id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070913.2 Rolnummer: C.06.0436.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-09-28 Raadplegingen: 475 - laatst gezien 2026-07-03 09:19 Versie(s): Vertaling FR Fiche De opheffing van het strafbare karakter van het misdrijf van instandhouding inzake stedenbouw heeft alleen het verval van de op het misdrijf gesteunde strafvordering tot gevolg; deze wijziging brengt evenwel niet met zich mee dat de instandhouding, die strafbaar was in de periode waarin zij plaatsvond, niet langer de grondslag kan uitmaken van een herstelvordering voor de burgerlijke rechter
(1)Zie Cass. 10 okt. 2006, AR P.06.0640.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061010.4, nr ..., over dezelfde problematiek, evenwel met betrekking tot de herstelvordering ingesteld voor de strafrechter. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties - Algemeen Vrije woorden: Instandhoudingsmisdrijf - Strafbaar karakter - Opheffing - Strafvordering - Herstelvordering - Burgerlijke rechter Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 - Artt. 146, 149 en 151 Annotaties Publicaties: T.B.O. - Isabelle COOREMAN; Over het bestaan van het instandhoudingsmisdrijf en de herstelmaatregel. - 2008,16-21 Tekst van de beslissing Nr. C.06.0436.N STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, van het Vlaamse Gewest, bevoegd voor het grondgebied van de provincie Limburg, met kantoren te 3500 Hasselt, Gouverneur Roppesingel 25, eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- T. H.,
- J. H., verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 13 september 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 2 van het Strafwetboek; - artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 146, 149 en 151 van het decreet van 18 mei 1999 "houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening", de artikelen 146 en 149 zoals gewijzigd door de artikelen 7 en 8 van het decreet van 4 juni 2003 "houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, wat het handhavingsbeleid betreft". Aangevochten beslissingen De eiser komt op tegen de bestreden beslissing in de mate dat de appelrechters daarin het hoger beroep van de verweerders gegrond en het incidenteel beroep van de eiser ongegrond verklaren, het beroepen vonnis dienvolgens hervormen en eisers herstelvordering ongegrond verklaren en de eiser tot de gerechtskosten veroordelen. De appelrechters stoelen hun beslissing op volgende gronden: "
- (De verweerders) roepen in dat de woning nummer 124 werd gebouwd zoals vergund. De woning werd niet opgericht conform de goedgekeurde plannen van 3 april
- Volgens de verkavelingsvoorschriften dient de woning ingeplant op 3 meter van de respectieve perceelsgrenzen. Dit is niet gebeurd. Landmeter-expert Jos Vandeweyer werd aangesteld als gerechtsdeskundige in een procedure die inmiddels voor de vrederechter van het kanton Bree werd gevoerd tussen de nieuwe eigenaars van onderhavig pand gelegen X. te Bocholt .met betrekking tot de juiste scheidingslijn tussen de beide percelen ten kadaster gekend onder nr. sectie A, nrs. 273 M en 273 L. (De verweerders) leggen dit verslag neer. Beide partijen gaan akkoord met het opmetingsplan van deze deskundige. Krachtens dit gewijzigde opmetingsplan is de woning ingeplant op 2,36 m vooraan en op 2,71 m achteraan van de scheidingslijn met het perceel nr. 273/L. Deze opmeting heeft tot gevolg dat de woning over een lengte van 7,75 met 64 cm vooraan en 29 cm achteraan werd gebouwd in een zone waar geen bouwwerken werden vergund of toegelaten. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de voorgelegde stukken uitgaande van de gemeente Bocholt. Het door (de verweerders) voorgelegd attest van de gemeente Bocholt, ondertekend door de burgemeester en de secretaris op 22 november 2000 dat voor zover bekend voor het onroerend goed geen stedenbouwmisdrijven werden vastge¬steld, sluit het bestaan van deze bouwovertreding niet uit. Het schepencollege van de gemeente Bocholt had voordien bij brief van 24 februari 2000 aan de afdeling ROMH Limburg de bouwovertreding gemeld en was van oordeel dat een betaling gelijk aan de meerwaarde moet gebeuren, zoals voorgeschreven in artikel 68, §1, C van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening van 22 oktober
- De latere brief van 18 juni 2001 van het schepencollege van de gemeente Bocholt aan de eerste (verweerder) waarbij de vraag rijst of een meerwaarde moet worden betaald omdat door de wijziging van de perceelsgrens de woning te kort tegen die perceelgrens werd gebouwd en er geen meerwaarde zou zijn door het bouwen van een grotere woning, geeft geen verdere toelichting over de wijziging van de perceelsgrens die enkel na een verkavelingswijziging zou moeten gebeuren. Wanneer aanvankelijk onderhavig pand werd gebouwd op 6 meter van de aanpalende woning, dient te worden besloten dat volgens de vastgestelde scheidingslijn tussen beide percelen, het pand niet werd opgericht overeenkomstig de verkavelingsvoorschriften die een afstand van 3 meter van de scheidingslijn opleggen. Het pand staat dienvolgens voor een gedeelte in een bouwzone waar niet mocht worden gebouwd en heeft hierdoor een meerwaarde verworven. (De verweerders) roepen in dat een herstelmaatregel enkel kan worden gevorderd als het ten laste gelegde misdrijf is bewezen. Volgens (de verweerders) sluiten overmacht en dwaling het bestaan van een misdrijf uit. Of het vergunde bouwvolume al dan niet werd vergroot door het gebouw op minder dan drie meter van de scheidingslijn op te richten of te behouden, is hierbij irrelevant. Vast staat dat het gebouw in strijd met de verkavelingsvoorschriften werd opgericht en behouden op een afstand van minder dan drie meter van de scheidingslijn zodat een gedeelte van het gebouw staat in een zone waar geen bouwwerken mogen worden opgericht. (De verweerders) kochten ingevolge proces-verbaal van toewijzing in openbare verkoop op 3 september 1999 een gebouw dat op dat ogenblik op minder dan drie meter van de scheidingslijn was rechtgezet. Het proces-verbaal van stelling dd. 9 februari 2000 stelt vast dat de eerste (verweerder): "wederrechtelijk bouwwerken heeft uitgevoerd en/of in stand gehouden. Deze werken bestaan uit de oprichting van een woning niet conform de goedgekeurde bouwplannen waarvoor door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Bocholt op 3 april 1996 een bouwvergunning werd verleend op naam van M. A., de toenmalige eigenaar van dit lot
- De ruwbouw is volledig klaar. Het dak van de woning is nog niet volledig gerealiseerd. De houten dakkepers zijn reeds ingebracht. De goedgekeurde bouwplannen voorzien een inplanting op 3 meter van de zijdelingse perceelsgrenzen. De constructie werd echter ingeplant op 2.09 m (voorzijde) en op 2.17 m (achterzijde) van de perceelsgrens rechts in plaats van 3.00 m (zie opmetingsplan van 03/08/9 in bijlage). De bouwplaats is gelegen binnen de grenzen van een goedgekeurde verkaveling (7080v25 - lot 4). Deze werken werden uitgevoerd: - niet in overeenstemming met de goedgekeurde plannen en bepalingen van het vergunningsbesluit, verleend door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente in zitting van: 3 april 1996, en zijn derhalve in overtreding met de bepalingen van artikels 42 en 43 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober
- Uit het bovenstaande blijkt dat op (de eerste verweerder) de dwang- en strafbepalingen voorzien in titel IV, hoofdstuk IV, van vernoemd decreet van toepassing zijn". Uit die vaststelling volgt niet dat (de verweerders) zelf werken hebben uitgevoerd. Zij kochten een bestaande bouwvolume. Enkel werd vastgesteld dat het gebouw was opgericht op een afstand van minder dan 3 meter van de zijdelingse perceelsgrenzen. Dit proces-verbaal vermeldt: "wederrechtelijk bouwwerken heeft uitgevoerd en/of in standgehouden". Op grond van dit proces-verbaal van 9 februari 2000 toont (de eiser) niet aan dat (de verweerders) bouwwerken hebben uitgevoerd aan de woning in een zone alwaar geen bouwwerken vergund of toegelaten zijn. Het instandhouden van het wederrechtelijk opgetrokken bouwvolume staat vast.
- Krachtens artikel 146, eerste lid van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals gewijzigd bij artikel 2 van het decreet van 1 maart 2002, wordt gestraft met een gevangenisstraf van 8 dagen tot 5 jaar en met een geldboete van 26 euro tot 400.000 euro of met één van deze straffen alleen, de persoon die: 1° de bij artikelen 99 en 101 bepaalde handelingen, werken of wijzigingen, hetzij zonder voorafgaande vergunning, hetzij in strijd met de vergunning, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de vergunning, hetzij in geval van schorsing van de vergunning, uitvoert, voortzet of in stand houdt. Krachtens artikel 99, §1, 1°, van hetzelfde decreet, zoals gewijzigd bij artikel 4, 1°, van het decreet van 13 juli 2001, mag niemand zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning bouwen, op een grond een of meer vaste inrichtingen plaatsen, een bestaande vaste inrichting of bestaand bouwwerk afbreken, herbouwen, verbouwen of uitbreiden, met uitzondering van instandhoudingswerken - of onderhoudswerken, die geen betrekking hebben op de stabiliteit. Aan artikel 146 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening werden door het decreet van 4 juni 2003 een derde en vierde lid toegevoegd. Het derde lid luidt als volgt: "De strafsanctie voor het instandhouden van inbreuken, bedoeld in het eerste lid 1°, 2°, 3°, 6° en 7°, geldt niet voorzover de handelingen, werken, wijzigingen of het strijdige gebruik niet gelegen zijn in de ruimtelijk kwetsbare gebieden, voorzover ze geen onaanvaardbare stedenbouwkundige hinder veroorzaken voor de omwonenden of voorzover ze geen ernstige inbreuk vormen op de essentiële stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming krachtens het ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg". Het vierde lid licht toe wat onder ruimtelijk kwetsbare gebieden wordt verstaan. Onderhavig verkaveling behoort niet tot de in het vierde lid opgesomde ruimtelijke kwetsbare gebieden, met name de groengebieden, natuurgebieden, natuurgebieden met wetenschappelijke waarden, natuurreservaten, natuurontwikkelingsbieden, parkgebieden, bosgebieden, valleigebieden, brongebieden, agrarische gebieden met ecologische waarde of belang, agrarische gebieden met bijzondere waarde, grote eenheden natuur, grote eenheden natuur in ontwikkeling en de ermee vergelijkbare gebieden, aangewezen op plannen van aanleg, alsook de beschermde duingebieden en voor het duingebied be¬langrijke landbouwgebieden, aangewezen krachtens het decreet van 14 juli 1993 houdende maatregelen tot bescherming van de kunstduinen. Dit decreet van 4 juni 2003 is krachtens zijn artikel 12 in werking getreden op de datum van zijn publicatie in het Belgisch Staatsblad, zijnde op 22 augustus
- Bij de beoordeling van het wederrechtelijk instandhouden dient bijgevolg rekening te worden gehouden met het derde en vierde lid die aan artikel 146 werden toegevoegd door het decreet van 4 juni
- (De verweerders) hebben de toepassing van dit nieuwe decreet in het debat gebracht. Het door (de verweerders) neergelegde afschrift van het arrest nr. 14/2005 van het Arbitragehof van 19 januari 2005, heeft onder meer in artikel 146, derde lid, van het decreet van het Vlaams Gewest van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals toegevoegd bij artikel 7 van het decreet van het Vlaams Gewest van 4 juni 2003, de woorden vernietigd "voorzover ze geen onaanvaardbare stedenbouwkundige hinder veroorzaken voor de omwonenden of voorzover ze geen ernstige inbreuk vormen op de essentiële stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming krachtens het ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg". Ingevolge het decreet van 4 juni 2004 geldt hier de strafsanctie voor het instandhouden van de inbreuken niet langer. Het misdrijf zelf van het instandhouden valt weg. Dit heeft tot gevolg dat er geen herstelmaatregel meer kan worden bevolen door de burgerlijke rechter. De vordering van (de eiser) is ongegrond. De overige argumenten van (de verweerders) zijn niet verder dienend (p. 3-8 van het bestreden arrest). Grieven Uit de stukken waarop Uw Hof vermag acht te slaan blijkt dat de eiser in zijn hoedanigheid van bevoegd Stedenbouwkundig Inspecteur bij gerechtsdeur- waardersexploot van 30 april 2001 overging tot dagvaarding van de verweerders voor de rechtbank van eerste aanleg, zetelend in burgerlijke aangelegenheden, op grond van artikel 151 van het decreet van 18 mei 1999, teneinde hen, bij wijze van herstelvordering, te horen veroordelen tot het betalen van een meerwaardesom van 397.262 BEF, thans 9.847,87 euro, meer de intresten en de kosten, wegens de stedenbouwkundige inbreuken die m.b.t. hun onroerend goed werden gepleegd. Te dezen stellen de appelrechters in de bestreden beslissing uitdrukkelijk vast "dat het gebouw in strijd met de verkavelingsvoorschriften werd opgericht en behouden op een afstand van minder dan drie meter van de scheidingslijn zodat een gedeelte van het gebouw staat in een zone waar geen bouwwerken mogen worden opgericht" (tweede alinea van p. 5 van het bestreden arrest) en dat "(h)et instandhouden van het wederrechtelijk opgetrokken bouwvolume (...) vast(staat)" (derde alinea van p. 6 van het bestreden arrest). De op het ten laste gelegde instandhoudingsmisdrijf gebaseerde herstelvordering die eiser op grond van het voormelde artikel 151 had ingesteld, wordt door het hof van beroep evenwel afgewezen op grond van de redenering dat de strafsanctie voor de desbetreffende instandhouding - ingevolge de wijziging van artikel 146 van het decreet van 18 mei 1999 door artikel 7 van het decreet van 4 juni 2003 - met ingang van 22 augustus 2003 niet meer geldt, gelet op de omstandigheid dat de bewuste constructies niet gelegen zijn in een ruimtelijk kwetsbaar gebied (p. 7-8 van het bestreden arrest). Evenwel staat te dezen vast dat de herstelmaatregel, nl. de door de eiser gevorderde betaling van een meerwaardesom, reeds vóór 22 augustus 2003, d.w.z. vóór de inwerkingtreding van het decreet van 4 juni 2003, bij de burgerlijke rechtbank aanhangig werd gemaakt in de procedure die tot het thans bestreden arrest heeft geleid, nu die vordering reeds werd ingesteld bij gerechtsdeurwaardersexploot van 30 april
- Het hof van beroep kon dan ook niet wettig oordelen dat "er geen herstelvordering meer kan worden bevolen door de burgerlijke rechter", louter op grond van de vaststelling dat "(i)ngevolge het decreet van 4 juni 2004 (...) de strafsanctie voor het instandhouden van de inbreuken niet langer (geldt)" en dat "(h)et misdrijf zelf van het instandhouden (...) weg(valt)" (p. 8 van het bestreden arrest). De omstandigheid dat de strafsanctie voor het instandhouden van de ten laste gelegde inbreuken sinds de inwerkingtreding van het decreet van 4 juni 2003 op 22 augustus 2003 (art. 12 van dit decreet) inderdaad niet geldt wanneer de bewuste werken niet gelegen zijn in de ruimtelijk kwetsbare gebieden, doet immers geen afbreuk aan de tijdig en regelmatig aanhangig gemaakte herstelvordering, waarover de rechter, niettegenstaande het gedeeltelijke depenaliseren van het instandhoudingsmisdrijf met ingang van 22 augustus 2003, uitspraak dient te doen. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de terugwerkende kracht van de mildere strafwet, zoals bedoeld in artikel 2 van het Strafwetboek, aangezien de herstelmaatregel geen straf inhoudt, zodat de wijziging van wettelijke en decretale bepalingen die een invloed zouden hebben op de herstelvordering - behoudens uitdrukkelijk andersluidende bepalingen, die te dezen evenwel niet aan de orde zijn - slechts kan gelden voor de toekomst over¬eenkomstig artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek. Uit de omstandigheid dat de "strafsanctie" te dezen "niet geldt", kan overigens slechts worden afgeleid dat er met ingang van 22 augustus 2003 een strafuitsluitingsgrond aan de orde is, die geen afbreuk doet aan de verplichting voor de rechter om uitspraak te doen over de voordien regelmatig aanhangig gemaakte herstelvordering. Dit laatste geldt bovendien ook in zoverre zou worden aangenomen dat de door artikel 7 van het decreet van 4 juni 2003 aan artikel 146 van het decreet van 18 mei 1999 aangebrachte wijziging niet als een strafuitsluitingsgrond maar wel als een gedeeltelijke opheffing van het misdrijf van instandhouding moet worden beschouwd. De omstandigheid dat een strafwet op grond waarvan een burgerlijke of aanverwante vordering, zoals te dezen de herstelvordering, tijdig en regelmatig bij de rechter aanhangig werd gemaakt, nadien wordt opgeheven, doet immers geen afbreuk aan de verplichting voor deze rechter om te statueren over deze vordering. Uit de loutere vaststelling dat het instandhoudingsmisdrijf op grond waarvan de herstelvordering werd ingeleid niet meer strafbaar is, kon door het hof van beroep bijgevolg niet wettig worden afgeleid dat het herstel niet meer kon worden bevolen. Dienvolgens miskennen de appelrechters de verplichting om uitspraak te doen over de regelmatig aanhangig gemaakte herstelvordering (schending van de artikelen 146, 149 en 151 van het decreet van 18 mei 1999 "houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening", de artikelen 146 en 149 zoals gewijzigd door de artikelen 7 en 8 van het decreet van 4 juni 2003 "houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisa¬tie van de ruimtelijke ordening, wat het handhavingsbeleid betreft", en, voor zoveel als nodig, tevens schending van de artikelen 2 van het Strafwetboek en 2 van het Burgerlijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Bij decreet van 4 juni 2003 werd de volgende tekst als derde lid ingevoegd in artikel 146 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna Stedenbouwdecreet): "De strafsanctie voor het instandhouden van inbreuken, bedoeld in het eerste lid, 1°, 2°, 3°, 6° en 7°, geldt niet voor zover de handelingen, werken, wijzigingen of het strijdige gebruik niet gelegen zijn in de ruimtelijke kwetsbare gebieden, voor zover ze geen onaanvaardbare stedenbouwkundige hinder veroorzaken voor de omwonenden of voorzover ze geen ernstige inbreuk vormen op de essentiële stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming krachtens het ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg".
- Bij arrest 14/2005 van 19 januari 2005 vernietigde het Grondwettelijk Hof in artikel 146, derde lid, Stedenbouwdecreet, zoals ingevoerd bij decreet van 4 juni 2003, de woorden "voor zover ze geen onaantastbare stedenbouwkundige hinder veroorzaken voor de omwonenden of voorzover ze geen ernstige inbreuk vormen op de essentiële stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming krachtens het ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg". Ingevolge voormeld arrest van het Grondwettelijk Hof geldt de strafsanctie voor het misdrijf van instandhouding slechts in het enkele geval van instandhouding in een ruimtelijk kwetsbaar gebied.
- De opheffing van het strafbare karakter van het misdrijf van instandhouding door artikel 146, derde lid, Stedenbouwdecreet heeft het verval van de op het misdrijf gesteunde strafvordering tot gevolg. Deze wijziging brengt evenwel niet met zich mee dat de instandhouding, die strafbaar was in de periode waarin zij plaatsvond, niet langer de grondslag kan uitmaken van een herstelvordering voor de burgerlijke rechter.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat de eiser bij dagvaarding betekend op 30 april 2001 een civielrechtelijke herstelvordering heeft ingesteld strekkende tot het bepalen van de meerwaarde overeenkomstig artikel 149, §5, van voormeld decreet, naar aanleiding van een op 9 februari 2001 opgesteld proces-verbaal van vaststelling, van uitvoering en/of in stand houden van wederrechtelijk uitgevoerde bouwwerken. De appelrechters stellen vast: - het instandhouden van het wederrechtelijk opgetrokken bouwvolume staat vast; - onderhavige verkaveling behoort niet tot de in het vierde lid opgesomde ruimtelijke kwetsbare gebieden. Zij oordelen, met verwijzing naar het bij decreet van 4 juni 2003 ingevoegde derde en vierde lid van artikel 146 van voormeld decreet alsook naar het arrest 14/2005 van het Grondwettelijk Hof van 19 januari 2005, dat de strafsanctie voor het instandhouden van de inbreuken niet langer geldt, met als gevolg dat er geen herstelmaatregel meer kan worden bevolen door de burgerlijke rechter.
- Door aldus te oordelen schenden de appelrechters artikel 146 van het Stedenbouwdecreet. Het middel is in zoverre gegrond. Overige grieven
- De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behoudens in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Albert Fettweis, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 13 september 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. J. Pafenols A. Smetryns B. Deconinck A. Fettweis R. Boes I. Verougstraete PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070913.2 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061010.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div