id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070911.2 Rolnummer: P.07.0470.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2007-09-26 Raadplegingen: 188 - laatst gezien 2026-07-03 06:08 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Uit de samenhang van de artikelen 61.1.1° en 61.1.4°, Wegverkeerreglement volgt dat een rode pijl voorbijrijden in de richting die door de pijl wordt aangegeven, overeenstemt met het voorbijrijden van een rood licht, zodat de bepaling van artikel 3, 36°, van het koninklijk besluit van 30 september 2005 tot aanwijzing van de overtredingen per graad van de algemene reglementen genomen ter uitvoering van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, dat het negeren van een rood licht aanwijst als een overtreding van de derde graad in de zin van artikel 29, § 1, tweede lid, Wegverkeerswet, dus ook van toepassing is op de bestuurder die een rode pijl voorbijrijdt in de richting die door de pijl wordt aangegeven. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 29 UTU-thesaurus: STRAFRECHT - WEGVERKEER - Wegcode 1 december 1975 - Verkeerslichten - art. 61-64 Vrije woorden: Artikel 29, § 1, tweede lid - Artikel 3, 36°, K.B. 30 september 2005 - Overtredingen van de derde graad - Artikel 61.1.1°, Wegverkeerreglement - Voorbijrijden rood licht - Artikel 61.1.4°, Wegverkeerreglement - Voorbijrijden rode pijl in de richting die door de pijl wordt aangegeven Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSREGLEMENT VAN 01-12-1975 - REGLEMENTSBEPALINGEN - Artikel 61 UTU-thesaurus: STRAFRECHT - WEGVERKEER - Wegcode 1 december 1975 - Verkeerslichten - art. 61-64 Vrije woorden: Artikel 61.1.1°, Wegverkeerreglement - Voorbijrijden rood licht - Artikel 61.1.4°, Wegverkeerreglement - Voorbijrijden rode pijl in de richting die door de pijl wordt aangegeven - Artikel 29, § 1, tweede lid, Wegverkeerswet - Artikel 3, 36°, K.B. 30 september 2005 - Overtredingen van de derde graad Tekst van de beslissing Nr. P.07.0470.N PROCUREUR DES KONINGS BIJ DE RECHTBANK VAN EERSTE AAN¬LEG TE MECHELEN, eiser, tegen M. J. C., beklaagde, verweerder, met als raadsman mr. Marc Baestaens, advocaat bij de balie te Mechelen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Correctionele Rechtbank te Mechelen van 14 maart
- Afdelingsvoorzitter Edward Forrier heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. FEITEN EN VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING De beklaagde werd vervolgd om op 3 januari 2006 "als weggebruiker of bestuurder van een voertuig op de openbare weg, nagelaten te hebben zich te gedragen naar de verkeerstekens en wegmarkeringen, regelmatig naar de vorm, voldoende zichtbaar en overeenkomstig de voorschriften van het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer aangebracht, namelijk: een rode of oranjegele pijl (art. 5 en 61.1.4° Wegverkeerreglement; art. 29, § 1, tweede lid, en art. 38, § 1, derde lid, Wegverkeerwet, aangewezen als zware overtreding bij artikel 3 KB van 22 december 2003)". Zowel het beroepen als het bestreden vonnis hebben geoordeeld dat de overtreding bewezen is, maar dat een rode of oranjegele pijl voorbijrijden een overtreding van de eerste graad (artikel 29, § 2, Wegverkeerwet) is. Artikel 61.1.4° Wegverkeerreglement is immers in het koninklijk besluit van 30 september 2005 tot aanwijzing van de overtredingen per graad van de algemene reglementen genomen ter uitvoering van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, niet opgenomen als een overtreding van de tweede, derde of vierde graad. III. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in een verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikelen 29 en 38, inzonderheid artikel 38, § 1, 3°, Wegverkeerwet; - artikelen 5, 61.1.1°, en 61.1.4°, Wegverkeerreglement - artikelen 1 en 3, inzonderheid artikel 3.36°, van het koninklijk besluit van 30 september 2005 tot aanwijzing van de overtredingen per graad van de algemene reglementen ter uitvoering van de wet betreffende de politie over het wegverkeer. Aangevochten beslissingen De appelrechters stellen dat de tenlastelegging omschreven onder de artikelen 5, juncto artikel 61.1.4°, namelijk het negeren van een rode pijl, sinds de inwerkingtreding van de wet van 20 juli 2005 tot wijziging van de gecoördineerde wetten van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer (op 31 maart 2006) een overtreding van de eerste graad, in de zin van artikel 29 §2 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer uitmaakt. Grieven De telastlegging is sinds de inwerkingtreding van de wet van 20 juli 2005 tot wijziging van de gecoördineerde wetten van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer (op 31 maart 2006), een overtreding van de derde graad, in de zin van artikel 29, §1, tweede lid Wegverkeerwet. Artikel 3.1.18° van het koninklijk besluit van 22 december 2003 tot aanwijzing van de zware overtredingen per graad van de algemene reglementen genomen in uitvoering van de Wegverkeerwet bepaalde dat "de artikelen 61.1° en 63.2 -overtreding: een rood licht of een vast oranjegeel licht niet in acht genomen te hebben" beschouwd worden als zware overtredingen van de tweede graad in de zin van (het toenmalig) artikel 29, § 1, tweede lid, Wegverkeerwet. Artikel 29, § 1, tweede lid, Wegverkeerwet luidde van 1 maart 2004 tot en met 30 maart 2006 als volgt: "De speciaal door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, als zodanig aangewezen zware overtredingen van de tweede graad van de reglementen uitgevaardigd op grond van deze gecoördineerde wetten, worden gestraft met geldboete van 50 euro tot 500 euro." Ingevolge het toenmalig artikel 38 Wegverkeerwet was een verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig facultatief. Zoals hierna zal blijken is de bestraffing van de telastlegging volgens de nieuwe wet milder, zodat de rechtbank overeenkomstig artikel 2 Strafwetboek de nieuwste mildere wet moest toepassen. Artikel 29, § 1, tweede lid, Wegverkeerwet, zoals gewijzigd door de wet van 20 juli 2005 tot wijziging van de gecoördineerde wetten van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, luidt sinds 31 maart 2006 als volgt: "De Koning kan overtredingen van de reglementen uitgevaardigd op grond van deze gecoördineerde wetten die de veiligheid van personen rechtstreeks in gevaar brengen, en overtredingen die bestaan uit het negeren van een bevel van een bevoegd persoon, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, als zodanig aanwijzen als overtredingen van de derde graad. Deze overtredingen worden gestraft met een geldboete van 30 tot 500 euro." De bepalingen van het koninklijk besluit van 30 september 2005 tot aanwijzing van de overtredingen per graad van de algemene reglementen ter uitvoering van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, die van belang zijn voor het beoordelen van huidig verzoek luiden als volgt: - Artikel 1 - Wanneer de bepalingen van dit besluit afwijken van de artikelen van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg waarnaar verwezen wordt, dan gelden de bepalingen van dit besluit. In het verslag aan de Koning tot dit besluit wordt dit nader toegelicht als volgt: Het koninklijk besluit van 22 december 2003 gaf nogal wat interpretatieproblemen. Dat besluit bepaalde expliciet dat de exacte bewoordingen van het oorspronkelijk koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer voorrang hadden op de bewoordingen van het koninklijk besluit van 22 december
- Aangezien de bedoelingen die afgeleid werden uit de algemene bewoordingen van het koninklijk besluit van [22] december 2003 niet altijd overeenkwamen met de bewoordingen van het koninklijk besluit van 1 december 1975 leidde dit tot verwarring. Daarom wordt nu bepaald dat het koninklijk besluit tot aanwijzing van de overtredingen per graad een koninklijk besluit is dat op zichzelf staat. Dit betekent dat de exacte bewoordingen van het koninklijk besluit zelf worden gebruikt om de overtreding in te delen in een bepaalde graad. De verwijzingen naar de relevante bepalingen uit het koninklijk besluit van 1 december 1975 zijn enkel een hulpmiddel. In geval van tegenspraak tussen beide koninklijke besluiten primeert het koninklijk besluit tot aanwijzing van de overtredingen per graad. Ik verwijs hiervoor naar artikel I van het koninklijk besluit. - Artikel 3 - De overtredingen op de hierna vermelde bepalingen zijn overtredingen van de derde graad in de zin van artikel 29, § I, tweede lid [Wegverkeerwet]: Bepalingen Artikelen In het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg: 36° Het rood licht negeren. Rood licht betekent dat het verboden is de stopstreep of, zo er geen stopstreep is, het verkeerslicht zelf, voorbij te rijden 61.1.1° en 62ter, lid 2, 1° Artikel 61.
- Wegverkeerreglement luidt: "De driekleurige verkeerslichten zijn cirkelvormig en hebben de volgende betekenis: 1° rood licht betekent dat het verboden is de stopstreep of, zo er geen is, het verkeerslicht zelf, voorbij te rijden; (...) 4° het rode licht, het vast oranjegele licht en het groene licht mogen respectievelijk vervangen worden door één of meer rode -, oranjegele -of groene pijlen. Deze pijlen hebben dezelfde betekenis als de lichten maar het verbod of de toelating is beperkt tot de richtingen die door de pijlen aangegeven worden." Artikel 61.1.4°, Wegverkeerreglement is weliswaar niet expliciet opgenomen onder de "artikelen" van artikel 3.36° van het koninklijk besluit van 30 september 2005, maar uit de samenhang van de "bepaling" van dat laatste artikel enerzijds met de artikelen 61.1.1° en 61.1.4° Wegverkeerreglement anderzijds blijkt dat ook het negeren van een rode pijl een overtreding van de derde graad is. Artikel 3.36° van het koninklijk besluit van 30 september 2005 wijst immers algemeen "het rood licht negeren" als een overtreding van de derde graad aan en artikel 61.1.4° van het koninklijk besluit van 1 december 1975 stelt uitdrukkelijk dat deze pijlen dezelfde betekenis hebben als de lichten maar dat het verbod of de toelating beperkt is tot de richtingen die door de pijlen zijn aangegeven. Een rood licht beduidt een licht dat rood is. De rode pijl voldoet aan beide criteria. Conclusie De rechtbank had aldus, nadat zij de feiten bewezen verklaard had, de beklaagde moeten veroordelen tot een straf bepaald in (het nieuwste) artikel 29, § 1, 2° met een facultatief' verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig overeenkomstig artikel 38, § 1, 3°, Wegverkeerwet. IV. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Artikel 61.1.1°, Wegverkeerreglement bepaalt dat de driekleurige verkeerslichten cirkelvormig zijn en de volgende betekenis hebben: rood licht betekent dat het verboden is de stopstreep of, zo er geen stopstreep is, het verkeerslicht zelf, voorbij te rijden. Artikel 61.1.4°, Wegverkeerreglement bepaalt dat het rode licht, het vast oranjegele licht en het groene licht respectievelijk mogen vervangen worden door één of meer rode, oranjegele of groene pijlen. Deze pijlen hebben dezelfde betekenis als de lichten maar het verbod of de toelating is beperkt tot de richtingen die door de pijlen aangegeven worden.
- Uit de samenhang van deze bepalingen volgt dat een rode pijl voorbijrijden in de richting die door de pijl aangegeven wordt (artikel 61.1.4°, Wegverkeerreglement) overeenstemt met het voorbijrijden van een rood licht (artikel 61.1.1°,Wegverkeerreglement). De bepaling van artikel 3, 36°, koninklijk besluit van 30 september 2005 tot aanwijzing van de overtredingen per graad van de algemene reglementen genomen ter uitvoering van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, is dus ook van toepassing op de bestuurder die een rode pijl voorbijrijdt in de richting die door die pijl wordt aan gegeven.
- De appelrechters die anders hebben geoordeeld, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering Wat de schuldigverklaring betreft, zijn de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht genomen en is de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het uitspraak doet over de straf en de kosten. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Laat de kosten ten laste van de Staat. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Correctionele Rechtbank te Antwerpen, zitting houdend in hoger beroep. Begroot de kosten op 83,52 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 11 september 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. V. Kosynsky L. Van hoogenbemt P. Maffei J.-P. Frère E. Goethals E. Forrier PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070911.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div