id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070925.1 Rolnummer: P.07.0461.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2007-10-23 Raadplegingen: 649 - laatst gezien 2026-07-04 01:48 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het opleggen van de zwaarste straf met toepassing van artikel 65, eerste lid, Strafwetboek houdt niet in dat deze straf alleen de feiten betreft waarop deze zwaarste straf is gesteld; onder de bestraffing met de zwaarste straf zijn integendeel al de feiten begrepen waarvoor ze uitgesproken wordt. Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Misdrijven - Soorten STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Samenloop - Algemeen Vrije woorden: Eenheid van opzet - Straftoemeting - Bestraffing met de zwaarste straf - Gevolg Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 65, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: STRAF - ZWAARSTE STRAF UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Misdrijven - Soorten STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Samenloop - Algemeen Vrije woorden: Misdrijven - Eenheid van opzet - Straftoemeting - Bestraffing met de zwaarste straf - Gevolg Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 65, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.07.0461.N I E. M. L. G., beklaagde, eiseres. II F. E. V. V., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Hans Van Bavel, advocaat bij de balie te Brussel. III S. L. V. L., beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar de eiser woonplaats kiest, allen tegen
- A. MOENS, advocaat, kantoor houdende te 2610 Wilrijk, Prins Boudewijnlaan 177-179, in haar hoedanigheid van curator van het faillissement van de nv Media Hall, burgerlijke partij,
- KBC BANK nv, met zetel te 1080 Brussel, Havenlaan 2, vrijwillig tussengekomen partij,
- BROUWERIJEN ALKEN MAES nv, met zetel te 2550 Kontich, Waarloosveld 10, vrijwillig tussengekomen partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 7 maart
- De eiseres I voert geen middel aan. De eisers II en III voeren elk in een memorie die beide aan dit arrest zijn gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het bestreden arrest bevestigt op strafgebied de vrijspraak van de drie eisers voor bepaalde telastleggingen en verklaart op burgerlijk gebied de vordering van de eerste en de derde verweerster ontvankelijk maar ongegrond. In zoverre de cassatieberoepen tegen deze beslissingen zijn gericht, zijn ze bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiser II en eerste middel van de eiser III
- De middelen voeren schending aan van de artikelen 78 Wetboek van Strafvordering en 779 Gerechtelijk Wetboek. Ze stellen dat ingevolge de niet volledig goedgekeurde doorhalingen van het proces-verbaal van de openbare rechtszitting van 15 november 2006, waarop de zaak een laatste keer behandeld werd, het Hof niet kan nagaan of de regel in verband met de continuïteit van de zetel geëerbiedigd werd.
- Het bestreden arrest dat door alle leden van de zetel werd ondertekend, vermeldt : "Het hof [van beroep] heeft deze zaak behandeld op de openbare terechtzittingen van 3 mei, 24 mei, 7 juni, 20 september en 15 november 2006". Uit deze vermelding kan met zekerheid afgeleid worden dat de raadsheren die het bestreden arrest hebben gewezen, alle rechtszittingen over de zaak hebben bijgewoond. De middelen kunnen niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser II
- Het middel voert schending aan van de artikelen 42, 1°, en 505, derde lid, Strafwetboek en artikel 8 Probatiewet. Het stelt dat de weigering van uitstel van de tegen de eiser bevolen verbeurdverklaring op een onwettige overweging berust.
- Het bestreden arrest overweegt: "Waar [de eiser], zich beroepend op het aspect straf, verzoekt om de verbeurdverklaring met uitstel van tenuitvoerlegging uit te spreken is het niet aangewezen een dergelijk uitstel te verlenen gezien de onmiddellijke reële tegenindicatie, nl. de onvoorspelbare juridische gevolgen en moeilijkheden ingevolge de - te vermijden - rechtsonzekerheid voor (on)roerende zaken die door een dergelijke maatregel met uitstel van tenuitvoerlegging worden getroffen".
- De bedoelde verbeurdverklaring betreft meerdere bedragen in geld, meerdere partijen aandelen in twee aandelenportefeuilles en twee onroerende goederen. Bij de bepaling van de straf mag de rechter de gevolgen daarvan in aanmerking nemen. De omstandigheid dat de door de appelrechters bedoelde juridische tegenindicatie onveranderlijk van toepassing is op elke verbeurdverklaring met uitstel, belet evenwel niet er in de bepaalde zaak rekening mee te houden. Hierdoor voegden de appelrechters geen voorwaarde toe aan het toekennen van uitstel van tenuitvoerlegging die de wet niet inhoudt. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser III
- Het middel voert schending aan van de artikelen 2, eerste lid, 65, 193, 196, 197, 213, 214, 505 Strafwetboek en artikel 1 koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, zoals gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 2 juni
- Het stelt dat de opgelegde bijkomende straf van beroepsverbod voor de duur van drie jaar onwettig is omdat: - de appelrechters met toepassing van artikel 65, eerste lid, Strafwetboek straffen met de zwaarste straf, namelijk deze gesteld op de telastlegging E.I; - het bewezen verklaarde witwassen zich situeert vóór 1 september 1998, datum waarop de vermelde wetswijziging bij wet van 2 juni 1998 in werking was getreden; - overeenkomstig artikel 2, eerste lid, Strafwetboek geen misdrijf kan worden gestraft met straffen die bij de wet niet waren gesteld voor dat het misdrijf werd gepleegd.
- Het opleggen van de zwaarste straf met toepassing van artikel 65, eerste lid, Strafwetboek houdt niet in dat deze straf alleen de feiten betreft waarop deze zwaarste straf is gesteld. Integendeel, onder de bestraffing met de zwaarste straf zijn al de feiten begrepen waarvoor ze uitgesproken wordt. In zoverre het middel een andere rechtsopvatting is toegedaan, faalt het naar recht.
- Het geheel van de feiten waaraan de eiser schuldig wordt verklaard omvat naast het witwassen van de telastlegging E.I, eveneens de valsheden in geschrifte van de telastleggingen A, B.I en B.II, dit zijn de valsheden waarvan, naar de onaantastbare vaststelling van de appelrechters, het strafbare gebruik voortgeduurd heeft tot 22 oktober
- De eiser wordt dus tot het beroepsverbod van artikel 1 koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934, zoals gewijzigd bij artikel 3 wet van 2 juni 1998, veroordeeld voor feiten die gepleegd werden na 1 september 1998, datum van de inwerkingtreding van het gewijzigde artikel 1 van het vermelde koninklijk besluit. Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep. Begroot de kosten op in het geheel op 257,94 euro, waarvan de eisers I, II en III elk 85,98 euro verschuldigd zijn. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare terechtzitting van 25 september 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070925.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160608.1 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210323.2N.2 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230208.2F.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230208.2F.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div