← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070917.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070917.3 Rolnummer: C.03.0582.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-10-18 Raadplegingen: 975 - laatst gezien 2026-07-03 14:27 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Indien in een huwelijkscontract een beding wordt opgenomen waarin wordt overeengekomen dat het tegenbewijs van het feit, dat de verrekening tussen de eigen vermogens en het gemeenschappelijk vermogen geacht wordt van dag tot dag te zijn opgesteld, niet zal mogen geleverd worden of dat er bij de ontbinding van het stelsel geen vergoedingsrekeningen mogen opgemaakt worden, tast dit beding de essentie van het gemeenschapsstelsel, dat de belangen van de beide partijen in het huwelijk beschermt, aan; dergelijk beding is strijdig met het dwingend recht van elke echtgenoot op verrekening. Thesaurus CAS: HUWELIJKSVERMOGENSSTELSELS - ALGEMEEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - HUWELIJKSVERMOGENSRECHT - Huwelijkscontracten - Algemeen Vrije woorden: Bedongen stelsels - Gemeenschapsstelsel - Verrekening tussen de vermogens - Beding dat strijdig is met de essentie van het gemeenschapsstelsel Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1387, 1388 en 1389 Fiche 2 De echtgenoten kunnen in het huwelijkscontract of bij de wijziging ervan tijdens het huwelijk, geen afstand doen van het opstellen van een vergoedingsrekening; het beding dat bepaalt dat bij de ontbinding van het gemeenschappelijk vermogen geen vergoedingsrekening zal opgemaakt worden, is nietig. Thesaurus CAS: HUWELIJKSVERMOGENSSTELSELS - ALGEMEEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - HUWELIJKSVERMOGENSRECHT - Huwelijkscontracten - Algemeen Vrije woorden: Bedongen stelsels - Gemeenschapsstelsel - Beding waarin afstand wordt gedaan van het opstellen van een vergoedingsrekening Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1387, 1388 en 1389 Annotaties Publicaties: T.Fam. - K. BOONE; Het beding waatbij de vergoedingsrekeningen vermoed worden van dag tot dag te zijn opgesteld beoordeeld in het licht van de essentie van het huwelijksvermogensstelsel. - 2008, 72-79 Juristenkrant - R. VASSEUR; Cassatie verklaart vereffeningsbeding in huwelijkscontract nietig. - 2007, 1-3 R.X. - J. DU MONGH, CH.DECLERCK; =de rechts(on)geldigheid van het beding waarbij de vergoedingsrekeningen worden geacht van dag tot dag te zijn opgesteld. - 2007-2008, 53539 N.J.W. - Goedroen DE MASENEIRE; Verrekening van de eigen vermogens en het gemeenschappelijk vermogen. - 2007, 797-799 Tekst van de beslissing Nr. C.03.0582.N W.N., eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen C. J., verweerder. I. BESTREDEN BESLISSING Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 24 april 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. Bij beschikking van de eerste voorzitter van 20 februari 2007 werd deze zaak naar de derde kamer verwezen. Bij arrest van 19 maart 2007 werd de zaak verdaagd teneinde de partijen toe te laten standpunt in te nemen over de in dit arrest gestelde vraag. Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 6, 1108, laatste lid, 1131, 1133, 1134, 1234, 1304, 1338, 1387, 1388 en 1451, van het Burgerlijk Wetboek (de artikelen 1304, 1387, 1388 en 1451 gewijzigd bij de wet van 14 juli 1976) ; - de artikelen 824, derde lid, en 1045, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek ; - het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de afstand van een recht slechts kan worden afgeleid uit feiten of handelingen die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn en strikt dient geïnterpreteerd. Aangevochten beslissing Het bestreden arrest homologeert de staat van vereffening en verdeling van de ontbonden huwgemeenschap C.-W. vervat in het proces-verbaal van 29 januari 1998 en beslist aldus geen rekening te houden met het vereffeningsbeding vermeld onder punt 7 van het huwelijkscontract letterlijk aangehaald als volgt: "Bij de ontbinding van de gemeenschap zal er geen rekening van terugnemingen en vergoedingen tussen de echtgenoten worden opgemaakt. De rekeningen die zouden verschuldigd zijn tussen het gemeenschappelijk vermogen en de eigen vermogens zullen vermoed worden van dag tot dag te zijn opgesteld". en het bestreden arrest steunt die beslissing op de volgende gronden: "Op 25 november 1976 werd door notaris Paul De Blauwe het huwelijkscontract tussen partijen opgesteld. Het hof van beroep vermeldt hierna de dienstige bepalingen. In artikel 1 verklaren de partijen het wettelijk stelsel van de gemeenschap aan te nemen, behoudens de hierna volgende modaliteiten. Het gemeenschappelijk vermogen zal samengesteld zijn uit de inkomsten der echtgenoten, hun besparingen en aanwinsten, samen of alleen verworven, evenals uit goederen waarvan niet bewezen is dat zij eigen zijn. Volgende goederen blijven eigen aan iedere echtgenoot: - de goederen waarvan hij eigenaar zal zijn op het ogenblik van het huwelijk; - diegene waarvan hij eigenaar zal worden in de toekomst door erfenis, schenking of een gelijkaardige titel. Iedere echtgenoot zal alleen gehouden zijn tot zijn eigen schulden onder de voorwaarden die de wet bepaalt. In artikel 2 worden de goederen vermeld die uit het gemeenschappelijk vermogen worden gesloten, ongeacht het tijdstip van verkrijging: - de klederen en voorwerpen voor persoonlijk gebruik van de een of andere echtgenoot; - de voorwerpen die dienen voor de uitoefening van zijn beroep; - de andere goederen en rechten omschreven in de artikelen 1400 en 1401 van het Burgerlijk Wetboek. In artikel 3 wordt bepaald dat iedere echtgenoot zal bijdragen in de lasten van het huwelijk volgens zijn vermogen. De echtgenoten zullen geacht worden van dag tot dag hun deel te hebben bijgedragen, zonder hiervoor kwijting te moeten geven. Artikel 7 bevat het vereffeningbeding en luidt als volgt: ‘Bij de ontbinding van de gemeenschap zal er geen rekening van terugnemingen en vergoedingen tussen de echtgenoten worden opgemaakt. De rekeningen die zouden verschuldigd zijn tussen het gemeenschappelijk vermogen en de eigen vermogens zullen vermoed worden van dag tot dag te zijn opgesteld'. De echtgenoten kunnen hun huwelijksovereenkomsten naar goeddunken regelen. De vrije keuze wordt evenwel door een aantal beperkingen beheerst (de artikelen 1387 en 1388 van het Burgerlijk Wetboek). Aldus kunnen in het contract geen bedingen worden opgenomen die strijdig zijn met de openbare orde (artikel 1387 van het Burgerlijk Wetboek). Rechtspraak en rechtsleer aanvaarden dat een beding dat onverenigbaar is met de essentiële kenmerken van het stelsel, strijdig is met de openbare orde. Aldus kan in een overeenkomst, dat voorziet in een gemeenschapsstelsel, geen beding worden opgenomen waarin in algemene termen aan elke mogelijke vergoeding wordt verzaakt. De vergoeding is immers een essentieel element van het gemeenschapsstelsel. Artikel 7, alinea 1, van het vereffeningbeding bepaalt in algemene termen dat er geen rekening van terugnemingen en vergoedingen wordt gemaakt. Met andere woorden verzaken de partijen in algemene termen aan elke vergoeding. De stelling van eiseres is dat uit artikel 7, alinea 2, zou moeten blijken dat alinea 1 geen algemeen beding bevat, omdat in alinea 2 wordt gespecificeerd dat de rekeningen worden vermoed van dag tot dag te zijn opgesteld. Het zou dus met andere woorden gaan om een modaliteit in het systeem van vergoedingen, en dit is niet in strijd met de openbare orde. Het hof van beroep is het met de visie van eiseres niet eens. De bepaling van alinea 2 is geen modaliteit van de vergoeding. Vergoedingsrekeningen worden immers na de ontbinding van het stelsel opgemaakt en alinea 2 zet enkel uiteen waarom de partijen in alinea 1 verzaken aan het opmaken van vergoedingsrekeningen. De verwijzing naar de opvattingen van De Page en Dekkers is niet terzake. De Page zegt in de eerste plaats dat elk beding, waarbij de toekomstige echtgenoten verzaken aan iedere vergoeding voorzien in het oude artikel 1437 van het Burgerlijk Wetboek (opgeheven door de wet van 14 juli 1976), algemeen wordt beschouwd als nietig. Hij werpt wel de vraag op of de vergoeding niet als een zuiver privaat recht moet worden beschouwd. Nog afgezien van het feit dat het systeem van vergoedingen thans veel uitgebreider is uitgewerkt dan in het oude artikel 1437 van het Burgerlijk Wetboek, zodat iedere vergelijking mank loopt, is het zo dat in de huidige navolgbare stand van rechtspraak en rechtsleer zulk een algemeen vereffeningsbeding als nietig wordt beschouwd, alle filosofische en rechtstheoretische overwegingen van eiseres ten spijt. Eiseres wijst verder op de nauwe samenhang met artikel

  1. Ook dit middel kan niet worden aanvaard. Artikel 3 van de overeenkomst betreft de regeling van de bijdrage in de lasten van het huwelijk, zoals voorzien door artikel 221 van het Burgerlijk Wetboek, dat betrekking heeft op het primair huwelijksvermogensrecht. Er is een wezenlijk onderscheid tussen de bijdrageplicht tussen echtgenoten en de vergoedingsrekening tussen vermogens. Eiseres roept ter ondersteuning van haar argumenten het arrest in, gewezen op 6 december 1996 door de eerste kamer van dit hof (van beroep) (kopie gevoegd bij de zwarigheden). Het hof van beroep kan daar geen gunstig onthaal aan verlenen. Nog afgezien van het feit dat geen rechter een uitspraak mag doen bij wege van algemene en als regel geldende beschikking (artikel 6 van het Gerechtelijk Wetboek), beslechtte het hof van beroep een geschil met betrekking tot de bijdrageplicht tussen echtgenoten gehuwd in een stelsel van zuivere scheiding van goederen. Er is dus geen vergelijking mogelijk met de hier te beoordelen zaak. (...) Tenslotte roept eiseres de relativiteit van de nietigheid in. Zij stelt dat het vereffeningbeding immers nooit ter discussie werd gesteld. Het hof van beroep kan deze redenering niet volgen. Het vereffeningbeding zal uiteraard tijdens het huwelijk niet ter discussie zijn gesteld, omdat er ook geen aanleiding was om het beding in werking te stellen. Zelfs indien de partijen tijdens het huwelijk rekeningen van dag tot dag zouden hebben vereffend, neemt dit de nietigheid van het vereffeningbeding niet weg. In ondergeschikte orde, zo het beding nietig is - wat dus het geval is -, roept eiseres de nietigheid van het volledige huwelijkscontract in. Een huwelijkscontract is enkel volledig nietig wanneer een vormvoorschrift niet is nageleefd of wanneer de toestemming van een echtgenoot ontbreekt. Bevat het huwelijkscontract een beding dat nietig is wegens strijdigheid met de openbare orde, dan is enkel dat beding nietig ; tenzij dit beding zo innig met de rest van het contract zou zijn verbonden dat het er als het ware één geheel mee uitmaakt. Dit is ten deze geenszins het geval. Artikel 7 is nietig ; het contract is voor het overige geldig". Grieven Eerste onderdeel De echtgenoten mogen ingevolge het artikel 1387 van het Burgerlijk Wetboek hun huwelijksovereenkomsten regelen naar goeddunken, mits zij daarin niets bedingen dat strijdig is met de openbare orde of de goede zeden. Het artikel 7 van het huwelijkscontract van partijen bevat een vereffeningsbeding dat luidt als volgt: "Bij de ontbinding van de gemeenschap zal er geen rekening van terugnemingen en vergoedingen tussen de echtgenoten worden opgemaakt. De rekeningen die zouden verschuldigd zijn tussen het gemeenschappelijk vermogen en de eigen vermogens zullen vermoed worden van dag tot dag te zijn opgesteld". Het vereffeningsbeding waarin partijen verzaken aan het opmaken van vergoedingsrekeningen omdat de rekeningen vermoed worden van dag tot dag te zijn opgesteld, is niet in strijd met de openbare orde. De vergoedingsrekeningen tussen gewezen echtgenoten raken immers zuiver private belangen en het beding waarin aan het opmaken van die rekeningen verzaakt wordt omdat zij vermoed worden van dag tot dag te zijn opgesteld, doet geenszins afbreuk aan de juridische grondslagen waarop de economische of morele orde van de maatschappij berust. Het bestreden arrest heeft dan ook ten onrechte beslist dat het vereffeningsbeding van artikel 7 uit het huwelijkscontract van partijen strijdig is met de openbare orde en daarom nietig is (schending van de artikelen 6, 1108, laatste lid, 1131, 1133, 1234, 1304, 1338, 1387, 1388 en 1451 van het Burgerlijk Wetboek). Tweede onderdeel Volgens het artikel 1388 van het Burgerlijk Wetboek mogen de echtgenoten in hun huwelijksovereenkomst niet afwijken van de regels die hun wederzijdse rechten en verplichtingen bepalen, noch van de regels betreffende het ouderlijk gezag en de voogdij noch van de regels die de wettelijke orde van erfopvolging bepalen. Volgens het artikel 1451 van het Burgerlijk Wetboek mogen echtgenoten die een stelsel van gemeenschap van goederen hebben bedongen, niet afwijken van de regels van het wettelijk stelsel die betrekking hebben op het bestuur over het eigen en het gemeenschappelijk vermogen. Volgens de vaststellingen van de appelrechters hebben partijen in artikel 1 van hun huwelijksovereenkomst verklaard het wettelijk stelsel van de gemeenschap aan te nemen behoudens ondermeer de modaliteiten vermeld in het artikel 7 van hun huwelijksovereenkomst dat volgend vereffeningsbeding bevat: "Bij de ontbinding van de gemeenschap zal er geen rekening van terugnemingen en vergoedingen tussen de echtgenoten worden opgemaakt. De rekeningen die zouden verschuldigd zijn tussen het gemeenschappelijk vermogen en de eigen vermogens zullen vermoed worden van dag tot dag te zijn opgesteld". Het vereffeningsbeding waarin partijen verzaken aan het opmaken van vergoedingsrekeningen omdat de rekeningen vermoed worden van dag tot dag te zijn opgesteld, wijkt niet af van de regels die hun wederzijdse rechten en plichten uit het primair huwelijksstelsel bepalen, noch van de regels betreffende het ouderlijk gezag en de voogdij, noch van de regels die de wettelijke orde van erfopvolging bepalen. Dit vereffeningsbeding wijkt evenmin af van de regels van het wettelijk stelsel die betrekking hebben op het bestuur over het eigen en het gemeenschappelijk vermogen. Het bestreden arrest heeft dit vereffeningsbeding dan ook ten onrechte nietig verklaard omdat de vergoeding een essentieel element van het gemeenschapsstelsel zou zijn. De artikelen 1388 en 1451 van het Burgerlijk Wetboek verbieden inderdaad niet dat in een huwelijksovereenkomst die voorziet in een gemeenschapsstelsel, een beding wordt opgenomen waarin partijen verzaken aan het opmaken van vergoedingsrekeningen omdat hun rekeningen vermoed worden van dag tot dag te zijn opgesteld zodat partijen krachtens artikel 1387 van het Burgerlijk Wetboek aan het opmaken van die vergoedingsrekeningen konden verzaken (schending van de artikelen 1108, laatste lid, 1131, 1133, 1234, 1304, 1338, 1387, 1388 en 1451 van het Burgerlijk Wetboek). Derde onderdeel De echtgenoten regelen hun huwelijksovereenkomsten naar goeddunken, mits zij daarin niets bedingen dat strijdig is met de openbare orde of de goede zeden (artikel 1387 van het Burgerlijk Wetboek) en mits zij niet afwijken van de regels die hun wederzijdse rechten en verplichtingen bepalen, noch van de regels betreffende het ouderlijk gezag en de voogdij, noch van de regels die de wettelijke orde van de erfopvolging bepalen (artikel 1388 van het Burgerlijk Wetboek). Echtgenoten die een stelsel van gemeenschap van goederen hebben bedongen, mogen krachtens artikel 1451 van het Burgerlijk Wetboek niet afwijken van de regels van het wettelijk stelsel die betrekking hebben op het bestuur over het eigen en het gemeenschappelijk vermogen. Onder voorbehoud van het bepaalde in de artikelen 1387 en 1388 van het Burgerlijk Wetboek kunnen zij bij huwelijkscontract elke andere wijziging aanbrengen in het wettelijk stelsel. Echtgenoten kunnen derhalve bij huwelijkscontract afzien van het recht op vergoeding en van het opstellen van vergoedingsrekeningen. Het bestreden arrest heeft dan ook ten onrechte beslist dat het artikel 7 van het huwelijkscontract van partijen waarin verzaakt wordt aan het opmaken van vergoedingsrekeningen omdat de rekeningen vermoed worden van dag tot dag te zijn opgesteld, nietig is omdat vergoeding een essentieel element van het gemeenschapsstelsel zou zijn. Het enkele feit dat een beding zou afwijken van een essentieel element van het gemeenschapsstelsel is immers geen wettelijke reden om dit beding nietig te verklaren wanneer dit beding niet strijdig is met de openbare orde en de goede zeden, wanneer het niet afwijkt van de regels die de wederzijdse rechten en verplichtingen bepalen, noch van de regels betreffende het ouderlijk gezag en de voogdij, noch van de regels die de wettelijke orde van erfopvolging regelen en noch van de regels van het wettelijk stelsel die betrekking hebben op het bestuur over het eigen en over het gemeenschappelijk vermogen (schending van de artikelen 6, 1108, laatste lid, 1131, 1133, 1234, 1304, 1338, 1387, 1388 en 1451, van het Burgerlijk Wetboek). Door op die gronden het vereffeningsbeding uit artikel 7 van de huwelijksovereenkomst tussen partijen nietig te verklaren hebben de appelrechters tevens de bindende kracht van dit beding geschonden (schending van artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek). Vierde onderdeel Wanneer een overeengekomen beding relatief nietig is, dan kan dit beding door de erdoor beschermde partij bekrachtigd worden ook vooraleer dit beding effectief ter discussie gesteld wordt tussen partijen. Wanneer de beschermde partij afstand deed van haar recht om de relatieve nietigverklaring van het beding te vorderen, dan kan zij achteraf immers niet op deze afstand terugkomen door het beding ter discussie te stellen tenzij de afstand aangetast was door een wilsgebrek. Het bestreden arrest heeft dan ook ten onrechte beslist dat zelfs indien de partijen tijdens het huwelijk rekeningen van dag tot dag zouden vereffend hebben overeenkomstig het vereffeningsbeding uit artikel 7 van hun huwelijksovereenkomst, dit de nietigheid van het vereffeningsbeding niet wegneemt vermits het vereffeningsbeding tijdens het huwelijk niet ter discussie gesteld werd. Het enkele feit dat het vereffeningsbeding niet ter discussie werd gesteld, belet immers niet dat verweerder de nietigheid ervan kon bekrachtigen wanneer dit vereffeningsbeding relatief nietig was (schending van de artikelen 1108, laatste lid, 1234, 1304, 1338, 1387, 1388 en 1451, van het Burgerlijk Wetboek). Het bestreden arrest kon op die gronden evenmin aannemen dat er in hoofde van verweerder geen afstand was van de relatieve nietigheid nu de afstand van een relatieve nietigheid ook mogelijk is zonder voorafgaande discussie (schending van de artikelen 824, derde lid, en 1045, derde lid, en van het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de afstand van een recht slechts kan worden afgeleid uit feiten of handelingen die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn en strikt dient te worden geïnterpreteerd). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste, tweede, derde en vierde onderdeel
  2. Artikel 1387 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de partijen hun huwelijksovereenkomsten regelen naar goeddunken, mits zij daarin niets bedingen dat strijdig is met de openbare orde of met de goede zeden. Ook de artikelen 1388 en 1389 van dit wetboek bevatten regels waarvan niet mag worden afgeweken. Artikel 1390 van dit wetboek bepaalt dat bij gebreke van bijzondere overeenkomsten, de regels van het wettelijk stelsel het gemeenrecht vormen. Uit die bepalingen volgt dat de partijen tijdens het huwelijk noodzakelijk onder een huwelijksvermogenstelsel moeten leven. Dit houdt ook in dat ter bescherming van de vermogens van de echtgenoten, een huwelijkscontract geen bedingen mag bevatten die de essentie van het gekozen stelsel aantasten.
  3. In een stelsel van gemeenschap zijn de drie vermogens, dat van elke echtgenoot en het gemeenschappelijk vermogen, en de verrekeningen tussen die stelsels, essentieel.
  4. De echtgenoten kunnen in hun huwelijksvoorwaarden het bewijs regelen van die verrekening tussen de vermogens in die zin dat de verrekeningen geacht worden van dag tot dag te zijn opgesteld. Indien echter wordt overeengekomen dat het tegenbewijs daarvan niet zal mogen worden geleverd of dat er bij de ontbinding van het stelsel geen vergoedingsrekeningen mogen worden opgemaakt, tast dit de essentie van het gemeenschapsstelsel, dat de belangen van de beide partijen in het huwelijk beschermt, aan. Dergelijk beding is strijdig met het dwingend recht van elke echtgenoot op verrekening. De echtgenoten kunnen in het huwelijkscontract of bij de wijziging ervan tijdens het huwelijk, geen afstand doen van het opstellen van een vergoedingsrekening.
  5. Het arrest stelt vast dat: - de partijen het wettelijk stelsel hebben aangenomen, behoudens de modaliteiten bepaald in het huwelijkscontract; - dit contract bepaalt dat de rekeningen die zouden verschuldigd zijn tussen het gemeenschappelijk vermogen en de eigen vermogens zullen vermoed worden van dag tot dag te zijn opgesteld; - het huwelijkscontract een beding bevat dat bij de ontbinding van de gemeenschap geen rekening van terugnemingen en vergoedingen tussen de echtgenoten zal worden opgemaakt. Het arrest beslist dat het beding dat bij de ontbinding van het gemeenschappelijk vermogen geen vergoedingsrekening zal worden opgemaakt, nietig is.
  6. Op grond van de in randnummer 3 in de plaats gestelde redenen is die beslissing naar recht verantwoord. De onderdelen, al waren zij gegrond, kunnen niet tot cassatie leiden en zijn bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van 475,26 euro jegens de eisende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, de raadsheren Eric Stassijns, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van zeventien september tweeduizend en zeven uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070917.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070319.2 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120305.1 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120607.5 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150910.2 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160128.3 ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20170113.1 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210122.1N.38 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230323.1F.5 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241122.1N.6 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250328.1N.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071129.7 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080926.5 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100225.11 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120308.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.