id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070913.1 Rolnummer: C.06.0311.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-09-28 Raadplegingen: 166 - laatst gezien 2026-07-03 06:08 Versie(s): Vertaling FR Fiche De vermeldingen die op grond van artikel 2, §2, 3° en 4°, B. Vl. Reg. van 28 april 2000 moeten worden opgenomen in het proces-verbaal dat een inbreuk op een bekrachtigd stakingsbevel vaststelt, zijn niet voorgeschreven op straffe van nietigheid; hun afwezigheid kan slechts tot nietigheid van dit proces-verbaal of van de daaropvolgende beslissing van de rekenplichtige tot het opleggen van een administratieve geldboete leiden indien de rechter vaststelt dat de overtreder, in wiens belang deze vormvereisten zijn voorgeschreven, in zijn belangen is geschaad. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - SANCTIES UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Grondfonds PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties Vrije woorden: Overtreding van een bekrachtigd stakingsbevel - Verplichte vermeldingen in het proces-verbaal - Aard - Ontbreken - Administratieve geldboete Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 - Art. 156 Besluit Vlaamse Regering - 28-04-2000 - Art. 2, § 2, 3° en 4° Tekst van de beslissing Nr. C.06.0311.N VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de minister-president, met kabinet te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Financiën, Begroting en Ruimtelijke Ordening, met kantoren te 1210 Brussel, Koning Albert II-laan 19, eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- BOUWBEDRIJF FURNIBO, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 8630 Veurne, Bedrijvenlaan 7,
- JOY-INVEST, naamloze vennootschap, met zetel te 8670 Koksijde, Weidestraat 1,
- GRYMONPON & ZOON, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 8650 Houthulst, Nieuwe-Stedestraat 2, verweersters. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 21 oktober 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 156 van het decreet van 18 mei 1999 "houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening"; - de artikelen 1, 2 en 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2000 "betreffende de administratieve geldboete voor het overtreden van een bekrachtigd stakingsbevel". Aangevochten beslissingen De eiser komt op tegen de bestreden beslissing in de mate dat de appelrechters daarin zijn hoger beroep ongegrond verklaren en het beroepen vonnis bevestigen, en aldus de oorspronkelijke vordering van de verweersters gegrond verklaren en de door de rekenplichtige van het Grondfonds bij beslissingen van 17 december 2002 aan hen opgelegde administratieve geldboeten dienvolgens kwijtschelden, en de eiser voorts tot de kosten veroordelen. De appelrechters stoelen hun beslissing op volgende gronden: ¿Bij beslissing van 17 december 2002 van het Grondfonds van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap werd aan (de verweersters) elk een administratieve geldboete van telkens 5.000,00 euro opgelegd wegens het doorbreken van een bekrachtigd stakingsbevel, dit krachtens artikel 156 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (DORO); De verzoeken tot kwijtschelding van (de verweersters) bij de gewestelijke stedenbouwkundig inspecteur werden bij beslissing van 16 januari 2003 ontvankelijk doch ongegrond verklaard; Bij dagvaarding van 23 april 2003 hebben (de verweersters) daartegen verzet gedaan overeenkomstig artikel 157, §4, DORO en de kwijtschelding gevorderd van deze administratieve geldboetes. In ondergeschikte orde hebben zij de vermindering ervan gevorderd; Door het bestreden vonnis werd de vordering ontvankelijk en gegrond verklaard en werden de hen opgelegde administratieve geldboetes kwijtgescholden. (De eiser) werd verwezen in de gedingkosten; (...) Artikel 156 DORO bepaalt dat onverminderd de bepaling van afdeling 1 van het decreet, een administratieve geldboete van 5.000,00 euro wordt opgelegd aan de persoon die handelingen, werken of wijzigingen voortzet in strijd met het door de stedenbouwkundige inspecteur bekrachtigd bevel tot staking bedoeld door artikel 154, vijfde lid; (De verweersters) kunnen niet worden gevolgd waar zij van mening zijn dat de bekrachtiging van het voornoemd bevel tot staking in tijd anterieur moet zijn aan het door de bevoegde verbalisant opgesteld proces-verbaal bedoeld in de artikelen 1 en 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2000, zoals gewijzigd door artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2001, betreffende de administratieve geldboete voor het overtreden van een bekrachtigd stakingsbevel (hierna te noemen ¿het besluit van de Vlaamse Regering') waardoor de inbreuk van dat stakingsbevel wordt vastgesteld. Im¬mers een dergelijke voorwaarde staat niet in het decreet en de Vlaamse rege¬ring vermag krachtens dat decreet nadere regelen uit te werken binnen de door de decreetgever opgestelde krijtlijnen; De gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur kon ten deze conform aan artikel 156 DORO dan ook op regelmatige wijze op 17 december 2002 een administratieve boete opleggen naar aanleiding van een mondeling gegeven bevel tot staken van 28 november 2002; dat mondeling bevel was weliswaar op 9 december 2002 bekrachtigd, maar de inbreuk op dat bevel werd reeds vastge¬steld door de bevoegde verbalisant op 29 november 2002; (...) De eerste rechter dient wel te worden bijgetreden, waar werd overwogen dat het proces-verbaal van vaststelling van de inbreuk van 29 november 2002 niet al de in artikel 2, §2, van het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering verplicht gestelde vaststellingen vermeldt; Deze pleegvorm werd niet alleen opgelegd opdat de bevoegde ambtenaar van het Grondfonds, voorzien van alle dienstige informatie, zou kunnen oordelen of de voorwaarden gesteld door het decreet of het besluit van de Vlaamse Regering al dan niet verenigd zijn teneinde één of meerdere natuurlijke of rechtspersonen een administratieve geldboete te kunnen opleggen; Deze pleegvorm moet ook toelaten aan diegene aan wie de geldboete wordt opgelegd, om bij de kennisgeving overeenkomstig artikel 3 van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering van o.a. in bijlage het afschrift van het proces-verbaal waarin de inbreuk op het stakingsbevel wordt vastgesteld, inzicht te hebben in de motieven van de beslissing en hem zodoende toe te laten met kennis van zaken de voorziene rechtsmiddelen aan te wenden; Gelet op artikel 156 DORO en de artikelen 2 en 3 van het besluit van de Vlaamse Regering heeft de bevoegde ambtenaar van het Grondfonds derhalve ten onrechte op 17 december 2002 besloten om aan (de verweersters) een administratieve geldboete op te leggen; (...) De andersluidende middelen en argumenten van (de eiser) vinden zeker geen steun in het artikel 156 DORO dat in paragraaf 2 aan de Vlaamse Regering uitdrukkelijk oplegt om de nadere regels te bepalen op grond waarvan een administratieve geldboete kan worden opgelegd; Daarenboven stelt een efficiënt handhavingsbeleid (de eiser) helemaal niet vrij om de krachtens het decreet door de Vlaamse Regering opgelegde pleegvormen van een akte na te leven; De cassatierechtspraak waarnaar (de eiser) verwijst is niet dienstig, aangezien daarin nooit de minimaal opgelegde vaststellingen die een akte moet bevatten aan de orde zijn; Ook de bewering van (de eiser) dat de individuele belangen van (de verweersters) niet werden geschaad snijdt geen hout, aangezien de bevoegde ambtenaar zich zonder meer had moeten onthouden om een administratieve geldboete op te leggen, in het licht van een proces-verbaal van vaststelling d(at) ten onrechte niet alle minimaal vereiste vaststellingen bevatte; Anders dan (de eiser) voorhoudt kan uit artikel 2, §2, van het besluit van de Vlaamse Regering ook niet worden afgeleid dat er enig onderscheid te maken zou zijn tussen de vermelde vaststellingen onder 1° tot 4° die het proces-verbaal van vaststelling van de inbreuk minimaal dient te vervatten. De omstandigheid dat de vierde vaststelling louter een ¿verwijzing' betreft naar de artikelen 154 tot en met 157 van het decreet doet daaraan geen afbreuk; (...) Aangezien de miskenning van artikel 2, §2, van het besluit van de Vlaamse Regering op zichzelf reeds de onrechtmatigheid heeft meegebracht van de beslissing tot het opleggen van de administratieve geldboete, dient niet meer te worden nagegaan of ook andere factoren (zoals de achteraf verkregen regularisatievergunning) al dan niet ten dezen relevantie hebben", (...) De appelrechters bevestigen aldus het beroepen vonnis in zoverre daarin "werd overwogen dat het proces-verbaal van vaststelling van de inbreuk van 29 november 2002 niet al de in artikel 2, §2, van het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering verplicht gestelde vaststellingen vermeldt". Dienaangaande had de rechtbank van eerste aanleg in het beroepen vonnis het volgende gesteld: "De(...) bepalingen van artikel 2 van dit besluit betreffende de administratieve geldboete zijn derhalve (...) van toepassing op het proces-verbaal van 29 november 2002, waarin vastgesteld werd dat de gestaakte werken toch verder gezet werden; Krachtens artikel 2 van voormeld besluit betreffende de administratieve geldboete moet het proces-verbaal, waarin de inbreuk op een stakingsbevel vastgesteld wordt, onder andere de redenen vermelden waarom de vastgestelde handelingen, werken of wijzigingen strijdig zijn met het stakingsbevel (artikel 2, §2, 3°), alsook een verwijzing bevatten naar de artikelen 154 tot en met 157 van het decreet (artikel 2, §2, 4°); De rechtbank stelt vast dat het proces-verbaal van 29 november 2002 deze verplichte vermeldingen niet bevat, zodat ter zake noch aan de motiveringsplicht, noch aan de informatieplicht voldaan werd; De beslissing van het Grondfonds van 17 december 2002 om een administra¬tieve geldboete aan (de verweersters) op te leggen is met andere woorden ge¬steund op een proces-verbaal dat niet de wettelijk voorgeschreven vermeldin¬gen bevat". (...) Grieven Overeenkomstig artikel 156, §1, van het decreet van 18 mei 1999 "houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening", kan een administratieve geldboete van 5.000,00 euro worden opgelegd aan de personen die handelingen, werken of wijzigingen voortzetten in strijd met een door de stedenbouwkundige inspecteur bekrachtigd bevel tot staking van de wederrechtelijke werken, zoals bedoeld in artikel 154 van dit decreet. Bij toepassing van artikel 156, §2, van het decreet van 18 mei 1999 en van artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2000 "betreffende de administratieve geldboete voor het overtreden van een bekrachtigd stakingsbevel", wordt deze geldboete opgelegd door de rekenplichtige van het Grondfonds. Te dezen werd door partijen niet betwist - en wordt in het bestreden arrest overigens uitdrukkelijk vastgesteld - dat de bevoegde verbalisanten op 28 november 2002 een bevel tot staking van de werken hebben gegeven, dat op 9 december 2002 door de stedenbouwkundige inspecteur werd bekrachtigd. Voorts merkt het hof van beroep uitdrukkelijk op dat "de inbreuk op dat bevel (...) reeds (werd) vastgesteld door de bevoegde verbalisant op 29 november 2002" (...), terwijl voorts vaststaat dat dienaangaande op 29 november 2002 een "proces-verbaal van vaststelling van de inbreuk" werd opgesteld (...) en dat aan elk van de verweersters op grond hiervan bij beslissingen van 17 december 2002 door de rekenplichtige van het Grondfonds een administratieve geldboete van 5.000,00 euro werd opgelegd. In navolging van het standpunt van de eerste rechter in het beroe¬pen vonnis, zijn de appelrechters evenwel van oordeel dat "de bevoegde ambtenaar van het Grondfonds (...) ten onrechte op 17 december 2002 besloten (heeft) om aan (de verweersters) een administratieve geldboete op te leggen", op grond van de vaststelling "dat het proces-verbaal van vaststelling van de inbreuk van 29 november 2002 niet al de in artikel 2, §2, van het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering verplicht gestelde vaststellingen vermeldt" (...). In dit verband had de eerste rechter in het beroepen vonnis gewezen op de vermeldingen die het proces-verbaal m.b.t. de inbreuk op het stakingsbevel overeenkomstig artikel 2, §2, van het voormelde besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2000 moet bevatten, waarbij meer in het bijzonder werd opgemerkt dat "het proces-verbaal, waarin de inbreuk op een stakingsbevel vastgesteld wordt, onder andere de redenen (moet) vermelden waarom de vastgestelde handelingen, werken of wijzigingen strijdig zijn met het stakingsbevel (artikel 2, §2, 3°), alsook een verwijzing (moet) bevatten naar de artikelen 154 tot en met 157 van het decreet (artikel 2, §2, 4°)", waarbij de eerste rechter voorts had vastgesteld "dat het proces-verbaal van 29 november 2002 deze verplichte vermeldingen niet bevat, zodat ter zake noch aan de motiveringsplicht, noch aan de informatieplicht voldaan werd" (...). Deze beslissing is evenwel niet naar recht verantwoord. In dit verband zij benadrukt dat artikel 156, §2 in fine van het decreet van 18 mei 1999 de Vlaamse Regering louter voorschrijft om "nadere regels" vast te leggen m.b.t. het opleggen van de administratieve geldboete, doch in dit verband geen substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschre¬ven vormen voorschrijft. In het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2000 "betreffende de administratieve geldboete voor het overtreden van een bekrachtigd stakingsbevel" is er dan ook geen sprake van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen. Weliswaar blijkt uit artikel 1, sub 2°, en artikel 2, §2, van dit besluit van 28 april 2000 dat het proces-verbaal waarin de inbreuk op het stakingsbevel wordt vastgesteld, bepaalde vaststellingen moet bevatten, doch hierbij wordt nergens gespecificeerd dat deze vermeldingen op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven, terwijl evenmin blijkt dat het om substantiële vermeldin¬gen zou gaan. Uit artikel 156, §1, van het decreet van 18 mei 1999 en artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2000 blijkt overigens zonder meer dat de administratieve geldboete in beginsel moet worden opgelegd van zodra vaststaat dat deze of gene personen handelingen, werken of wijzigingen hebben voortgezet in strijd met een door de stedenbouwkundige inspecteur regelmatig bekrachtigd stakingsbevel. De loutere omstandigheid dat te dezen in het proces-verbaal van 29 november 2002 geen melding werd gemaakt van de redenen waarom de voortgezette handelingen, werken of wijzigingen in strijd zijn met het stakings¬bevel van 28 november 2002 (artikel 2, §2, sub 3°, van het besluit van 28 april 2000) en dit proces-verbaal geen verwijzing bevat naar de artikelen 154 tot en met 157 van het decreet van 18 mei 1999 (artikel 2, §2, sub 4°, van het besluit van 28 april 2000), kan op zichzelf dan ook geen afbreuk doen aan de mogelijkheid tot het opleggen van een administratieve geldboete, in zoverre enerzijds vaststaat dat er inderdaad een inbreuk op het stakingsbevel werd gepleegd en in zoverre anderzijds ook vaststaat dat de afwezigheid van deze of gene vermeldingen in het proces-verbaal houdende vaststelling van de inbreuk op het stakingsbevel, geen afbreuk heeft gedaan aan de rechten van de partijen om op te komen tegen de beslissing waarbij de administratieve geldboete wordt opgelegd. M.b.t. de in artikel 2, §2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2000 bedoelde "pleegvorm" - nl. de in het proces-verbaal houdende vaststelling van de inbreuk op het stakingsbevel op te nemen vermel¬dingen - beperkt het hof van beroep zich in de bestreden beslissing evenwel tot de bedenking dat "deze pleegvorm (...) niet alleen (werd) opgelegd opdat de bevoegde ambtenaar van het Grondfonds, voorzien van alle dienstige informatie, zou kunnen oordelen of de voorwaarden gesteld door het decreet of het besluit van de Vlaamse Regering al dan niet verenigd zijn teneinde één of meerdere natuurlijke of rechtspersonen een administratieve geldboete te kunnen opleggen" en dat "(d)eze pleegvorm (...) ook (moet) toelaten aan diegene aan wie de geldboete wordt opgelegd, om bij de kennisgeving overeenkomstig artikel 3 van hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering van o.a. in bijlage het afschrift van het proces-verbaal waarin de inbreuk op het stakingsbevel wordt vastgesteld, inzicht te hebben in de motieven van de beslissing en hem zodoende toe te laten met kennis van zaken de voorziene rechtsmiddelen aan te wenden" (...). De appelrechters stellen echter geenszins vast, noch door eigen motieven noch door het bijtreden van het beroepen vonnis, dat de rekenplichtige van het Grondfonds door de afwezigheid van de voornoemde vermeldingen in het proces-verbaal van 29 november 2002 houdende vaststelling van de inbreuk op het stakingsbevel, te dezen effectief niet over voldoende infor¬matie beschikte om de administratieve geldboete op te leggen, terwijl evenmin wordt vastgesteld dat uit de voorliggende gegevens niet afdoende zou blijken dat er sprake was van een inbreuk op het stakingsbevel op grond waarvan in beginsel een administratieve geldboete kon worden opgelegd. Zo ook wordt door het hof van beroep niet vastgesteld dat de rechten van de verweersters, ingevolge de afwezigheid van deze vermeldingen in het proces-verbaal, daadwerkelijk zouden zijn gekrenkt. Daarentegen wordt door de appelrechters wél uitdrukkelijk vastge¬steld dat "de inbreuk op dat bevel (...) reeds (werd) vastgesteld door de bevoegde verbalisant op 29 november 2002" (...). In het licht van die feitelijke gegevens kon het hof van beroep dan ook niet wettig tot het besluit komen dat "de bevoegde ambtenaar van het Grondfonds (...) ten onrechte op 17 december 2002 besloten (heeft) om aan (de verweersters) een administratieve geldboete op te leggen" omdat "het proces-verbaal van vaststelling van de inbreuk van 29 november 2002 niet al de in artikel 2, §2, van het (...) besluit van de Vlaamse Regering verplicht gestelde vaststellingen vermeldt". Deze beslissing doet immers afbreuk aan de in artikel 156, §1, van het decreet van 18 mei 1999 in geval van een inbreuk op een stakingsbe¬vel voorgeschreven administratieve geldboete, en gaat er voorts ten onrechte van uit dat de in artikel 2, §2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2000 bedoelde vermeldingen op straffe van nietigheid zouden zijn voorgeschreven of substantieel zouden zijn. Hieruit volgt dat de appelrechters hierdoor dan ook artikel 156 van het decreet van 18 mei 1999 "houden de organisatie van de ruimtelijke ordening" en de artikelen 1, 2 en 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2000 "betreffende de administratieve geldboete voor het overtreden van een bekrachtigd stakingsbevel schenden". III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens artikel 2, §1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2000 betreffende de administratieve geldboete voor het overtreden van een bekrachtigd stakingsbevel, stuurt de stedenbouwkundige inspecteur een door hem eensluidend verklaard afschrift van de beslissing waarbij hij het stakingsbevel bekrachtigt naar de rekenplichtige van het Grondfonds. Krachtens artikel 2, §2, van dit besluit stuurt de bevoegde verbalisant een door hem eensluidend verklaard afschrift van het proces-verbaal naar de rekenplichtige van het Grondfonds. Het proces-verbaal bevat minstens de volgende vaststellingen: - 1° de identiteit van de persoon of de personen die handelingen, werken of wijzigingen heeft of hebben voortgezet in strijd met het stakingsbevel; - 2° een omschrijving van de handelingen, werken of wijzigingen die werden voortgezet in strijd met het stakingsbevel; - 3° de redenen waarom de onder 2° vermelde handelingen, werken of wijzigingen strijdig zijn met het stakingsbevel; - 4° een verwijzing naar artikel 154 tot en met 157 van het decreet. De verbalisant voegt eventuele andere stukken ter staving van het misdrijf bij.
- De vermeldingen die op grond van artikel 2, §2, 3° en 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2000 moeten worden opgenomen in het proces-verbaal dat een inbreuk op een bekrachtigd stakingsbevel vaststelt, zijn niet voorgeschreven op straffe van nietigheid. De afwezigheid van die vermeldingen leidt niet noodzakelijk tot de nietigheid van het proces-verbaal dat de inbreuk op een bekrachtigd stakingsbevel vaststelt of tot de nietigheid van de daaropvolgende beslissing van de rekenplichtige tot het opleggen van een administratieve geldboete. Dergelijke onregelmatigheden kunnen slechts door de rechter worden gesanctioneerd indien de overtreder, in wiens belang deze vormvereisten zijn voorgeschreven, in zijn belangen is geschaad.
- De appelrechters treden het vonnis van de eerste rechter bij "waar werd overwogen dat het proces-verbaal van vaststelling van de inbreuk van 29 november 2002 niet al de in artikel 2, §2, van het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering verplicht gestelde vaststellingen vermeldt". De eerste rechter heeft vastgesteld dat dit proces-verbaal niet de redenen vermeldde waarom de vastgestelde handelingen, werken of wijzigingen strijdig waren met het stakingsbevel en geen verwijzing bevatte naar de artikelen 154 tot en met 157 van het Decreet. De appelrechters stellen aldus vast dat dit proces-verbaal niet de vermeldingen bevatte die worden opgelegd door artikel 2, §2, 3° en 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april
- De appelrechters die oordelen dat de bevoegde ambtenaar ten onrechte een administratieve geldboete heeft opgelegd omwille van het ontbreken in het proces-verbaal van de vermeldingen bedoeld in artikel 2, §2, 3° en 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2000, zonder hierbij na te gaan of de verweersters hierdoor in hun belangen zijn geschaad, verantwoorden hun beslissing niet naar recht en schenden deze wettelijke bepaling. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Albert Fettweis, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 13 september 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. J. Pafenols A. Smetryns B. Deconinck A. Fettweis R. Boes I. Verougstraete PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070913.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div