← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070918.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:

Artikel 2

van de wet van 2 september 1985 - Vermoedelijke dader wordt niet uitgeleverd - Begrip Europees Verdrag tot bestrijding van het Terrorisme, opgemaakt te

Artikel 2

van de wet van 2 september 1985 - Beslissing om niet uit te leveren Thesaurus CAS: INTERNATIONALE VERDRAGEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Extraterritorialiteit Vrije woorden: Europees Verdrag tot bestrijding van het Terrorisme, opgemaakt te

Artikelen 6.1 en 7 Fiches 12 - 14 Uit de artikelen 6.1 en 7, van het Europees Verdrag tot bestrijding van het Terrorisme, opgemaakt te Straatsburg op 27 januari 1977 en artikel 2, van de wet van 2 september 1985 houdende goedkeuring van het Europees Antiterrorismeverdrag en de Overeenkomst betreffende de toepassing ervan tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen, opgemaakt te Dublin op 4 december 1979, volgt dat eens de Belgische overheid beslist heeft de in België aangetroffen vermoedelijke dader niet uit te leveren, de Belgische overheid bevoegd is deze wegens het misdrijf dat het voorwerp van het verzoek tot uitlevering uitmaakt, voor de Belgische gerechten te vervolgen; zolang die beslissing niet uit te leveren niet is ingetrokken, nemen een of meerdere latere verzoeken tot uitlevering waarover nog niet is beslist, die bevoegdheid niet weg. Thesaurus CAS: STRAFVORDERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Extraterritorialiteit Vrije woorden: Bevoegdheid van de Belgische gerechten - Misdrijf in het buitenland gepleegd - Beslissing om de vermoedelijke dader niet uit te leveren - Nieuw verzoek tot uitlevering Bevoegdheid van de Belgische gerechten - Misdrijf in het buitenland gepleegd - Beslissing om de vermoedelijke dader niet uit te leveren - Nieuw verzoek tot uitlevering - Artikelen 6.1 en 7 van het Europees Verdrag tot bestrijding van het Terrorisme, opgemaakt te Straatsburg op 27 januari 1977 Bevoegdheid van de Belgische gerechten - Misdrijf in het buitenland gepleegd - Beslissing om de vermoedelijke dader niet uit te leveren - Nieuw verzoek tot uitlevering - Artikel 2 van de wet van 2 september 1985 Fiches 15 - 16 De artikelen 6.1 en 7, van het Europees Verdrag tot bestrijding van het Terrorisme, opgemaakt te Straatsburg op 27 januari 1977 vereisen niet dat de vermoedelijke dader van het strafbare feit zich op het ogenblik dat het Belgische gerecht uitspraak doet, nog op het Belgisch grondgebied bevindt; het is krachtens die bepalingen enkel vereist dat hij zich op het Belgisch grondgebied bevindt op het ogenblik dat de vervolging wegens het strafbare feit wordt ingesteld

(1).
(1)Zie Cass., 30 mei 2007, AR P.07.0216.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070530.3, nr ... Thesaurus CAS: INTERNATIONALE VERDRAGEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Extraterritorialiteit Vrije woorden: Europees Verdrag tot bestrijding van het Terrorisme, opgemaakt te

Artikelen 6.1 en 7 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Extraterritorialiteit Vrije woorden: Bevoegdheid van de Belgische gerechten - Misdrijf in het buitenland gepleegd - Aanwezigheid van de vermoedelijke dader op het Belgisch grondgebied - Ogenblik van beoordeling Fiches 17 - 32 Concl. eerste adv.-gen. DE SWAEF, Cass., 18 sept. 2007, AR P.07.0571.N, A.C., 2007, nr ... Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering - Geen eindbeslissing, toch onmiddellijk vatbaar voor cassatieberoep UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Extraterritorialiteit Vrije woorden: Beslissing over de ontvankelijkheid van de strafvordering Thesaurus CAS: STRAFVORDERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Extraterritorialiteit Vrije woorden: Ontvankelijkheid - Tijdstip van de beoordeling Ontvankelijkheid - Nieuwe wet die ontvankelijkheidsvereiste voor het instellen van de strafvordering wijzigt Bevoegdheid van de Belgische gerechten - Misdrijf in het buitenland gepleegd - Nieuwe wet die ontvankelijkheidsvereiste voor het instellen van de strafvordering wijzigt Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Extraterritorialiteit Vrije woorden: Werking in de tijd - Wet 5 augustus 2003 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht - Regelmatige vervolging voor inwerkingtreding - Overgangsrecht Werking in de tijd - Wet van 22 mei 2006 tot wijziging van sommige bepalingen van de wet van 17 april 1878 - Overgangsrecht Thesaurus CAS: STRAFVORDERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Extraterritorialiteit Vrije woorden: Bevoegdheid van de Belgische gerechten - Misdrijf in het buitenland gepleegd - Nieuwe wet die ontvankelijkheidsvereiste voor het instellen van de strafvordering wijzigt Bevoegdheid van de Belgische gerechten - Misdrijf in het buitenland gepleegd - Nieuwe wet die ontvankelijkheidsvereiste voor het instellen van de strafvordering wijzigt - Misdrijf bedoeld in artikel 1 Europees Verdrag tot bestrijding van het Terrorisme, opgemaakt te Straatsburg op 27 januari 1977 Thesaurus CAS: UITLEVERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Extraterritorialiteit Vrije woorden: Europees Verdrag tot bestrijding van het Terrorisme, opgemaakt te

Artikel 2

van de wet van 2 september 1985 - Vermoedelijke dader wordt niet uitgeleverd - Begrip Europees Verdrag tot bestrijding van het Terrorisme, opgemaakt te

Artikel 2

van de wet van 2 september 1985 - Beslissing om niet uit te leveren Thesaurus CAS: INTERNATIONALE VERDRAGEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Extraterritorialiteit Vrije woorden: Europees Verdrag tot bestrijding van het Terrorisme, opgemaakt te

Artikelen 6.1 en 7 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Extraterritorialiteit Vrije woorden: Bevoegdheid van de Belgische gerechten - Misdrijf in het buitenland gepleegd - Beslissing om de vermoedelijke dader niet uit te leveren - Nieuw verzoek tot uitlevering Bevoegdheid van de Belgische gerechten - Misdrijf in het buitenland gepleegd - Beslissing om de vermoedelijke dader niet uit te leveren - Nieuw verzoek tot uitlevering - Artikelen 6.1 en 7 van het Europees Verdrag tot bestrijding van het Terrorisme, opgemaakt te Straatsburg op 27 januari 1977 Bevoegdheid van de Belgische gerechten - Misdrijf in het buitenland gepleegd - Beslissing om de vermoedelijke dader niet uit te leveren - Nieuw verzoek tot uitlevering - Artikel 2 van de wet van 2 september 1985 Thesaurus CAS: INTERNATIONALE VERDRAGEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Extraterritorialiteit Vrije woorden: Europees Verdrag tot bestrijding van het Terrorisme, opgemaakt te

Artikelen 6.1 en 7 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Extraterritorialiteit Vrije woorden: Bevoegdheid van de Belgische gerechten - Misdrijf in het buitenland gepleegd - Aanwezigheid van de vermoedelijke dader op het Belgisch grondgebied - Ogenblik van beoordeling Tekst van de beslissing Nr. P.07.0571.N F. E., alias N. Y., inverdenkinggestelde, met als raadslieden mr. Paul Bekaert, advocaat bij de balie te Brugge en mr. Raf Jespers, advocaat bij de balie te Antwerpen, eiseres, tegen D. S., burgerlijke partij, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie en met als raadsman mr. Fernand Schmitz, advocaat bij de balie te Brussel, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 29 maart 2007, op verwijzing gewezen ingevolge arrest van het Hof van 27 juni 2006.. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel

  1. Het middel voert aan dat artikel 12bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, waarbij de Belgische gerechten bevoegd zijn om kennis te nemen van misdrijven gepleegd buiten het grondgebied van het Koninkrijk en bedoeld in een regel van internationaal verdrags- of gewoonterecht, vereist dat de vervolging, daarin begrepen het onderzoek, ingesteld wordt door de federale procureur. Het stelt dat die regel een procedureregel is die overeenkomstig artikel 3 Gerechtelijk Wetboek op de aanhangige gedingen van toepassing is. Het middel voert eveneens aan dat de burgerlijke partij geen klacht bij de federale procureur heeft ingediend en dat deze laatste geen vordering tot gerechtelijk onderzoek heeft ingesteld. Het middel leidt hieruit af dat het arrest ten onrechte oordeelt dat de Belgische gerechten in deze bevoegd zijn.
  2. Artikel 12bis, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt: "Behoudens in de gevallen van de artikelen 6 tot 11, zijn de Belgische Gerechten eveneens bevoegd om kennis te nemen van misdrijven gepleegd buiten het grondgebied van het Koninkrijk en bedoeld in een regel van internationaal verdrags- of gewoonterecht of een regel van afgeleid recht van de Europese Unie waardoor België is gebonden wanneer het krachtens die regel op enigerlei wijze wordt verplicht de zaak aan zijn bevoegde autoriteiten voor te leggen teneinde vervolgingen in te stellen". Het tweede lid van dit artikel bepaalt: "De vervolging, met inbegrip van het onderzoek, kan slechts plaatsgrijpen op vordering van de federale procureur, die eventuele klachten beoordeelt."
  3. De regel van artikel 12bis, tweede lid, voornoemd, dat de vervolging, met inbegrip van het onderzoek, slechts op vordering van de federale procureur kan plaatsgrijpen, is een vereiste opdat de vervolging van de in het eerste lid van hetzelfde artikel bedoelde misdrijven op ontvankelijke wijze zou worden ingesteld.
  4. De ontvankelijkheid van de strafvordering wordt beoordeeld op het ogenblik van het instellen ervan. Wanneer een strafvordering wegens een misdrijf waarvoor de Belgische gerechten bevoegd zijn voor een Belgisch gerecht op ontvankelijke wijze is ingesteld vóór de inwerkingtreding van een nieuwe wet die de ontvankelijkheidvereiste voor het instellen ervan wijzigt, blijft die vervolging voor dit gerecht regelmatig aanhangig, tenzij die wet anders bepaalt.
  5. Artikel 12bis, tweede lid, Voorafgaande Titel, zoals thans van toepassing, is: - ingevoegd bij artikel 18, 4°, van de wet van 5 augustus 2003 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht; - vernietigd bij het arrest nr. 62/2005 van 23 maart 2005 van het Grondwettelijk Hof, - met inwerkingtreding op 31 maart 2006, opnieuw ingevoegd bij artikel 3, 1°, van de wet van 22 mei 2006 tot wijziging van sommige bepalingen van de wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, alsmede van een bepaling van de wet van 5 augustus 2003 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht.
  6. Die wetten bevatten geen overgangsmaatregel die de bevoegdheid van de Belgische gerechten voor de misdrijven bedoeld in artikel 1 Europees Verdrag tot bestrijding van het Terrorisme, opgemaakt te Straatsburg op 27 januari 1977 (hierna: Europees Antiterrorismeverdrag), beperkt wanneer de vervolging vóór hun inwerkingtreding regelmatig aanhangig gemaakt was. Zij bepalen evenmin dat die vervolging zou vervallen enkel en alleen omdat zij vóór hun inwerkingtreding niet door de federale procureur zou zijn ingesteld.
  7. Het bestreden arrest stelt vast dat de hier aanhangig gemaakte strafvordering een misdrijf als bedoeld in artikel 1, e), Europees Antiterrorismeverdrag tot voorwerp heeft en regelmatig werd ingesteld door de burgerlijke partijstelling van de verweerder op 9 november 2000, dit is vóór de inwerkingtreding van de voormelde wet van 22 mei 2006 waarbij artikel 12bis, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering werd ingevoegd.
  8. Op grond van die feitelijke vaststellingen die het middel niet aanvecht, was er geen grond te oordelen dat de vervolging slechts op vordering van de federale procureur kon worden ingesteld. Het middel kan niet aangenomen worden. Tweede middel
  9. Het middel voert aan dat de eiseres het voorwerp uitmaakt van twee verzoeken tot uitlevering uitgaande van de Turkse overheid, waarover de Belgische Regering nog geen beslissing heeft genomen. Het leidt hieruit af dat de voorwaarde dat de vermoedelijke dader niet is uitgeleverd, opdat deze voor een Belgische gerecht zou kunnen worden vervolgd, bepaald bij de artikelen 6.
  10. en 7 Europees Antiterrorismeverdrag, niet is vervuld zodat het arrest ten onrechte oordeelt dat de Belgische rechtbanken bevoegd zijn.
  11. Artikel 6.
  12. Europees Antiterrorismeverdrag bepaalt: "Elke verdragsluitende Staat neemt de maatregelen die nodig zijn om zijn bevoegdheid vast te leggen tot kennisneming van een strafbaar feit bedoeld in artikel 1 in het geval waarin de vermoedelijke dader zich op zijn grondgebied bevindt en deze Staat hem niet uitlevert na een verzoek tot uitlevering te hebben ontvangen van een verdragsluitende Staat waarvan de bevoegdheid tot vervolging is gebaseerd op een bevoegdheidsregel die eveneens bestaat in de wetgeving van de aangezochte Staat". Artikel 7 van hetzelfde verdrag bepaalt: "Een verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan de vermoedelijke dader van een strafbaar feit bedoeld in artikel 1 wordt aangetroffen en die een verzoek tot uitlevering heeft ontvangen overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid van artikel 6 is, indien hij de vermoedelijke dader van het strafbare feit niet uitlevert, in alle gevallen verplicht de zaak zonder nodig uitstel voor vervolging aan zijn bevoegde autoriteiten over te dragen. Deze autoriteiten nemen hun beslissing op dezelfde wijze als in geval een strafbaar feit van ernstige aard krachtens de wetgeving van die Staat". Artikel 2 van de wet van 2 september 1985 houdende goedkeuring van het Europees Antiterrorismeverdrag en de Overeenkomst betreffende de toepassing ervan tussen de Lid-staten van de Europese Gemeenschappen, opgemaakt te Dublin op 4 december 1979, bepaalt: "Voor de toepassing van de voornoemde verdragen zijn de Belgische rechtbanken bevoegd en is de Belgische Strafwet van toepassing op de strafbare feiten bedoeld in artikel 1 van het Europees antiterrorismeverdrag van 27 januari 1977, wanneer een verzoek tot uitlevering door een verdragsluitende Staat is ingediend en de vermoedelijke dader niet wordt uitgeleverd."
  13. Er is slechts sprake van een situatie waar een vermoedelijke dader niet wordt uitgeleverd als bedoeld in deze bepalingen, wanneer de Belgische regering beslist heeft die dader niet uit te leveren.
  14. Uit die bepalingen volgt dat eens de Belgische overheid beslist heeft de in België aangetroffen vermoedelijke dader niet uit te leveren, de Belgische overheid bevoegd is deze wegens het misdrijf dat het voorwerp van het verzoek tot uitlevering uitmaakt, voor de Belgische gerechten te vervolgen. Zolang die beslissing niet uit te leveren niet is ingetrokken, nemen een of meerdere latere verzoeken tot uitlevering waarover nog niet is beslist, die bevoegdheid niet weg.
  15. Het bestreden arrest stelt vast dat Turkije de Belgische overheid verzocht heeft de eiseres uit te leveren wegens een misdrijf bedoeld in artikel 1, e), Europees Antiterrorismeverdrag en dat België bij ministerieel besluit van 31 mei 2000 geweigerd heeft de eiseres uit te leveren. Het oordeelt verder dat aan de voorwaarde van niet-uitlevering is voldaan zodat de Belgische rechtbanken bevoegd zijn en dat het feit dat intussen nieuwe verzoeken tot uitlevering van de eiseres werden ingediend, die op heden nog niet zijn afgehandeld, hieraan geen afbreuk doet. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. Het middel kan niet aangenomen worden. Derde middel
  16. Het middel voert aan dat de artikelen 6.
  17. en 7 Europees Antiterrorismeverdrag vereisen dat de vermoedelijke dader zich zowel op het ogenblik van het instellen van de vervolging als op het ogenblik van de uitspraak over de gegrondheid van de strafvordering op het grondgebied van de vervolgende staat bevindt. Uit het feit dat de eiseres zich thans niet op het Belgisch grondgebied zou bevinden, leidt het middel af dat de Belgische gerechten niet bevoegd zijn.
  18. De artikelen 6.
  19. en 7 Europees Antiterrorismeverdrag, die hierboven in het antwoord op het tweede middel zijn weergegeven, vereisen niet dat de vermoedelijke dader van het strafbare feit zich op het ogenblik dat het Belgische gerecht uitspraak doet, nog op het Belgisch grondgebied bevindt. Het is krachtens die bepalingen enkel vereist dat hij zich op het Belgisch grondgebied bevindt op het ogenblik dat de vervolging wegens het strafbare feit wordt ingesteld. Het middel faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
  20. De substantiële of op straffe van onderzoek voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet genomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 91,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Jean-Pierre Frère, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare terechtzitting van 18 september 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. F. Adriaensen K. Mestdagh L. Van hoogenbemt P. Maffei J.-P. Frère E. Forrier PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070918.7 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070918.7 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190320.4 ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.028 precedenten: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070530.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.