die het gevolg is van een door het Hof vernietigde beslissing (zoals in het verzoekschrift voorgehouden: i.c. het gevolg van de vernietigde evaluatiebeslissing van 7 oktober 2005) heeft geen bestaansreden, omdat de vernietiging van de gevolgbeslissing van rechtswege werkt, ook al werd dit door het Hof in het vernietigingsarrest niet vastgesteld (met verwijzing naar Cass., 10 april 1981, met de conclusie, zoals in vorige voetnoot aangehaald). Aldus had eiseres geen belang. Het O.M. handhaafde dit standpunt ter zitting en concludeerde, in ondergeschikte orde, mondeling tot afwijzing van de aangevoerde middelen. Het Hof heeft het verzoek impliciet ontvankelijk verklaard en de definitieve evaluatiebeslissing (ook?) "rechtstreeks" vernietigd.
  1. Eiseres, een rechter, had op 29 september 2005 een voorziening in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof van beroep van 30 juni 2005 dat haar verzoek tot wraking van haar evaluatoren (wegens gebrek aan onpartijdigheid) niet toelaatbaar had verklaard. Op 10 januari 2006 stelde ze ook een "voorziening in cassatie" in tegen de evaluatiebeslissing van 7 oktober 2005, houdende de beoordeling "onvoldoende", van het college van (die) evaluatoren. Het O.M. concludeerde tot een verwerping van beide voorzieningen, de eerste o.m. op grond dat de evaluatie geen rechtspleging is in de zin van art. 2 Ger.W., maar een door dat wetboek zelf geregelde procedure en dat de wraking van rechters slechts op hun rechtsprekende functie betrekking had. Wat de tweede betreft stelde het O.M. de vraag of, afgezien van het feit dat het niet duidelijk was welk van beide rechtsmiddelen (een verzoek tot vernietiging wegens overschrijding van bevoegdheid of een cassatieberoep) eiseres hanteerde, het verzoekschrift, in zoverre het niettemin als een cassatieberoep kon worden beschouwd, niet als onontvankelijk moet worden afgewezen, omdat de bestreden beslissing niet behoort tot de beslissingen waartegen, krachtens artikel 609 Ger.W., een voorziening in cassatie openstaat. Het stelde voor, ingeval van twijfel, artikel 1097 Ger.W. toe te passen. Het Hof heeft deze zaken gevoegd omdat ze betrekking hadden op dezelfde evaluatie, het arrest van het hof van beroep vernietigd, op grond dat de regels in zake wraking bedoeld in de artikelen 828 e.v. Ger.W. van toepassing zijn op de evaluatie van magistraten en deze vernietiging uitgebreid tot de evaluatiebeslissing, als een gevolg van het vernietigd arrest. Dit cassatiearrest werd niet gepubliceerd.
  2. In de geannoteerde zaak, waarin de eiseres opkwam tegen de navolgende definitieve evaluatiebeslissing van 4 april 2006 (en waarbij de beoordeling "onvoldoende" werd aangehouden) heeft het O.M., overeenkomstig art. 1097 Ger. W., o.m., behoudens de voormelde uit art. 609 afgeleide grond, volgende gronden van niet-ontvankelijkheid van het "verzoekschrift" opgeworpen:
(1)het verzoekschrift verduidelijkt niet welke keuze eiseres maakt tussen een cassatieberoep overeenkomstig artikel 1073 Ger. W. en een vordering tot nietigverklaring op grond van artikel 610 Ger.W.(krachtens artikel 1088 voorbehouden aan de procureur-generaal bij het Hof), noch hoe zij zou gerechtigd zijn beide rechtsmiddelen te cumuleren.; (...)
(4)de voorziening tegen een beslissing die het gevolg is van een door het Hof vernietigde beslissing (zoals in het verzoekschrift voorgehouden: i.c. het gevolg van de vernietigde evaluatiebeslissing van 7 oktober 2005) heeft geen bestaansreden, omdat de vernietiging van de gevolgbeslissing van rechtswege werkt, ook al werd dit door het Hof in het vernietigingsarrest niet vastgesteld (met verwijzing naar Cass., 10 april 1981, met de conclusie, zoals in vorige voetnoot aangehaald). Aldus had eiseres geen belang. Het O.M. handhaafde dit standpunt ter zitting en concludeerde, in ondergeschikte orde, mondeling tot afwijzing van de aangevoerde middelen. Het Hof heeft het verzoek impliciet ontvankelijk verklaard en de definitieve evaluatiebeslissing (ook?) "rechtstreeks" vernietigd. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Allerlei UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatie - Gevolgen - Omvang van cassatie - In burgerlijke zaken Vrije woorden: Magistraten - Evaluatie - Beoordeling "onvoldoende" - Cassatieberoep - Vernietiging - Volgende evaluatie - Beoordeling "onvoldoende" aangehouden - Cassatieberoep Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 259nonies, eerste lid en 360quater, tweede lid Annotaties Publicaties: R.A.B.G. - Rudy VERBEKE; De nawerking van een vernietigde evaluatie van een magistraat. - 2008, 286-293 Tekst van de beslissing Nr. C.06.0345.N X, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het verzoekschrift is gericht tegen de definitieve evaluatiebeslissing van het college van evaluatoren van de Rechtbank van Koophandel te D. van 4 april
  1. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. MIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 259nonies, 259decies, 360quater en 1110 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het verzoekschrift strekt tot vernietiging van de definitieve evaluatiebeslissing, door het college van evaluatoren bij de Rechtbank van Koophandel te D. op 4 april 2006 genomen. In deze beslissing wordt aan de eiseres een eindbeoordeling ¿onvoldoende' toegekend. Grieven Schending van de artikelen 259nonies, 259decies, 360quater en 1110 van het Gerechtelijk Wetboek.
  2. Artikel 259nonies, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de werkende beroepsmagistraten onderworpen worden aan een gemotiveerde schriftelijke evaluatie, de periodieke evaluatie. Deze periodieke evaluatie vindt de eerste maal plaats een jaar na de eedaflegging en vervolgens om de drie jaar (cf. artikel 259decies, §1, van het Gerechtelijk Wetboek). Indien deze periodieke evaluatie aanleiding geeft tot de beoordeling ¿onvoldoende', wordt artikel 360quater van het Gerechtelijk Wetboek toegepast (cf. artikel 259decies, §3, van het Gerechtelijk Wetboek). Overeenkomstig artikel 360quater van het Gerechtelijk Wetboek leidt de beoordeling ¿onvoldoende' gedurende zes maanden tot de inhouding van de laatste driejaarlijkse weddeverhoging, onverminderd tuchtrechtelijke gevolgen, en wordt de betrokken magistraat opnieuw geëvalueerd na verloop van zes maanden.
  3. Nadat het college van evaluatoren bij de Rechtbank van Koophandel te D. op 7 oktober 2005 een definitieve evaluatiebeslissing met als uitkomst ¿onvoldoende' had genomen, deelde het college deze beslissing krachtens artikel 259nonies aan de minister van Justitie mee. Het directoraat-generaal rechterlijke organisatie van de Federale Overheidsdienst Justitie meldde op 27 oktober 2005 ontvangst van deze beslissing, gaf aan dat het opdracht zou geven om met ingang van 7 oktober 2005 de weddeverhoging van de eiseres te doen inhouden en stelde dat op basis van artikel 360quater van het Gerechtelijk Wetboek na verloop van zes maanden een volgende periodieke evaluatie van de eiseres zou moeten plaatsvinden (cf. de brief van 27 oktober 2005 die aan deze voorziening gehecht wordt). De eiseres werd aldus krachtens de artikelen 259nonies, 259decies juncto 360quater opnieuw geëvalueerd, wat aanleiding gaf tot de bestreden definitieve evaluatiebeslissing van 4 april 2006 met betrekking tot de periode van 27 oktober 2005 tot 24 maart
  4. Het Hof vernietigde op 1 juni 2006 evenwel de definitieve evaluatiebeslissing van het college van evaluatoren van 7 oktober
  5. Het Hof stelde in dat verband correct vast dat de voorziening in cassatie tegen het arrest van het hof van beroep en de vordering tot vernietiging van de beslissing van 7 oktober 2005 op dezelfde evaluatie betrekking hadden (cf. p. 9, III. Beslissing van het Hof, Samenvoeging).
  6. De definitieve evaluatiebeslissing van 4 april 2006 die thans aan het Hof wordt voorgelegd is evenzeer een gevolg van de vernietigde evaluatiebeslissing van 7 oktober
  7. Zonder de beoordeling ¿onvoldoende' van 7 oktober 2005 had de nieuwe zesmaandelijkse evaluatie bedoeld in artikel 360quater van het Gerechtelijk Wetboek immers niet kunnen plaatsvinden. De thans bestreden definitieve evaluatiebeslissing van 4 april 2006 is dus een noodzakelijk gevolg van de definitieve evaluatiebeslissing die eerder door het Hof vernietigd werd. Vermits het vernietigingsarrest van het Hof van Cassatie van 1 juni 2006 krachtens artikel 1110 van het Gerechtelijk Wetboek ook de handelingen omvat die er een noodzakelijk gevolg van zijn, verzoekt de eiseres het Hof om vast te stellen dat dit vernietigingsarrest zich ook uitstrekt tot de definitieve evaluatiebeslissing van 4 april 2006 en, voor zoveel als nodig, op basis van de artikelen 259nonies, 259decies, 360quater en 1110 van het Gerechtelijk Wetboek, deze evaluatiebeslissing te vernietigen. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - het algemeen rechtsbeginsel betreffende het verbod van machtsoverschrijding; - de artikelen 259nonies, 332 en 610 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het verzoekschrift strekt tot vernietiging van de definitieve evaluatiebeslissing van het college van evaluatoren bij de Rechtbank van Koophandel te D. van 4 april 2006 en dit wegens machtsoverschrijding. In deze beslissing wordt aan de eiseres een eindbeoordeling ¿onvoldoende' toegekend. Grieven Schending van het algemeen rechtsbeginsel betreffende het verbod van machtsoverschrijding en van de artikelen 259nonies, 332 en 610 van het Gerechtelijk Wetboek.
  8. Artikel 259nonies van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de werkende beroepsmagistraten worden onderworpen aan een gemotiveerde schriftelijke evaluatie, die slaat op de wijze van ambtsuitoefening, met uitsluiting van de inhoud van een rechterlijke beslissing, en dit op grond van criteria die betrekking hebben op de persoonlijkheid en de intellectuele, professionele en organisatorische capaciteiten.
  9. Hoewel mevrouw X. tijdens de periode van 27 oktober 2005 tot 24 maart 2006 wettig afwezig was wegens ziekteverlof (cf. artikel 332 van het Gerechtelijk Wetboek en de ministeriële beslissingen gehecht aan deze voorziening, die ook aan de Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te D. meegedeeld werden), werd zij door het college van evaluatoren bij de Rechtbank van Koophandel te D. toch uitgenodigd voor een voorafgaand functioneringsgesprek op 15 februari 2006 en een evaluatiegesprek op 23 maart
  10. Het college van evaluatoren nam daarop op 23 maart 2006 een voorlopige en op 4 april 2006 een definitieve evaluatiebeslissing, waarbij aan mevrouw X. opnieuw de globale beoordeling ¿onvoldoende' gegeven werd.
  11. Het college van evaluatoren stelt in de bestreden beslissing vast dat de eiseres tot 24 maart 2006 afwezig is wegens ziekte maar overweegt desondanks dat zij "verkozen heeft" om niet deel te nemen aan het functioneringsgesprek en het evaluatiegesprek (cf. p. 3 van de definitieve evaluatiebeslissing). Het college beslist vervolgens dat er "sedert de laatste evaluatie geen verandering is in de toestand. Mevrouw X. was immers ziek van 27 oktober 2005 tot 24 maart
  12. De evaluatoren beoordelen haar dienvolgens nog steeds op dezelfde wijze (...)" (cf. p. 3 van deze beslissing).
  13. De eiseres werd aldus geëvalueerd voor een periode waarin zij, wettig afwezig wegens ziekte, niet als magistrate werkzaam was. Bij gebrek aan prestaties tijdens deze periode van wettige afwezigheid hernam het college van evaluatoren daartoe de motieven die aan de evaluatiebeslissing van 7 oktober 2005 ten grondslag lagen. Het college van evaluatoren handelt aldus onmiskenbaar in strijd met de geest en de bewoordingen van artikel 259nonies van het Gerechtelijk Wetboek, nu het college de eiseres evalueert voor een periode waarin zij niet werkzaam was en de evaluatoren hun beslissing staven aan de hand van motieven die met de bewuste evaluatieperiode geen uitstaans hebben. De beslissing van het college van evaluatoren om de eiseres "dienvolgens nog steeds op dezelfde wijze te beoordelen", is dan ook een manifeste miskenning van artikel 259nonies van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de evaluatie van magistraten - dat slechts op ¿werkende beroepsmagistraten' betrekking heeft - alsook van artikel 332 van datzelfde Wetboek, waarin de mogelijkheid vervat ligt om mits toelating van de minister van Justitie afwezig te zijn. Gelet op deze ernstige miskenning van de artikelen 259nonies en 332 van het Gerechtelijk Wetboek, is de bestreden definitieve evaluatiebeslissing aangetast door machtsoverschrijding en dient zij dienvolgens te worden vernietigd. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  14. Artikel 259novies, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de werkende beroepsmagistraten onderworpen worden aan een gemotiveerde schriftelijke evaluatie. Deze evaluatie is periodiek wanneer het een benoeming betreft. De beoordeling "onvoldoende" geeft, krachtens artikel 259decies, §3, van het Gerechtelijk Wetboek, aanleiding tot de toepassing van artikel 360quater van het Gerechtelijk Wetboek. Krachtens vermeld artikel 360quater, lid 2, heeft de beoordeling "onvoldoende" met name tot gevolg dat de betrokken magistraat opnieuw wordt geëvalueerd na verloop van zes maanden.
  15. Uit de stukken blijkt dat op 7 oktober 2005 het college van evaluatoren van de Rechtbank van Koophandel te D. een definitieve evaluatiebeslissing betreffende de eiseres heeft genomen, waarbij de beoordeling "onvoldoende" is aangehouden. Bij arrest van 1 juni 2006, heeft het Hof van Cassatie de definitieve evaluatiebeslissing van het college van evaluatoren van 7 oktober 2005 vernietigd.
  16. Op 4 april 2006 had het college van evaluatoren van de Rechtbank van Koophandel te D. een definitieve evaluatiebeslissing betreffende de eiseres genomen, voor de periode van 7 oktober 2005 tot 23 maart 2006, waarbij andermaal de beoordeling "onvoldoende" werd aangehouden.
  17. Een vernietiging van een beslissing door het Hof van Cassatie brengt van rechtswege vernietiging mee van de handelingen die het gevolg zijn van de vernietigde beslissing. De definitieve evaluatiebeslissing van het college van evaluatoren van 4 april 2006, is het gevolg van de vernietigde evaluatiebeslissing vervat in de evaluatiebeslissing van 7 oktober
  18. Het verzoek is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt de beslissing van het college van evaluatoren van 4 april
  19. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing. Veroordeelt de Belgische Staat in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van nul euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, de afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Stassijns en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 6 september 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. J. Pafenols B. Deconinck E. Stassijns E. Waûters R. Boes I. Verougstraete PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070906.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170622.7 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190301.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.