← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070911.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070911.5 Rolnummer: P.07.0572.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2007-09-26 Raadplegingen: 189 - laatst gezien 2026-07-03 06:08 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Wanneer de beschuldigde, die veroordeeld is door het hof van assisen, nagelaten heeft de middelen bedoeld in artikel 235bis Wetboek van Strafvordering, die hij aan de feitenrechter kon onderwerpen bij conclusie te omschrijven vooraleer tot de voorlezing bedoeld in artikel 313 van dit wetboek werd overgegaan, zijn de door deze middelen bedoelde onregelmatigheden gedekt en kunnen deze middelen niet voor de eerste maal voor het Hof worden opgeworpen. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - EINDARREST UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Hof van assisen Vrije woorden: Veroordeling - Cassatieberoep van de beschuldigde - Middel waarbij een onregelmatigheid als bedoeld in artikel 235bis Sv. wordt aangevoerd - Geen conclusie betreffende deze onregelmatigheid voor de voorlezing bedoeld in artikel 313 Sv. - Gevolg - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 312bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Nieuw middel UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Hof van assisen Vrije woorden: Hof van Assisen - Eindarrest - Veroordeling - Cassatieberoep van de beschuldigde - Middel waarbij een onregelmatigheid als bedoeld in artikel 235bis Sv. wordt aangevoerd - Geen conclusie betreffende deze onregelmatigheid voor de voorlezing bedoeld in artikel 313 Sv. - Gevolg - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 312bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 3 Noch uit artikel 317, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, noch uit enige andere wettelijke bepaling volgt dat de verklaring van de getuige over zijn kennis van de beschuldigde vóór het feit dat in de akte van beschuldiging is vermeld of over de betrekkingen van verwantschap of dienstverband van die getuige met de beschuldigde, substantieel is of op straffe van nietigheid is voorgeschreven; bij afwezigheid van die verklaring kan de verdediging immers de voorzitter van het hof van assisen verzoeken de getuige daarover te ondervragen

(1).
(1)Zie Cass., 3 juni 1901, Pas., 1901, I, 280; SASSERATH S., Novelles, Procédure pénale, v° Cour d'Assises, nr
  1. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING EN TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Hof van assisen Vrije woorden: Verhoor van getuigen - Artikel 317, tweede lid, Sv. - Vragen aan de getuige over zijn kennis van de beschuldigde of het bestaan van verwantschap of dienstverband Tekst van de beslissing Nr. P.07.0572.N K. E. M. W., beschuldigde, gedetineerd, eiser, met als raadslieden mrs. Fien De Wannemacker en Joachim Meese, advocaten bij de balie te Gent, tegen
  2. L. M., burgerlijke partij,
  3. D. V., burgerlijke partij,
  4. J. K., burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Assisen van de provincie Oost-Vlaanderen van 29 maart
  5. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Hij legt een stuk, genaamd "Nota ex art. 1107 Ger. W." neer. Raadsheer Jean-Pierre Frère heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Regelmatigheid van de neerlegging van stukken De nota die de eiser na het in beraad nemen van de zaak ter griffie van het Hof heeft neergelegd, wordt buiten het beraad gehouden. Eerste middel
  6. Het middel voert aan dat de erin aangewezen politieambtenaar als getuige "voor het hof (van assisen) relaas heeft gegeven van de resultaten van de polygraaftest die eiser heeft ondergaan en waarbij de antwoorden van eiser op de vragen die werden gesteld met betrekking tot de ten laste gelegde feiten als leugenachtig werden bestempeld".
  7. Het komt in werkelijkheid op tegen het gebruik van de polygraaf in de loop van het gerechtelijk onderzoek, zelfs met toestemming van de betrokkene, op de grond dat het "een inmenging met zich brengt op het recht op privé-leven die enkel mogelijk is mits wettelijke basis, welke naar Belgisch recht ontbreekt". Aldus vraagt het middel uitspraak te doen over de regelmatigheid van een onderzoekshandeling tijdens het gerechtelijk onderzoek, als bedoeld in artikel 235bis Wetboek van Strafvordering.
  8. Artikel 312bis Wetboek van Strafvordering bepaalt: "De partijen dienen, vooraleer tot de voorlezing bedoeld in artikel 313 wordt overgegaan, de middelen bedoeld in artikel 235bis die zij aan de feitenrechter kunnen onderwerpen bij conclusie te omschrijven. Het hof (van assisen) doet daarover onmiddellijk uitspraak. De eis tot cassatie tegen dit arrest wordt ingesteld samen met de eis tegen het eindarrest bedoeld in artikel 373".
  9. Uit de stukken van de rechtspleging blijkt niet dat de eiser een conclusie betreffende het gebruik van de polygraaftest aan het hof van assisen vóór de lezing van het verwijzingsarrest heeft overgelegd. Bij gebreke daarvan, is de aangevoerde onregelmatigheid gedekt en kan het middel niet voor de eerste maal voor het Hof worden opgeworpen. Het middel is niet ontvankelijk. Tweede middel
  10. Het middel vraagt uitspraak te doen over de regelmatigheid van een onderzoekshandeling tijdens het gerechtelijk vooronderzoek, als bedoeld in artikel 235bis Wetboek van Strafvordering.
  11. Op grond van dezelfde redenen als deze vermeld in het antwoord op het eerste middel, is het middel niet ontvankelijk. Derde middel
  12. Naar luid van artikel 317, tweede lid, Wetboek van Strafvordering vraagt de voorzitter de getuigen hun naam, voornamen, leeftijd, beroep, woonplaats of verblijfplaats, of zij de beschuldigde kenden vóór het feit dat in de akte van beschuldiging vermeld is, of zij bloedverwant of aanverwant zijn, hetzij van de beschuldigde, hetzij van de burgerlijke partij en zo ja in welke graad; hij vraagt hun ook of zij niet in dienst zijn van een van beiden. In zoverre het artikel 317, tweede lid, Wetboek van Strafvordering betrekking heeft op de identiteit van de getuigen, vermeldt het proces-verbaal van de rechtszitting (blz. 44) de identiteit van de in het middel bedoelde getuigen (N. D. en I. M.). Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.
  13. Noch uit artikel 317, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, noch uit enige andere wettelijke bepaling volgt dat de verklaring van de getuige over zijn kennis van de beschuldigde vóór het feit dat in de akte van beschuldiging is vermeld, of over der betrekkingen van verwantschap of dienstverband van die getuige met de beschuldigde, substantieel is of op straffe van nietigheid is voorgeschreven. Bij afwezigheid van die verklaring kan de verdediging immers de voorzitter van het hof van assisen verzoeken de getuige daarover te ondervragen. In zoverre faalt het middel naar recht.
  14. Het proces-verbaal van de rechtszitting (blz. 47) vermeldt bovendien, onder meer, dat de in het middel bedoelde getuigen zich na hun verhoor verwijderd hebben "zonder opmerkingen vanwege het openbaar ministerie, de beschuldigde, zijn raadslieden en de raadslieden van de burgerlijke partijen". Het middel kan niet voor het eerst voor het Hof worden aangevoerd. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
  15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 57,12 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 11 september 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. V. Kosynsky L. Van hoogenbemt P. Maffei J.-P. Frère E. Goethals E. Forrier PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070911.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.