← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070927.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070927.1 Rolnummer: C.06.0390.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-11-06 Raadplegingen: 221 - laatst gezien 2026-07-03 06:06 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Behoudens de uitsluitingen bepaald in artikel 1.2, is het Verdrag betreffende de status van staatlozen van toepassing op al degenen die geen nationaliteit bezitten. Thesaurus CAS: NATIONALITEIT UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - NATIONALITEIT - Nationaliteit - Internationaal recht Vrije woorden: Staatlozen - Verdrag - Toepasselijkheid Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 28-09-1954 - Art. 1.1 Fiche 2 De erkenning als staatloze kan niet worden geweigerd om reden dat de betrokkene niet het bewijs kan leveren dat hij niet in aanmerking komt voor een andere nationaliteit. Thesaurus CAS: NATIONALITEIT UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - NATIONALITEIT - Nationaliteit - Internationaal recht Vrije woorden: Staatloze - Erkenning - Weigering - Reden Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 28-09-1954 - Artt. 1.1 en 1.2 Annotaties Publicaties: TBBR/RGDC - Danis PHILIPPE; A propos de la substance de l'erreur - 2009, 216-223 Tekst van de beslissing Nr. C.06.0390.N C.V., eiser, aan wie rechtsbijstand werd verleend onder nummer G.06.0019.N, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 18 januari 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 1.

  1. van het Verdrag betreffende de Status van Staatlozen, ondertekend te New York op 28 september 1954, dat in België volkomen uitwerking heeft met toepassing van artikel 1 van de wet van 12 mei 1960 houdende goedkeuring van het Verdrag betreffende de Status van Staatlozen en van de Bijlagen, ondertekend op 28 september 1954, te New York; - voor zoveel als nodig artikel 1 van de wet van 12 mei 1960 houdende goedkeuring van het Verdrag betreffende de Status van Staatlozen en van de Bijlagen, ondertekend op 28 september 1954, te New York. Aangevochten beslissingen In de bestreden beslissing verklaart het hof van beroep, recht sprekend over de oorspronkelijk bij eenzijdig verzoekschrift ingestelde vordering van de eiseres, het hoger beroep van de eiser ontvankelijk doch ongegrond, op grond van de volgende motieven: "
  2. beoordeling
  3. In de bestreden beschikking heeft de eerste rechter, op grond van een oordeelkundige motivering, die door het (hof van beroep) wordt bijgetreden en overgenomen, terecht geoordeeld dat het verzoek dient afgewezen te worden.
  4. In art. 1 van het Verdrag van 28 september 1954 tot regeling van het statuut van staatlozen, wordt gesteld dat met de term staatloze persoon iemand wordt aangeduid die door geen enkele staat wordt beschouwd als zijn onderdaan. Nu een toestand van staatloosheid nooit vrijwillig mag gecreëerd worden, dient niet alleen nagegaan te worden of (de eiser) bij toepassing van de bestaande wetgeving geen staatsburgerschap bezit, maar ook of hij zulks niet kan bekomen.
  5. (De eiser) verklaarde in het bezit te zijn geweest van een oud USSR-paspoort, doch dat dit afgenomen werd op 5 september 2002 door de politie of veiligheidsdienst. (De eiser) stelt nooit in het bezit te zijn gesteld van een Georgisch paspoort of reispas, nu hij afkomstig is uit de streek van Abchazië en de Georgische overheid systematisch weigert aan inwoners van Abchazië de Georgische nationaliteit toe te kennen. Uit het attest van de Consulaatafdeling van de Ambassade van Georgië dd. 18 mei 2004 (waarvan een fotokopie wordt neergelegd) blijkt immers enkel dat het onmogelijk is voor de Consulaire sectie om de identiteit van (de eiser) te bevestigen, nu hij geen enkel Georgisch document (kan) voorleggen en het niet bevestigd is dat hij tot de Georgische nationaliteit (behoort). Hieruit valt enkel af te leiden dat de Georgische nationaliteit niet kan bevestigd worden, doch geenszins dat (de eiser) de Georgische nationaliteit niet kan bekomen. Enkele algemene beschouwingen hierover in op het internet gepubliceerde artikels vormen uiteraard geen bewijs van het feit dat de Georgische nationaliteit in casu niet kan bekomen worden.
  6. Bijgevolg kan het verzoek tot het bekomen van het statuut van staatloze niet ingewilligd worden en dient de bestreden beschikking te worden bevestigd". (blz. 2, halverwege, t.e.m. blz. 3, vijfde alinea, van het bestreden arrest). Grieven
  7. Het Verdrag betreffende de Status van Staatlozen, ondertekend te New York op 28 september 1954, hieronder afgekort als Staatlozenverdrag, strekt ertoe de elementaire rechten vast te leggen die moeten worden toegekend aan personen die geen nationaliteit bezitten. Met toepassing van artikel 1 van de wet van 12 mei 1960 houdende goedkeuring van het Verdrag betreffende de Status van Staatlozen en van de Bijlagen, ondertekend op 28 september 1954, te New York, heeft het Staatlozenverdrag volkomen uitwerking in België. Artikel 1.
  8. van het Staatlozenverdrag definieert het begrip staatloze als een persoon die door geen enkele staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd, en niet als een persoon die door geen enkele staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan kan of zou kunnen worden beschouwd.
  9. Het hof van beroep overweegt dat, aangezien een toestand van statenloosheid niet vrijwillig mag worden gecreëerd, niet alleen moet worden nagegaan of de eiser met toepassing van de bestaande wetgeving geen staatsburgerschap bezit, maar ook of hij dat niet kan bekomen. Voorts overweegt het hof van beroep dat de eiser verklaarde nooit in het bezit te zijn geweest van een Georgisch paspoort of een Georgische reispas, aangezien hij afkomstig is uit de streek van Abchazië en de Georgische overheid systematisch weigert aan inwoners van Abchazië de Georgische nationaliteit toe te kennen. Uit het door de eiser voorgelegde attest van de Consulaatafdeling van de Ambassade van Georgië valt volgens het hof van beroep enkel af te leiden dat de Georgische nationaliteit niet kan bevestigd worden, maar geenszins dat de eiser de Georgische nationaliteit niet kan bekomen. Het hof van beroep voegt daaraan toe dat geen bewijs voorligt van het feit dat de eiser de Georgische nationaliteit niet kan bekomen. Door op die gronden het hoger beroep van de eiser af te wijzen en aldus te oordelen dat de eiser niet de hoedanigheid van staatloze kan worden toegekend omdat hij niet bewijst dat zij de Georgische nationaliteit niet kan bekomen, schendt het hof van beroep artikel 1.
  10. van het Staatlozenverdrag en artikel 1 van de wet van 12 mei 1960 houdende goedkeuring van dat verdrag. Conclusie Het hof van beroep beslist niet wettig dat, opdat hen het statuut van staatloze zou kunnen worden toegekend, de eiser ook moet aantonen dat hij geen staatsburgerschap kan bekomen. Het hof van beroep verklaart het hoger beroep van de eiser bijgevolg niet wettig ongegrond (schending van artikel 1.
  11. van het Verdrag betreffende de Status van Staatlozen, ondertekend te New York op 28 september 1954, dat in België volkomen uitwerking heeft met toepassing van artikel 1 van de wet van 12 mei 1960 houdende goedkeuring van het Verdrag betreffende de Status van Staatlozen en van de Bijlagen, ondertekend op 28 september 1954, te New York, en artikel 1 van de wet van 12 mei 1960 houdende goedkeuring van het Verdrag betreffende de Status van Staatlozen en van de Bijlagen, ondertekend op 28 september 1954, te New York). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  12. Krachtens artikel 1.1 van het Verdrag betreffende de status van staatlozen, ondertekend op 28 september 1954 te New York, en goedgekeurd bij wet van 12 mei 1960, geldt voor de toepassing van dit Verdrag als staatloze, een persoon die door geen enkele Staat krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd. Behoudens de uitsluitingen bepaald in artikel 1.2, is het Verdrag betreffende de status van staatlozen van toepassing op al degenen die geen nationaliteit bezitten. De erkenning als staatloze kan niet worden geweigerd om reden dat de betrokkene niet het bewijs kan leveren dat hij niet in aanmerking komt voor een andere nationaliteit.
  13. De appelrechters oordelen dat, nu een toestand van staatloosheid niet vrijwillig mag gecreëerd worden, niet alleen nagegaan moet worden of de betrokkene bij toepassing van de bestaande wetgeving geen staatsburgerschap bezit, maar ook of hij zulks niet kan verwerven. Zij stellen vast dat de eiser, volgens zijn verklaringen, in het bezit is geweest van een oud USSR-paspoort, dat hem evenwel afgenomen werd op 5 september 2002, en dat niet bevestigd kan worden dat de eiser de Georgische nationaliteit heeft. Zij beslissen dat het verzoek van de eiser tot het verkrijgen van het statuut van staatloze niet kan worden ingewilligd, omdat niet is aangetoond dat de eiser de Georgische nationaliteit niet kan verwerven.
  14. Door aldus te oordelen, schenden de appelrechters artikel 1.1 van het Verdrag betreffende de status van staatlozen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 27 september 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070927.1 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080606.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.