id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070917.2 Rolnummer: S.06.0084.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2007-10-18 Raadplegingen: 194 - laatst gezien 2026-07-03 06:07 Versie(s): Vertaling FR Fiche Wanneer de werkgever gebruik maakt van de hem in artikel 34, tweede lid, geboden mogelijkheid om als voorschot een lager bedrag te betalen dan het bedrag van 30 procent van de bijdragen verschuldigd voor het voorlaatste vervallen kwartaal, en een voorschot betaalt gelijk aan 30 procent van de vermoedelijke bijdragen van het lopende kwartaal en nadien blijkt dat het door de werkgever betaalde voorschot minder bedraagt dan 30 procent van de effectief verschuldigde bijdragen van het lopende kwartaal, en aldus ontoereikend is, houdt dit in dat de werkgever zijn verplichtingen niet is nagekomen in de zin van artikel 54bis Uitvoeringsbesluit R.S.Z.-wet 1969
(1).
(1)Art. 34, tweede lid van het K.B. van 28 november 1969, vóór de wijziging ervan bij K.B. van 14 oktober
- Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Bijdragen Vrije woorden: Voorschotten van bijdragen - Foutieve inschatting van de verschuldigde bedragen - Ontoereikende betaling Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 28-11-1969 - Artt. 34, tweede lid en 54bis Tekst van de beslissing Nr. S.06.0084.N RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, eiser, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen COBELFRET LOGISTICS, naamloze vennootschap, met zetel te 2610 Wilrijk, Sneeuwbeslaan 14, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten, op 20 januari 2005 en 16 december 2005 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 34, 54 en 54bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (hierna: het Uitvoeringsbesluit), artikel 34, vóór zijn wijziging bij koninklijk besluit van 14 oktober 2005, artikel 54, vóór zijn wijziging bij koninklijk besluit van 22 juni 2006; - de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel dat dwaling een rechtvaardigingsgrond oplevert wanneer zij onoverkomelijk is. Aangevochten beslissing
- Het bestreden tussenarrest van 20 januari 2005 oordeelde dat de eiser ten onrechte was overgegaan tot het opleggen van de vaste vergoeding ex artikel 54bis van het Uitvoeringsbesluit, en motiveerde dit als volgt: "Partijen zijn het er ook over eens dat (de verweerster) valt onder de categorie van werkgevers die artikel 34 aanwijst als deze, die ertoe gehouden zijn voorschotten te storten. Artikel 34 bepaalt als algemene regel dat dit kwartaalvoorschot 30 pct. bedraagt van het bedrag van de bijdragen die verschuldigd waren voor het voorlaatste vervallen kwartaal. (...) De werkgever kan echter het bedrag van het voorschot, bepaald met toepassing van bovenstaande algemene regel, verminderen wanneer dit bedrag het bedrag van 30 pct. van de vermoedelijke bijdragen van het lopende kwartaal overschrijdt. In dat geval mag de werkgever het voorschot herleiden tot 30 pct. van deze vermoedelijke bijdragen voor het lopende kwartaal. (...) Voor het tweede kwartaal 2002, dat ons in casu bezighoudt, was het vierde kwartaal 2001 geen geschikt refertekwartaal, aldus (de verweerster), omdat er einde 2001 meerdere personeelsleden waren afgevloeid, omdat er vakantiegeld einde dienst verschuldigd was en omdat ook de oudejaarspremies toen werden uitbetaald. Het (arbeidshof) is van oordeel dat de beslissing van (de verweerster) om in die omstandigheden het vierde kwartaal 2001 niet als refertekwartaal aan te nemen, in alle opzichten redelijk was. Men kan inderdaad moeilijk appelen met citroenen vergelijken. Uit de redactie van artikel 34 moet worden afgeleid dat het bepalen van het bedrag van de maandelijkse voorschotten door de werkgever gebeurt bij de aanvang van het kwartaal, waarvoor deze voorschotten verschuldigd zijn. Toegepast in casu kwam het aan (de verweerster) toe om de maandelijkse voorschotten voor het tweede kwartaal 2002 vast te leggen begin april
- Het is op dat tijdstip dat (de verweerster) de bijdragen moet inschatten die vermoedelijk voor het tweede kwartaal 2002 zullen verschuldigd zijn. Deze inschatting moet gebeuren als een ‘goed huisvader' rekening gehouden met alle mogelijke elementen, die op dat tijdstip voorhanden zijn om het volume aan bijdragen dat effectief zal verschuldigd zijn zo dicht mogelijk te benaderen. Welke waren de elementen die voor (de verweerster) begin april 2002 belangrijk waren om de vermoedelijk verschuldigde RSZ-bijdragen voor het tweede kwartaal van 2002 in te schatten? Een eerste element waarmee (de verweerster) rekening mocht houden was dat de afwijking van de algemene regel van artikel 34, die zij had toegepast voor het eerste kwartaal 2002 en waarbij zij de voorschotten voor dit kwartaal evenmin had bepaald in functie van de bijdragen die waren betaald voor het voorlaatste vervallen kwartaal, blijkbaar de goedkeuring wegdroeg van (de eiser). Deze formuleert immers geen enkele opmerking bij de afwijking van de algemene regel. (De verweerster) mocht erop vertrouwen dat zij voor het inschatten van de vermoedelijk verschuldigde bijdragen voor het tweede kwartaal 2002 dezelfde principes mocht hanteren. Voor het overige mocht en moest (de verweerster) rekening houden met alle parameters die eigen zijn aan het personeelsbestand dat zij begin april 2002 tewerkstelde. Er zijn geen aanwijzingen dat (de verweerster) dit niet zou hebben gedaan. Specifiek in verband met dit personeelsbestand kon (de verweerster) redelijkerwijze niet inschatten dat de personeelsleden die met collectief ontslag waren bedreigd op dat ogenblik het bedrijf nog voor het einde van het kwartaal definitief zouden verlaten mits de uitbetaling van een opzeggingsvergoeding. Begin april 2002 waren er nog teveel onzekere factoren over de finale afloop van dit collectief ontslag. De conclusie is dan ook dat (de verweerster) in het begin van april 2002 de vermoedelijk verschuldigde bijdragen voor het tweede kwartaal heeft ingeschat als een goed huisvader. Zij bleef aldus binnen de toepassing van artikel 34 van het koninklijk besluit van 28 november
- Er werd geen inbreuk op dit artikel begaan. De correcte houding van (de verweerster) wordt nog onderlijnd door het gegeven dat zij het bedrag van de maandelijkse voorschotten voorzichtigheidshalve opvoerde van 40.000,00 euro naar 50.000,00 euro ondanks dat daar, strikt genomen, geen noodzaak toe was. (De verweerster) heeft voldaan aan de verplichtingen, zoals deze voortvloeien uit de toepassing van artikel 34 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 met betrekking tot het tweede kwartaal
- De wetgever heeft in artikel 34 aan de werkgever de mogelijkheid gelaten om af te wijken van de algemene regel. Hij heeft de toegang tot deze afwijking opengelaten aan de werkgever. Het is met andere woorden de werkgever die zelf zal bepalen wanneer hij van de afwijking gebruik maakt. Dat is duidelijk af te leiden uit het gebruik door de wetgever van het woord ‘kan'. Daarbij heeft de werkgever er alle belang bij dat hij de vermoedelijk verschuldigde bijdragen voor het lopende kwartaal zo nauwkeurig mogelijk inschat. Immers de stok die de wetgever achter de deur houdt, is dat de bijdrageopslag die voorzien is in artikel 54 van hetzelfde koninklijk besluit verschuldigd is wanneer het door de werkgever ingeschatte voorschot ontoereikend is. Dat is het risico dat de werkgever loopt, wanneer hij de afwijking uit artikel 34 toepast. In casu is het duidelijk dat de door (de verweerster) ingeschatte maandelijkse voorschotten voor het tweede kwartaal 2002 ontoereikend waren. Zij bedroegen namelijk geen 30 pct. van de uiteindelijk verschuldigde bijdragen voor dit tweede kwartaal
- Dit had alles te maken met het zich aandienen helemaal aan het einde van het tweede kwartaal 2002 van het eindresultaat van het collectief ontslag van 13 werknemers, namelijk de uitbetaling van evenveel opzeggingsvergoedingen. Deze ‘deus ex machina' komt het hele systeem van voorschotberekening doorkruisen, maar dat risico blijft voor rekening van de werkgever, (de verweerster) in casu. Het is als het ware de keerzijde van de medaille, die, in het systeem van voorschotberekening zoals het is geregeld door artikel 34, de afwijkingsmogelijkheid is. De tekst van de wet: ‘wanneer het aldus betaalde voorschot ontoereikend is' laat niet toe te sleutelen aan ‘het ontoereikend zijn' via de oorzaak ervan, in casu de beschreven ‘deus ex machina'. De tekst van de wet laat geen speelruimte: zodra de voorschotten ontoereikend zijn, uit welke oorzaak ook, slaat de stok van de wetgever toe en is de bijdrageopslag ex artikel 54 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 in principe verschuldigd. Het probleem in casu is echter dat deze bijdrageopslag niet wordt gevorderd door (de eiser) en dus niet het voorwerp is van het huidige geschil. (De eiser) paste namelijk een andere sanctie toe dan deze voorzien in artikel 34 van het koninklijk besluit en hij bracht de in artikel 54bis voorziene vergoeding in rekening. Bracht (de eiser) de vergoeding van artikel 54bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 terecht in rekening? Ook over deze tweede vraag zijn de partijen het eens dat het (arbeidshof) bevoegd is om er uitspraak over te doen. Het antwoord is neen. Immers de sanctie van dit artikel 54bis kan maar worden opgelegd als de werkgever de verplichtingen, hem opgelegd door artikel 34 niet nakomt. Uit wat hogerop in dit arrest werd beoordeeld, volgt dat (de verweerster) als werkgever de verplichtingen van artikel 34 wel degelijk nakwam. Zij schatte als goed huisvader de vermoedelijk verschuldigde bijdragen voor het tweede kwartaal 2002 correct in, rekening houdend met alle mogelijke elementen die zij ter beoordeling moest meenemen en dit op het tijdstip dat deze inschatting reglementair moest gebeuren. Dat ondanks deze correcte inschatting de uiteindelijk verschuldigde bijdragen de ingeschatte bijdragen in belangrijke mate overtroffen was niet te wijten aan een tekorstschieten door (de verweerster) in haar verplichtingen maar aan een onverwacht feit, dat (de verweerster) niet kon kennen op het ogenblik dat zij aan haar verplichtingen ex artikel 34 tegemoet moest komen en waarmee zij dus geen rekening kon houden. De toepassingsvoorwaarde van artikel 54bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 is niet vervuld, zodat de sanctie ervan ook niet aan (de verweerster) kan worden opgelegd. Het (arbeidshof) sluit zich hierbij aan bij het advies van het openbaar ministerie. (De eiser) werpt hiertegen op dat de sanctie die artikel 34, tweede lid, in fine, voorziet de toepassing van artikel 54bis niet uitsluit. Dit is onjuist. Artikel 54bis kan enkel worden toegepast als de werkgever zich in de voorwaarden van artikel 54bis bevindt, met name wanneer hij tekort komt aan zijn verplichtingen. Dat is in casu niet het geval. (...) Artikel 54 bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 is in casu niet van toepassing, zodat (de verweerster) niet gehouden was tot betaling van de vaste vergoeding, die in dit artikel is voorzien. (...) (De verweerster) geeft terecht aan dat destijds dit bedrag ‘onverschuldigd' werd betaald aan (de eiser) zodat zij recht heeft op terugbetaling. (...) Het openbaar ministerie merkte in zijn advies terecht op dat de helft van dit bedrag, na de beslissing van (de eiser) van 21 oktober 2002 (stuk 8, (verweerster)), in het voordeel van (de verweerster) werd verrekend. Bijgevolg heeft (de verweerster) thans nog recht op de terugbetaling van: 4.957,87 euro min 2.478,93 euro = 2.478,94 euro". (arrest, p.8-13). Het bestreden tussenarrest van 20 januari 2005 veroordeelde de eiser dienvolgens om het effectief ingehouden bedrag van de vaste vergoeding, zijnde 2.478,94 euro, terug te betalen aan de verweerster, te vermeerderen met de verwijlinterest vanaf 3 december 2002 en de gerechtelijke interest.
- Het bestreden tussenarrest van 20 januari 2005 oordeelde tevens dat de eiser door een verkeerde toepassing te maken van artikel 54bis van het Uitvoeringsbesluit een fout heeft begaan, doch heropende de debatten om een tegensprekelijk debat mogelijk te maken over de kwestie of deze fout van eiser voor verweerster schade tot gevolg heeft gehad: "(De verweerster) verwijt (de eiser) een fout te hebben begaan onder andere door het omstandig verweer dat haar raadsman in zijn brief van 3 december 2002 voerde, naast zich neer te leggen en onbeantwoord te laten. Het (arbeidshof) stelt vast, na lectuur van het bedoelde verweer, dat de argumentatie tegen de beslissing van (de eiser) tot het opleggen van de vaste vergoeding ex artikel 54bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969, pertinent, correct en volledig was. Dit betekent dat (de eiser) als overheidsinstelling over alle documentatie en argumenten beschikte om zijn beslissing in te trekken gesteund op het inzicht dat hij een verkeerde toepassing had gemaakt van artikel 54bis van het koninklijk besluit van 28 november
- (De eiser) levert niet het bewijs dat hij het verweer van (de verweerster) heeft onderzocht en ernstig heeft genomen. Het behoorde aan (de eiser) om dit te doen en om ten aanzien van dit verweer, dat, het weze herhaald, zeer omstandig en pertinent was, stelling in te nemen. Het antwoord van (de eiser) van 9 december 2002 beantwoordde niet aan dit vereiste. Door dit na te laten, beging (de eiser) een fout. Als overheidsinstelling is zij gehouden onder andere door de plicht van motivering en van zorgvuldigheid. Het (arbeidshof) stelt vast dat ook het openbaar ministerie deze mening is toegedaan. Zowel (de eiser) als het openbaar ministerie geven echter aan dat (de verweerster) niet de schade bewijst, die het gevolg is van deze fout. Bovendien verwijt (de eiser) aan (de verweerster) dat zij op dit aspect van haar vordering ten gronde nader ingaat naar aanleiding van de repliekconclusies die ter griffie werden ontvangen op 4 november
- Hierdoor acht hij zijn rechten van verdediging geschonden. Het (arbeidshof) is van oordeel dat inderdaad alle argumenten die (de verweerster) aan het (arbeidshof) voorlegt om haar vordering in schadevergoeding te ondersteunen niet het voorwerp zijn geweest van een tegensprekelijk debat. Om dit tegensprekelijk debat mogelijk te maken, heropent het (arbeidshof) de debatten". (arrest, p.13-14).
- In het bestreden eindarrest van 16 december 2005 bevestigde het arbeidshof dat de eiser een fout heeft begaan door de sanctie van artikel 54bis toe te passen: "Zo geeft het openbaar ministerie in zijn advies volkomen terecht aan dat, naast het in gebreke blijven om te antwoorden op het verweer, (de eiser) ook ten onrechte overging tot het opleggen van een sanctie door een verkeerde toepassing te maken van de wet: de toepassingsvoorwaarden van artikel 54bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 waren immers niet vervuld. De fout van (de eiser) komt, wat dit laatste aspect betreft, duidelijk aan de oppervlakte als men bedenkt dat (de eiser) zijn verkeerde toepassing van het bedoelde artikel 54bis bleef handhaven, niettegenstaande zijn verkeerd optreden hem voor honderd procent was geïllustreerd en gedocumenteerd in het verweer van 3 december 2002 en hij aldus voor honderd procent zicht had op het verkeerde karakter van de toepassing die hij van de wet maakte. Geen enkel redelijk persoon handhaaft een verkeerde mening of handeling in het licht van een volledige en sluitende argumentatie die het verkeerde van die mening of die handeling weergeeft. Ook dit volharden is een onderdeel van de fout die (de eiser) beging. Vooral dit volharden heeft (de verweerster) trouwens naar het instellen van de procedures gedreven". (eindarrest, p.4).
- Het bestreden eindarrest kwam uiteindelijk tot het besluit dat het oorzakelijk verband tussen de fout van de eiser en de schade van de verweerster vaststond (zie p.4-7) en veroordeelde de eiser om ten titel van schadevergoeding aan de verweerster te betalen een provisioneel bedrag van 2.500,00 euro, te vermeerderen met de gerechtelijke interest, met toekenning van het gevraagde voorbehoud. Grieven Eerste onderdeel
- Overeenkomstig artikel 34 van het Uitvoeringsbesluit, is de werkgever, die voor een welbepaald kwartaal bijdragen heeft aangegeven ten belope van meer dan 6.197,34 euro (250.000 BEF) ertoe gehouden voor het daaropvolgend kwartaal, uiterlijk de vijfde van iedere maand volgend op elk van de maanden van dat laatste kwartaal, een voorschot te storten, gelijk aan 30 pct. van het bedrag van de bijdragen, verschuldigd voor het voorlaatste vervallen kwartaal. Volgens diezelfde bepaling kan de werkgever, wanneer het bedrag van deze 30 pct. het bedrag van 30 pct. van de vermoedelijke bijdragen van het lopende kwartaal overschrijdt, het voorschot tot laatstgenoemd bedrag verminderen, onverminderd de toepassing van de bij artikel 54 van het Uitvoeringsbesluit bepaalde bijdrageopslag wanneer het aldus betaalde voorschot ontoereikend is. Luidens artikel 54bis van het Uitvoeringsbesluit is de werkgever, die voor een kwartaal voorschotten in de zin van artikel 34, tweede en vierde lid, en 34bis is verschuldigd en die zijn verplichtingen ter zake niet nakomt, aan eiser een vaste vergoeding verschuldigd naar verhouding van de "schijf" van de aangegeven bijdragen voor het betrokken kwartaal. Wanneer het bedrag van de aangegeven bijdragen zich bijvoorbeeld tussen 495.787,07 euro tot 743.680,59 euro situeert, dan bedraagt deze vaste vergoeding 4.957,87 euro. Artikel 34 van het Uitvoeringsbesluit werd bij koninklijk besluit van 14 oktober 2005, met ingang van 1 oktober 2005, in die zin gewijzigd dat een ontoereikend voorschot voortaan nog enkel met de vaste vergoeding van artikel 54bis kan worden gesanctioneerd. Ten aanzien van de werkgever die voor 1 oktober 2005 een ontoereikend voorschot heeft betaald, zoals in casu het geval was, kon eiser derhalve zowel de sanctie opleggen van de bijdrageopslag van artikel 54, als de sanctie van de vaste vergoeding die bepaald is in artikel 54bis. In het voorliggend arrest lag enkel de sanctie van artikel 54bis en zijn toepassingsvoorwaarden ter betwisting.
- De verplichting ex artikel 34 om een toereikend voorschot te betalen, betreft een resultaatverbintenis in hoofde van de werkgever waardoor de sanctie van de vaste vergoeding van artikel 54bis van toepassing wordt door het loutere feit dat een ontoereikend voorschot werd betaald. In de zin van artikel 54bis is de werkgever die zijn verplichtingen ter zake niet nakomt, derhalve de werkgever die deze resultaatverbintenis niet is nagekomen. Van zodra vaststaat dat er te weinig voorschotten werden betaald, wordt de werkgever bijgevolg, van rechtswege, door artikel 54bis met de sanctie van de forfaitaire, vaste vergoeding bestraft. Het ontoereikend karakter van de voorschotten houdt met andere woorden op zich reeds het bewijs in dat de werkgever zijn verplichtingen niet is nagekomen die hem door artikel 34 worden opgelegd. De toepassing van de sanctie van artikel 54bis vereist derhalve niet dat het betalen van een ontoereikend voorschot zijn grondslag vindt in een foutieve tekortkoming of onzorgvuldigheid van de werkgever.
- Wanneer de maandelijkse voorschotten, die de werkgever, met toepassing van de uitzonderingsbepaling van artikel 34, in functie van de vermoedelijke bijdragen van het lopende kwartaal aan eiser heeft betaald, uiteindelijk ontoereikend blijken te zijn en dus minder bedragen dan 30 pct. van de bijdragen die effectief voor het lopende kwartaal zijn verschuldigd, dan is deze werkgever zijn resultaatverbintenis ter zake niet nagekomen. De sanctie van artikel 54bis is bijgevolg op deze werkgever evenzeer van toepassing louter en alleen omdat hij maandelijkse voorschotten van minder dan 30 pct. van de verschuldigde bijdragen van het lopende kwartaal heeft betaald. Ook ten aanzien van deze werkgever kan de toepassing van de forfaitaire sanctie niet afhankelijk worden gesteld van het bewijs in hoofde van de werkgever van een onredelijke inschattingsfout van de vermoedelijk verschuldigde bijdragen die aan de grondslag ligt van het storten van ontoereikende voorschotten.
- Het bestreden tussenarrest oordeelde niettemin dat deze sanctie niet aan de verweerster kon worden opgelegd omdat zij de vermoedelijk verschuldigde bijdragen voor het tweede kwartaal van 2002, bij de aanvang van dit kwartaal, als een goed huisvader, correct heeft ingeschat, rekening houdend met alle mogelijke elementen die zij ter beoordeling moest nemen en dit op het tijdstip dat deze inschatting reglementair moest gebeuren (tussenarrest, p.10, tweede alinea, p.11, zevende laatste alinea). Het feit dat, ondanks deze correcte inschatting, de uiteindelijk verschuldigde bijdragen voor het tweede kwartaal 2002 de ingeschatte bijdragen in belangrijke mate overtroffen, was volgens het tussenarrest niet te wijten aan een tekortschieten door verweerster aan haar verplichtingen, maar aan een onverwacht feit, dat de verweerster niet kon kennen op het ogenblik dat zij aan haar verplichtingen ex artikel 34 tegemoet moest komen en waarmee zij dus geen rekening kon houden (p.11, zesde laatste alinea). Het besluit dat de verweerster, met betrekking tot het tweede kwartaal van 2002, heeft voldaan aan haar verplichting om voorschotten te betalen conform artikel 34 van het Uitvoeringsbesluit werd zodoende door het bestreden arrest gestoeld op een beoordeling van de houding van de verweerster, die getoetst werd aan het zorgvuldigheidscriterium van een "goed huisvader", terwijl de vaste vergoeding van artikel 54bis nochtans verschuldigd is van zodra vaststaat dat ontoereikende voorschotten werden betaald, ongeacht de oorzaak hiervan.
- In zoverre het bestreden arrest oordeelde dat het onverwacht feit, dat de verweerster niet kon kennen op het ogenblik dat zij aan haar verplichtingen ex artikel 34 diende tegemoet te komen en waarmee zij dus geen rekening kon houden, met name het zich aandienen helemaal aan het einde van het tweede kwartaal van het eindresultaat van het collectief ontslag van 13 werknemers, met onmiddellijke uitbetaling van de opzeggings-vergoedingen, een geval van overmacht of onoverkomelijke dwaling heeft uitgemaakt in hoofde van de verweerster dan miskende het arrest het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk dwaling een rechtvaardigingsgrond oplevert wanneer zij onoverkomelijk is. Overmacht of dwaling kan onder bepaalde omstandigheden door de rechter als onoverkomelijk worden beschouwd, maar slechts wanneer uit die omstandigheden af te leiden valt dat degene die zich erop beroept, heeft gehandeld zoals ieder redelijk en voorzichtig persoon in dezelfde omstandigheden zou hebben gehandeld. Herstructureringen binnen de onderneming van de verweerster en een daarop volgend collectief ontslag maken geen onoverkomelijke dwaling uit in hoofde van de verweerster die de betaling van een ontoereikend voorschot kan verantwoorden, temeer daar de beslissing om tot onmiddellijke afvloeiing over te gaan, waardoor het saldo van de verbrekingsvergoedingen bij het einde van het tweede kwartaal van 2002 was verschuldigd, in plaats van de werknemers gewoon hun opzeggingstermijnen te laten uitdoen, mede door de verweerster, na onderhandelingen, was getroffen (zie tussenarrest, p.5, derde alinea; zie ook p.9, laatste alinea, waarin het arbeidshof aanneemt dat er reeds begin april 2002 sprake was van personeelsleden die met een collectief ontslag waren "bedreigd").
- Hieruit volgt dat het bestreden tussenarrest, nu vaststond dat de betaalde voorschotten ontoereikend waren, niet wettig heeft kunnen oordelen dat de toepassingsvoorwaarde van artikel 54bis van het Uitvoeringsbesluit niet was vervuld en de sanctie ervan niet kon worden opgelegd op grond dat de verweerster, bij gebrek aan het bewijs door de eiser van een onredelijke inschattingsfout bij de verweerster en gelet op het onverwachte feit dat de verweerster niet kon kennen, de verplichtingen van artikel 34 was nagekomen (schending van de artikelen 34, 54 en 54bis, van het Uitvoeringsbesluit, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek en van het algemeen rechtsbeginsel dat dwaling een rechtvaardigingsgrond oplevert wanneer zij onoverkomelijk is). Tweede onderdeel De beslissing in het tussenarrest, zoals hernomen in het eindarrest, dat de eiser een fout heeft begaan jegens de verweerster door de sanctie van artikel 54bis op te leggen aan de verweerster en door, spijts het door haar gevoerde verweer, de verkeerde toepassing van artikel 54bis te blijven handhaven, zonder dit verder te motiveren, was gestoeld op de in het vorig onderdeel bestreden misvatting dat de verweerster als werkgever haar verplichtingen van artikel 34 was nagekomen zodat de toepassingsvoorwaarde van artikel 54 bis te dezen niet was vervuld. De beoordeling door de appelrechters van de aansprakelijkheid van de verweerster berustte derhalve op een schending van de artikelen 34, 54 en 54bis van het Uitvoeringsbesluit. Hieruit volgt dat het bestreden tussen- en eindarrest, uit het opleggen door de eiser van de sanctie van artikel 54bis aan de verweerster, niet wettig een fout heeft kunnen afleiden bij de eiser en hem dienvolgens niet wettig heeft kunnen veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van 2.500,00 euro (schending van de artikelen 1382, 1383 van het Burgerlijk Wetboek, 34, 54 en 54bis van het Uitvoeringsbesluit en van het algemeen rechtsbeginsel dat dwaling een rechtvaardigingsgrond oplevert wanneer zij onoverkomelijk is). Subsidiair Derde onderdeel In zoverre moet worden aangenomen dat de werkgever, die toepassing heeft gemaakt van de uitzonderingsbepaling van artikel 34 en die voorschotten heeft betaald in functie van de vermoedelijke bijdragen van het lopende kwartaal, zijn verplichtingen ter zake nakomt wanneer hij de vermoedelijk verschuldigde bijdragen heeft ingeschat als een goed huisvader, dan miskende het bestreden tussenarrest artikel 34 van het Uitvoeringsbesluit door voorop te stellen dat die inschatting enkel kan gebeuren bij de aanvang van het lopende kwartaal en dus op grond van de gegevens die dan voorhanden zijn: "Uit de redactie van artikel 34 moet worden afgeleid dat het bepalen van het bedrag van de maandelijkse voorschotten door de werkgever gebeurt bij de aanvang van het kwartaal, waarvoor deze voorschotten verschuldigd zijn. Toegepast in casu kwam het aan (de werkgever) toe om de maandelijkse voorschotten voor het tweede kwartaal 2002 vast te leggen begin april
- Het is op dat tijdstip dat (de werkgever) de bijdragen moet inschatten die vermoedelijk voor het tweede kwartaal 2002 zullen verschuldigd zijn". (p.9, vierde t.e.m. zesde alinea). In de mate dat de werkgever iedere maand, uiterlijk aan de eiser een voorschot dient te storten, biedt dit immers de mogelijkheid om bij de aanvang van elke maand van het lopende kwartaal een nieuwe inschatting van de vermoedelijk verschuldigde bijdragen van het lopende kwartaal te maken zodat het bedrag van de voorschotten voor iedere maand kan worden aangepast aan de actuele vooruitzichten op het vlak van de loonlast van het lopende kwartaal. De beslissing dat de verweerster de verplichtingen van artikel 34 was nagekomen door bij de aanvang van het lopende kwartaal een correcte inschatting te maken van de verschuldigde bijdragen, was bijgevolg niet naar recht verantwoord in zoverre het bestreden tussenarrest zodoende geen rekening hield met de mogelijkheid om bij de aanvang van elke maand van het lopende kwartaal, op grond van de alsdan voorhanden zijnde elementen, een nieuwe inschatting te maken van de verschuldigde bijdragen en in functie daarvan het bedrag van de voorschotten aan te passen. Hieruit volgt dat het bestreden tussenarrest, door te oordelen dat uit de redactie van artikel 34 moet worden afgeleid dat het bepalen van het bedrag van de maandelijkse voorschotten steeds bij de aanvang van het lopende kwartaal moet gebeuren en dit op grond van de gegevens die op dat tijdstip voorhanden zijn, bijgevolg artikel 34 van het Uitvoeringsbesluit heeft miskend (schending van deze bepaling en van artikel 54bis van het Uitvoeringsbesluit) en bijgevolg niet wettig heeft kunnen oordelen dat de verweerster niet redelijkerwijze heeft kunnen inschatten dat de personeelsleden die met collectief ontslag waren bedreigd op het einde van het tweede kwartaal van 2002 het bedrijf definitief zouden verlaten, zonder na te gaan of dit ook gold bij de aanvang van elk van de drie maanden van het lopende kwartaal (schending van de artikelen 34 en 54 van het Uitvoeringsbesluit, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek en van het algemeen rechtsbeginsel dat dwaling een rechtvaardigingsgrond oplevert wanneer zij onoverkomelijk is). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Enig middel Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 28, §1bis, van de RSZ-wet van 27 juni 1969, zoals ingevoegd bij artikel 64, 1°, van de wet van 25 januari 1999, is de werkgever die de voorschotten van bijdragen niet binnen de door de Koning vastgestelde termijn stort, aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid een vaste vergoeding verschuldigd, waarvan het bedrag en de voorwaarden van toepassing bij koninklijk besluit worden vastgesteld.
- Op grond van artikel 34, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit RSZ-wet 1969, zoals te dezen van toepassing, is de werkgever die voor een welbepaald kwartaal bijdragen heeft aangegeven ten belope van meer dan 250.000 BEF, ertoe gehouden voor het daaropvolgend kwartaal, uiterlijk de vijfde van iedere maand volgend op elk van de maanden van dat laatste kwartaal, een voorschot te storten, gelijk aan 30 pct. van het bedrag van de bijdragen, verschuldigd voor het voorlaatste vervallen kwartaal. Wanneer het bedrag van deze 30 pct. het bedrag van 30 pct. van de vermoedelijke bijdragen overschrijdt, kan de werkgever het voorschot tot laatstgenoemd bedrag verminderen.
- Artikel 54bis van het Uitvoeringsbesluit RSZ-wet 1969, zoals te dezen van toepassing, bepaalt dat de werkgever die voor een kwartaal voorschotten in de zin van de artikelen 34, tweede en vierde lid, en 34bis verschuldigd is en die zijn verplichtingen ter zake niet nakomt, aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid een vaste vergoeding verschuldigd is, naar verhouding van de "schijf" van aangegeven bijdragen voor het betrokken kwartaal.
- Wanneer de werkgever gebruik maakt van de hem in artikel 34, tweede lid, geboden mogelijkheid om als voorschot een lager bedrag te betalen dan het bedrag van 30 pct. van de bijdragen verschuldigd voor het voorlaatste vervallen kwartaal, en een voorschot betaalt gelijk aan 30 pct. van de vermoedelijke bijdragen van het lopende kwartaal, en nadien blijkt dat het door de werkgever betaalde voorschot minder bedraagt dan 30 pct. van de effectief verschuldigde bijdragen van het lopende kwartaal, en aldus ontoereikend is, houdt dit als dusdanig in dat de werkgever zijn verplichtingen niet is nagekomen, in de zin van artikel 54bis Uitvoeringsbesluit RSZ-wet
- In het bestreden arrest van 20 januari 2005 stellen de appelrechters vast dat: - de door de verweerster ingeschatte maandelijkse voorschotten voor het tweede kwartaal van 2002 ontoereikend waren, nu zij geen 30 pct. bedroegen van de uiteindelijk verschuldigde bijdragen voor dit kwartaal, zodat in principe de bijdrageopslag voorzien in artikel 54 van het Uitvoeringsbesluit verschuldigd is; - de eiser niet de bijdrageopslag van artikel 54 van het Uitvoeringsbesluit vorderde, maar wel de in artikel 54bis voorziene vaste vergoeding in rekening bracht. Zij oordelen dat: - gelet op de concrete omstandigheden, de beslissing van de verweerster om het vierde kwartaal van 2001 niet als referentiekwartaal aan te nemen voor het tweede kwartaal van 2002, in alle opzichten redelijk was; - de verweerster bij de aanvang van het kwartaal, dit is begin april 2002, de vermoedelijk voor het tweede kwartaal van 2002 verschuldigde bijdragen heeft ingeschat als een "goed huisvader", rekening houdend met alle elementen die op dat tijdstip voorhanden waren om het volume aan bijdragen dat effectief verschuldigd zou zijn zo dicht mogelijk te benaderen, zodat zij voldaan heeft aan de verplichtingen zoals deze voortvloeien uit de toepassing van artikel 34 van het Uitvoeringsbesluit RSZ-wet 1969 met betrekking tot het tweede kwartaal van
- Op grond van deze redenen beslissen de appelrechters niet naar recht dat de verweerster zich niet in de voorwaarden van artikel 54bis van het Uitvoeringsbesluit RSZ-wet 1969 bevond, zodat de eiser de vaste vergoeding voorzien in die bepaling onterecht in rekening heeft gebracht. Het onderdeel is in zoverre gegrond.
- De gedeeltelijke vernietiging van het arrest van 20 januari 2005 heeft de vernietiging tot gevolg van het arrest van 16 december 2005 die daarvan een gevolg is. Overige grieven
- De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest van 20 januari 2005, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Vernietigt het bestreden arrest van 16 december
- Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van zeventien september tweeduizend en zeven uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070917.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div