dit hoger beroep nog steeds een voorwerp heeft, al is de betwiste observatieperiode verstreken vooraleer uitspraak is gedaan over dit rechtsmiddel
is dat verder verblijf reeds bevolen. Thesaurus CAS: GEESTESZIEKE UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEKWAAMHEID - Persoon geesteszieke Vrije woorden: Opneming ter observatie - Hoger beroep - Beslissing tot verder verblijf - Voorwerp - Belang Wettelijke bepalingen: Wet - 26-06-1990 - Artt. 9,eerste
vijfde lid, 11,eerste lid, 13,eerste lid Tekst van de beslissing Nr. C.06.0566.N K.P., aan wie rechtsbijstand werd verleend op 12 oktober 2006 (nummer G.06.0146.N), eiseres, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen PROCUREUR DES KONINGS BIJ DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE MECHELEN, met kantoor te 2800 Mechelen, Keizerstraat 20, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, in hoger beroep gewezen op 12 september 2006 door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen. Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift drie middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 17, 18
, voor zoveel als nodig, 1042 van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 8, §1, tweede lid, 13, 30, §2, eerste lid,
, eerste lid,
34, derde lid, van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke. Aangevochten beslissingen In de bestreden beslissing verklaart de rechtbank van eerste aanleg het hoger beroep van de eiseres zonder voorwerp, op grond van de volgende motieven: "Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 17 augustus 2006, heeft (de eiseres) hoger beroep aangetekend tegen het vonnis van de Vrederechter van het kanton Lier d.d. 3 augustus 2006, waarbij het verder verblijf van (de eiseres) bevolen werd in het Psychiatrisch Centrum Sint-Norbertus te Duffel voor een ter observatieneming voor een duurtijd van 40 dagen, die aanvangt vanaf 28 juli 2006 om te eindigen op 6 september 2006; Gelet op het bestreden vonnis van de Vrederechter van het kanton Lier d.d. 3 augustus 2006 (A. R. 06B493); Gehoord op heden in raadkamer de patiënte bijgestaan door haar raadsman; Gezien het proces-verbaal van verhoor van (de eiseres) opgemaakt in raadkamer op 5 september 2006; Gehoord in raadkamer ter terechtzitting van dinsdag 5 september 2006 het Openbaar Ministerie in zijn advies; De rechtbank stelt vast dat er reeds een nieuw vonnis is tussengekomen, zodat het hoger beroep thans zonder voorwerp is". (...) De rechtbank van eerste aanleg beslist tevens om de kosten ten laste van de eiseres te leggen. (...) Grieven 1.1. Krachtens artikel 9, eerste lid, van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke (hieronder afgekort als Geestesziekenwet) kan de procureur des Konings van de plaats waar de zieke zich bevindt, in spoedeisende gevallen beslissen dat deze ter observatie zal worden opgenomen in de psychiatrische dienst die hij aanwijst. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat de verweerder aldus op 28 juli 2006 besliste om de eiseres ter observatie op te nemen in het Psychiatrisch Centrum Sint-Norbertus. Krachtens artikel 9, vijfde lid, van de Geestesziekenwet geeft de procureur des Konings binnen vierentwintig uren na zijn beslissing daarvan kennis aan de vrederechter van de verblijfplaats, of bij gebreke daarvan, van de woonplaats of, bij gebreke daarvan nog aan de vrederechter van de plaats waar de zieke zich bevindt
dient bij hem het verzoekschrift in bedoeld in artikel 5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat de verweerder op 31 juli 2006 aan het vredegerecht van het kanton Lier kennis gaf van zijn beslissing tot opneming ter observatie van de eiseres
op diezelfde datum bij het vredegerecht van het kanton Lier het in artikel 5 bedoelde verzoekschrift indiende. Op grond van artikel 9, zevende lid, van de Geestesziekenwet is de procedure bepaald in de artikelen 6, 7
8 mede van toepassing wanneer de procureur des Konings bij dringendheid beslist tot opneming ter observatie. Krachtens artikel 8, §1, tweede lid, van de Geestesziekenwet doet de vrederechter, na op de zitting alle partijen te hebben gehoord, bij omstandig gemotiveerd vonnis uitspraak in openbare terechtzitting binnen tien dagen na de indiening van het verzoekschrift. Artikel 11, eerste lid, van de Geestesziekenwet bepaalt dat de observatie niet langer mag duren dan veertig dagen. Het vredegerecht van het kanton Lier beval aldus bij vonnis van 3 augustus 2006 de ter observatieneming van de eiseres in het Psychiatrisch Centrum Sint-Norbertus voor een termijn van veertig dagen met aanvang op 28 juli 2006
einde op 6 september 2006. (...) De zieke, zijn wettelijke vertegenwoordiger of zijn advocaat kunnen op grond van artikel 30, §2, eerste lid, van de Geestesziekenwet hoger beroep instellen tegen de vonnissen door de vrederechter gewezen met toepassing van die wet. Krachtens artikel 30, §3, eerste lid, van de Geestesziekenwet wordt het hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift gericht tot de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, die de datum van de zitting bepaald,
wordt de zaak toegewezen aan een kamer met drie rechters. De eiseres stelde bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 17 augustus 2006 tegen het door het vredegerecht van het kanton Lier op 3 augustus 2006 gewezen vonnis (waarbij de ter observatieneming werd bevolen voor een termijn van veertig dagen met aanvang op 28 juli 2006
einde op 6 september 2006) hoger beroep in bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen. De rechtbank van eerste aanleg stelt dat overigens zelf in het bestreden vonnis vast. (...) Krachtens artikel 13, eerste lid, van de Geestesziekenwet zendt de directeur van de instelling, indien de toestand van de zieke zijn verder verblijf in de instelling na het verstrijken van de observatieperiode vereist, ten minste vijftien dagen vóór het verstrijken van de termijn bepaald voor de opneming ter observatie, aan de vrederechter een omstandig verslag van de geneesheer-diensthoofd dat de noodzaak van verder verblijf bevestigt. De heer D.A., directeur van het Psychiatrisch Centrum Sint-Norbertus, legde aldus een verzoek tot verder verblijf neer ter griffie van het vredegerecht van het kanton Lier op 22 augustus 2006. (...) Krachtens artikel 13, tweede lid, van de Geestesziekenwet zijn bij toepassing van de procedure tot verder verblijf de artikelen 7
8 van die wet mede van toepassing. Krachtens artikel 8, §1, tweede lid, van de Geestesziekenwet doet de vrederechter, na op de zitting alle partijen te hebben gehoord, bij omstandig gemotiveerd vonnis uitspraak in openbare terechtzitting binnen tien dagen na de indiening van het verzoekschrift. Artikel 13, derde lid, van de Geestesziekenwet bepaalt dat de vrederechter uitspraak doet bij voorrang boven alle andere zaken. De vrederechter stelt op grond van artikel 13, vierde lid, van de Geestesziekenwet de duur van het verder verblijf vast, die twee jaar niet te boven mag gaan. Het vredegerecht van het kanton Lier verklaarde bij vonnis van 31 augustus 2006 het verzoek tot verder verblijf gegrond. Het vredegerecht beval het verder verblijf van de eiseres in het Psychiatrisch Centrum Sint-Norbertus voor een termijn van ten hoogste zes maanden met aanvang na het verstrijken van de termijn van opneming ter observatie, zijnde 6 september 2006. (...) 1.2.1. De rechtbank van eerste aanleg, recht sprekend over het door de eiseres tegen het door het vredegerecht van het kanton Lier op 3 augustus 2006 gewezen vonnis (waarbij de opneming ter observatie werd bevolen) ingestelde hoger beroep, stelt vast dat "er reeds een nieuw vonnis is tussengekomen, zodat het hoger beroep thans zonder voorwerp is". (...) De rechtbank van eerste aanleg bedoelt met het "nieuw vonnis" het door het vredegerecht van het kanton Lier op 31 augustus 2006 gewezen vonnis waarin het verzoek tot verder verblijf gegrond werd verklaard
het verder verblijf van de eiseres in het Psychiatrisch Centrum Sint-Norbertus voor een termijn van ten hoogste zes maanden met aanvang na het verstrijken van de termijn van opneming ter observatie (d.i. 6 september 2006), werd bevolen. De rechtbank van eerste aanleg is aldus van oordeel dat het hoger beroep door de eiseres (met toepassing van artikel 30, §2, eerste lid,
, eerste lid, van de Geestesziekenwet) ingesteld tegen het door het vredegerecht van het kanton Lier op 3 augustus 2006 gewezen vonnis waarbij haar opneming ter observatie werd bevolen, zonder voorwerp wordt aangezien het vredegerecht van het kanton Lier vooraleer zij zelf over het hoger beroep (door de eiseres ingesteld tegen het door het vredegerecht van het kanton Lier op 3 augustus 2006 gewezen vonnis waarbij haar opneming ter observatie werd bevolen) uitspraak doet, bij vonnis van 31 augustus 2006 (met toepassing van de artikelen 13
8, §1, tweede lid, van de Geestesziekenwet) het verzoek tot verder verblijf gegrond heeft verklaard
dienvolgens het verder verblijf van de eiseres heeft bevolen. De rechtbank van eerste aanleg is aldus van oordeel dat een door de vrederechter in de loop van de beroepsprocedure gewezen vonnis waarbij (op grond van de artikelen 13
8, §1, tweede lid, van de Geestesziekenwet) het verder verblijf van de zieke wordt bevolen, het door de zieke (op grond van artikel 30, §2, eerste lid,
, eerste lid, van de Geestesziekenwet) tegen het vonnis van de vrederechter waarbij zijn opneming ter observatie werd bevolen, ingestelde hoger beroep zonder voorwerp maakt. 1.2.2. Krachtens artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechtsvordering niet worden toegelaten indien de eiser geen belang heeft om ze in te dienen. Artikel 18, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het belang een reeds verkregen
dadelijk belang moet zijn. Het belang is ieder materieel of moreel - daadwerkelijk, maar niet theoretisch - voordeel dat de eiser kan halen uit de vordering die hij instelde. De algemene hierboven omschreven toelaatbaarheidsvereisten voor het instellen van een vordering, vastgelegd in de artikelen 17
18 van het Gerechtelijk Wetboek, gelden krachtens artikel 1042 van het Gerechtelijk Wetboek eveneens in hoger beroep. De partij die hoger beroep instelt, dient daarbij op grond van de artikelen 17, 18
1042 van het Gerechtelijk Wetboek een reeds verkregen
dadelijk belang te hebben. Het belang moet voorhanden blijven gedurende het volledige geding in hoger beroep. Indien het belang in de loop van het geding in hoger beroep wegvalt, is het hoger beroep zonder voorwerp geworden. 1.2.3. De eiseres behoudt haar belang bij het beslechten van de betwisting aangaande het rechtmatig
/of regelmatig karakter van haar opneming ter observatie (
behoudt aldus haar belang bij het door haar tegen het op 3 augustus 2006 door het vredegerecht van het kanton Lier gewezen vonnis waarbij haar opneming ter observatie werd bevolen, ingestelde hoger beroep), ook al werd door het vredegerecht van het kanton Lier bij vonnis van 31 augustus 2006 haar verder verblijf bevolen. Immers, indien het door de eiseres tegen het door het vredegerecht van het kanton Lier op 3 augustus 2006 gewezen vonnis waarbij haar opneming ter observatie werd bevolen ingestelde hoger beroep, door de appelrechter ontvankelijk
gegrond zou worden verklaard
dienvolgens door de appelrechter zou geoordeeld worden dat het vredegerecht van het kanton Lier onterecht (of onregelmatig) besliste tot een opneming ter observatie, zou ook de door het vredegerecht van het kanton Lier bij vonnis van 31 augustus 2006 bevolen maatregel van verder verblijf geen rechtsgrond meer bezitten. De gebeurlijke vernietiging van de (door het vredegerecht van het kanton Lier bij vonnis van 3 augustus 2006 bevolen) observatiemaatregel door de appelrechter, zou tot gevolg hebben dat ook de (door het vredegerecht van het kanton Lier bij vonnis van 31 augustus bevolen) maatregel van verder verblijf geen rechtsgrond meer bezit. De maatregel van verder verblijf kan immers slechts volgen op de (regelmatig
terecht bevolen) observatiemaatregel: zonder (regelmatige
terechte) opneming ter observatie kan geen sprake zijn van verder verblijf. Het lot van de maatregel van verder verblijf, is dus in zekere mate afhankelijk van het lot van de observatiemaatregel
niet omgekeerd. Het door het vredegerecht van het kanton Lier op 31 augustus 2006 gewezen vonnis waarbij op grond van de artikelen 13
8, § 1, tweede lid, van de Geestesziekenwet het verder verblijf van de eiseres werd bevolen, maakt het door de eiseres op grond van artikel 30, §2, eerste lid,
, eerste lid, van de Geestesziekenwet tegen het door het vredegerecht van het kanton Lier op 3 augustus 2006 gewezen vonnis waarbij haar opneming ter observatie werd bevolen, ingestelde hoger beroep aldus niet zonder voorwerp. Aangezien de eiseres haar belang behoudt bij (een ontvankelijk
gegrondverklaring van) het door haar tegen het door het vredegerecht van het kanton Lier op 3 augustus 2006 gewezen vonnis waarbij haar opneming ter observatie werd bevolen, ingestelde hoger beroep
het door haar ingestelde hoger beroep aldus nog een reden van bestaan (een voorwerp) heeft nadat het vredegerecht van het kanton Lier bij vonnis van 31 augustus 2006 besliste tot verder verblijf, verklaart de rechtbank van eerste aanleg het door de eiseres tegen het door het vredegerecht van het kanton Lier op 3 augustus 2006 gewezen vonnis waarbij haar opneming ter observatie werd bevolen, ingestelde hoger beroep niet wettig zonder voorwerp op grond van de overweging dat "er reeds een nieuw vonnis is tussengekomen" (waarbij door het vredegerecht van het kanton Lier het verder verblijf werd bevolen). Conclusie Door het hoger beroep van de eiseres zonder voorwerp te verklaren, schendt de rechtbank van eerste aanleg de artikelen 17, 18
1042 van het Gerechtelijk Wetboek, 8, §1, tweede lid, 13, 30, §2, eerste lid,
, eerste lid, van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke. De rechtbank van eerste aanleg beslist evenmin wettig om de kosten ten laste van de eiseres te leggen (schending van artikel 34, derde lid, van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 9, vijfde
achtste lid,
34, derde lid, van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke; - artikel 862, §1, 1°
, van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de rechter de plicht heeft, onder eerbiediging van het recht van verdediging, op de regelmatig aan zijn beoordeling voorgelegde feiten, zonder het voorwerp noch de oorzaak van de vordering te wijzigen, de rechtsregel toe te passen op grond waarvan hij op de vordering zal ingaan of ze zal afwijzen, zoals o.m. neergelegd in de artikelen 5
774 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen In de bestreden beslissing verklaart de rechtbank van eerste aanleg het door de eiseres tegen het door het vredegerecht van het kanton Lier op 3 augustus 2006 gewezen vonnis ingestelde hoger beroep zonder voorwerp. De rechtbank van eerste aanleg legt tevens de kosten ten laste van de eiseres. (...) Grieven 2.1. Krachtens artikel 9, eerste lid, van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke (hieronder afgekort als Geestesziekenwet) kan de procureur des Konings van de plaats waar de zieke zich bevindt, in spoedeisende gevallen beslissen dat deze ter observatie zal worden opgenomen in de psychiatrische dienst die hij aanwijst. Uit de stukken waarop uw Hof vermag acht te slaan blijkt dat de verweerder op 28 juli 2006 besliste om de eiseres ter observatie op te nemen in het Psychiatrisch Centrum Sint-Norbertus. Krachtens artikel 9, vijfde lid, van de Geestesziekenwet geeft de procureur des Konings binnen vierentwintig uren na zijn beslissing daarvan kennis aan de vrederechter van de verblijfplaats, of bij gebreke daarvan, van de woonplaats of, bij gebreke daarvan nog aan de vrederechter van de plaats waar de zieke zich bevindt
dient bij hem het verzoekschrift bedoeld in artikel 5 in. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat de verweerder op 31 juli 2006 aan het vredegerecht van het kanton Lier kennis gaf van zijn beslissing tot opneming ter observatie van de eiseres
op diezelfde datum het in het artikel 5 bedoelde verzoekschrift bij het vredegerecht van het kanton Lier indiende. Aangezien de verweerder op 28 juli 2006 besliste om de eiseres ter observatie op te nemen
pas op 31 juli 2006 aan het vredegerecht van het kanton Lier kennis gaf van die beslissing
het in artikel 5 bedoelde verzoekschrift bij dat vredegerecht indiende, diende de verweerder het in artikel 5 bedoelde verzoekschrift niet bij de vrederechter in binnen vierentwintig uren na zijn beslissing tot opneming ter observatie
leefde aldus de in artikel 9, vijfde lid, van de Geestesziekenwet bepaalde termijn van vierentwintig uren niet na. Krachtens artikel 9, achtste lid, van de Geestesziekenwet vervalt de door de procureur des Konings getroffen maatregel (tot opneming ter observatie) indien hij het in het vijfde lid bedoelde verzoekschrift niet binnen vierentwintig uren heeft ingediend. Indien de procureur des Konings het verzoekschrift niet bij de vrederechter neerlegt binnen vierentwintig uren na zijn beslissing tot opneming ter observatie, dient de zieke aldus onmiddellijk in vrijheid te worden gesteld
kan de vrederechter in het kader van de door de procureur des Konings op grond van artikel 9 van de Geestesziekenwet ingeleide spoedprocedure geen observatiemaatregel bevelen. De verplichting voor de procureur des Konings om binnen vierentwintig uren nadat hij bij hoogdringendheid tot een opneming ter observatie besliste, een verzoekschrift bij de vrederechter in te dienen, is op straffe van verval bepaald. 2.2.1. Krachtens artikel 862, §1, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek geldt de regel van artikel 861 (vereiste van belangenschade) niet voor een verzuim of een onregelmatigheid betreffende de termijnen op straffe van verval voorgeschreven. Het verval dient op grond van artikel 862, §2, van het Gerechtelijk Wetboek zelfs ambtshalve door de rechter te worden uitgesproken. Aangezien de in artikel 9, vijfde
achtste lid, van de Geestesziekenwet bepaalde termijn van vierentwintig uren waarover de procureur des Konings beschikt om een verzoekschrift bij de vrederechter neer te leggen, op straffe van verval is voorgeschreven, dient het verval zelfs ambtshalve door de rechter te worden uitgesproken zonder dat bij behoeft na te gaan of belangenschade wordt aangetoond. De rechter heeft bovendien de macht
de plicht om, onder eerbiediging van het recht van verdediging, op de regelmatig aan zijn beoordeling voorgelegde feiten de rechtsregel toe te passen op grond waarvan hij op de vordering zal ingaan of ze zal afwijzen, zonder het voorwerp of de oorzaak van de vordering te wijzigen. Dat algemeen rechtsbeginsel vindt zijn neerslag onder andere in artikel 5 van het Gerechtelijk Wetboek, krachtens hetwelk de rechter niet mag weigeren recht te spreken onder
ig voorwendsel,
artikel 774 van het Gerechtelijk Wetboek, krachtens hetwelk de rechter de heropening van de debatten moet bevelen alvorens de vordering geheel of gedeeltelijk af te wijzen op grond van een exceptie die de partijen voor hem niet hadden ingeroepen. De rechter is aldus gehouden het geschil te beslechten krachtens de daarop toepasselijke rechtsregel. Hij heeft de plicht, mits hij het recht van verdediging eerbiedigt, ambtshalve de rechtsmiddelen op te werpen waarvan de toepassing geboden is door de feiten, die door de partijen worden aangevoerd tot staving van hun eisen, zeker indien die rechtsmiddelen de openbare orde raken of van dwingend recht zijn. De rechter dient, desgevallend na een heropening van de debatten, ambtshalve toepassing te maken van artikel 9, vijfde
achtste lid, van de Geestesziekenwet, artikel dat van openbare orde, minstens van dwingend recht is. Het voorwerp van het aan de rechtbank van eerste aanleg voorgelegde geschil geeft onmiskenbaar aanleiding tot de toepassing van artikel 9, vijfde
achtste lid, van de Geestesziekenwet. 2.2.2. De rechtbank van eerste aanleg diende aldus zelf, desgevallend na een heropening van de debatten, ambtshalve toepassing te maken van artikel 9, vijfde
achtste lid, van de Geestesziekenwet
diende met toepassing van artikel 9, achtste lid, van de Geestesziekenwet, gelet op het feit dat de verweerder het in artikel 5 bedoelde verzoekschrift niet binnen de in artikel 9, vijfde lid, van de Geestesziekenwet bepaalde termijn van vierentwintig uren bij het vredegerecht van het kanton Lier neerlegde, ambtshalve het verval van de door de verweerder getroffen maatregel tot opneming ter observatie uit te spreken
voor recht te zeggen dat de door het vredegerecht van het kanton Lier bij vonnis van 3 augustus 2006 opgelegde observatiemaatregel elke rechtsgrond ontbeert. Conclusie De rechtbank van eerste aanleg schendt, door artikel 9, vijfde
achtste lid, van de Geestesziekenwet niet ambtshalve in te roepen
niet, desgevallend na een heropening van de debatten, ambtshalve het verval van de door de verweerder getroffen maatregel tot opneming ter observatie uit te spreken met toepassing van artikel 9, achtste lid, van de Geestesziekenwet
te zeggen voor recht dat de door het vredegerecht van het kanton Lier bij vonnis van 3 augustus 2006 opgelegde observatiemaatregel elke rechtsgrond ontbeert,
door
kel het door de eiseres tegen het door het vredegerecht van het kanton Lier op 3 augustus 2006 gewezen vonnis waarbij de opneming ter observatie werd bevolen, ingestelde hoger beroep zonder voorwerp te verklaren op grond van het motief dat "er reeds een nieuw vonnis is tussengekomen", de artikelen 9, vijfde
achtste lid, van de Geestesziekenwet, 862, §1, 1°
, van het Gerechtelijk Wetboek, evenals het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de rechter de plicht heeft, onder eerbiediging van het recht van verdediging, op de regelmatig aan zijn beoordeling voorgelegde feiten, zonder het voorwerp noch de oorzaak van de vordering te wijzigen, de rechtsregel toe te passen op grond waarvan hij op de vordering zal ingaan of ze zal afwijzen, zoals o.m. neergelegd in de artikelen 5
774 van het Gerechtelijk Wetboek. De rechtbank van eerste aanleg beslist evenmin wettig om de kosten ten laste van de eiseres te leggen (schending van artikel 34, derde lid, van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke). Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 34, derde lid, van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke. Aangevochten beslissingen In de bestreden beslissing legt de rechtbank van eerste aanleg de kosten ten laste van de eiseres
dat op grond van het volgende motief: "Legt de kosten ten laste van (de eiseres), niet begroot bij gebreke van opgave ervan". (...) Grieven Krachtens artikel 34, derde lid, van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke (hieronder afgekort als Geestesziekenwet) kan de rechtbank van eerste aanleg alleen dan in de gerechtskosten veroordelen wanneer de vordering niet uitgaat van de zieke. De eiseres stelde bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 17 augustus 2006 tegen het door het vredegerecht van het kanton Lier op 3 augustus 2006 gewezen vonnis (waarbij de ter observatieneming werd bevolen voor een termijn van veertig dagen met aanvang op 28 juli 2006
einde op 6 september 2006) hoger beroep in bij de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen. De rechtbank van eerste aanleg stelt dat overigens zelf in het bestreden vonnis vast (blz. 1/2, midden, van het bestreden vonnis). De vordering ging aldus uit van de zieke, zijnde de eiseres. Aangezien de eiseres, zijnde de "zieke" in de zin van artikel 34, derde lid, van de Geestesziekenwet, hoger beroep instelde
de vordering aldus van haar uitging, kan de rechtbank van eerste aanleg haar niet in de gerechtskosten veroordelen. Conclusie De rechtbank van eerste aanleg beslist niet wettig om de kosten ten laste van de eiseres te leggen (schending van artikel 34, derde lid, van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Overeenkomstig artikel 9, eerste
vijfde lid, van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke (hierna: Geestesziekenwet) kan de Procureur des Konings van de plaats waar de zieke zich bevindt, in spoedeisende gevallen beslissen dat deze ter observatie zal worden opgenomen in de psychiatrische dienst die hij aanwijst,
geeft hij daarvan kennis aan de vrederechter van de verblijfplaats, of bij gebreke daarvan, van de woonplaats of, bij gebreke daarvan nog aan de vrederechter van de plaats waar de zieke zich bevindt
dient bij hem het verzoekschrift in, bedoeld in artikel
aan eigen voorwaarden zijn onderworpen. De beslissing tot verder verblijf is geen loutere herhaling van de initiële observatiebeslissing maar heeft een andere draagwijdte
kan alleen geldig genomen worden indien er voorafgaandelijk een rechtmatige beslissing is genomen over de observatie van de geesteszieke. 3. Indien de betwiste initiële observatieperiode verstreken is vooraleer uitspraak is gedaan over het hoger beroep tegen die observatie
een verder verblijf reeds bevolen is, heeft het hoger beroep tegen de initiële opneming ter observatie nog steeds een voorwerp. De vernietiging van de bestreden observatiemaatregel heeft immers tot gevolg dat een daaropvolgende maatregel door de vrederechter bevolen met betrekking tot een verder verblijf onregelmatig wordt. De in observatie genomen geesteszieke heeft een blijvend belang om in die omstandigheden zijn hoger beroep te handhaven. 4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat: - de verweerder op 31 juli 2006 een verzoekschrift heeft neergelegd bij de Vrederechter van het kanton Lier met mededeling van de spoedeisende opneming van de eiseres
verzoek tot handhaving van de opneming ter observatie; - bij vonnis van 3 augustus 2006 deze ter observatieneming bevolen werd door voormelde vrederechter voor een periode aanvangend op 28 juli 2006 tot 6 september 2006; - de eiseres met verzoekschrift neergelegd op 17 augustus 2006 hoger beroep heeft ingesteld tegen voormelde beslissing tot inobservatieneming, waarop dagstelling werd verleend voor de zitting van 5 september 2006
het bestreden vonnis werd verleend; - door de directeur van de instelling inmiddels een attest werd overgemaakt aan de vrederechter met vermelding dat een verdere behandeling in gesloten dienst noodzakelijk is; - hierop bij vonnis van 31 augustus 2006 door de vrederechter het verder verblijf werd bevolen voor een duurtijd van ten hoogste zes maanden met ingang op 6 september 2006; 5. De appelrechters die oordelen dat "er reeds een nieuw vonnis is tussengekomen, zodat het hoger beroep thans zonder voorwerp is"
er aldus van uitgaan dat ingevolge de beslissing tot verdere behandeling in eerste aanleg het belang bij de behandeling van het rechtsmiddel tegen de eerste beslissing ter inobservatieneming achterhaald is, schenden de in het middel aangewezen wetsbepalingen. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigd vonnis. Houdt de kosten aan
laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout, zitting houdende in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete als voorzitter,
de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck
Alain Smetryns,
op de openbare terechtzitting van 27 september 2007 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070927.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.