← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071001.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071001.1 Rolnummer: C.06.0682.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2007-12-03 Raadplegingen: 623 - laatst gezien 2026-07-03 20:59 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De rechter in kort geding is, binnen de door de wet gestelde grenzen, bevoegd om een door het bestuur bij de uitoefening van haar discretionaire en niet-gebonden bevoegdheid begane onrechtmatig geachte aantasting van een subjectief recht zowel te voorkomen als te vergoeden, maar vermag daarbij aan het bestuur zijn beleidsvrijheid niet te ontnemen en zich niet in de plaats te stellen van het bestuur

(1).
(1)Zie Cass., 24 nov. 2006, AR C.05.0436.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061124.2., nr... Thesaurus CAS: MACHTEN - RECHTERLIJKE MACHT UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - KORT GEDING - Algemeen (kort geding) Vrije woorden: Bevoegdheid - Rechter in kort geding - Bestuurshandeling - Subjectief recht - Aantasting Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 584, eerste lid Vrije woorden: Bevoegdheid - Beperkende maatregelen - Administratieve overheid - Toepassing Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 584, eerste lid Fiches 3 - 5 De rechter mengt zich niet in de uitoefening van de bij wet aan de administratieve overheid voorbehouden machten, wanneer hij, om de benadeelde partij in haar rechten te herstellen, aan de overheid een maatregel oplegt om een einde te maken aan de schadelijke aantasting van de rechten van de benadeelde partij. Thesaurus CAS: MACHTEN - SCHEIDING DER MACHTEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - KORT GEDING - Algemeen (kort geding) Vrije woorden: Inmenging in de bevoegdheid van de administratieve overheid - Opleggen van een schadebeperkende maatregel Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 584, eerste lid Algemeen rechtsbeginsel Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BURGERLIJKE ZAKEN - Bevoegdheid - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - KORT GEDING - Algemeen (kort geding) Vrije woorden: Opleggen van een maatregel aan een administratieve overheid Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 584, eerste lid Algemeen rechtsbeginsel Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - KORT GEDING - Algemeen (kort geding) Vrije woorden: Beginsel van de scheiding der machten - Rechterlijke macht - Bevoegdheid tot het opleggen van een maatregel aan een administratieve overheid Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 584, eerste lid Algemeen rechtsbeginsel Tekst van de beslissing Nr. C.06.0682.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, met kantoor te 1040 Brussel, Kunstlaan 7, eiser, vertegenwoordigd door mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 523, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen JANSSEN-CILAG, naamloze vennootschap, met zetel te 2600 Berchem, Roderveldlaan 1, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 7 maart 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 6 september 2007 verwezen naar de derde kamer. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  1. De appelrechters stellen vast dat: - de verweerster de zaak bij de rechter in kort geding aanhangig maakte, en daarbij aanvoerde dat tijdens een procedure tot wijziging van de voorwaarden tot terugbetaling van haar geneesmiddel Reminyl, haar subjectieve rechten werden geschonden, waarbij de verweerster onder meer gewag maakte van haar recht op naleving van de regelgeving inzake de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, en dat, volgens de verweerster, het gevolg hiervan is dat ze haar marktaandeel zal verliezen en dat patiënten verstoken blijven van haar geneesmiddel; - de verweerster stelt dat ze in haar belangen wordt geschaad door de maatregel die door de eiser werd beslist en die inhoudt dat de terugbetalingsmodaliteit van het geneesmiddel Reminyl in niets wordt gewijzigd; - haar vordering ertoe strekt om die schade te doen ophouden, door de eiser op te leggen de gevraagde wijziging door te voeren. Aldus hebben de appelrechters aangegeven waarin volgens hen het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de vordering van de verweerster bestaat.
  2. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de appelrechters het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de vordering niet onderzoeken, berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  3. De administratieve overheid die op grond van haar discretionaire bevoegdheid een beslissing neemt, beschikt over een beoordelingsvrijheid die haar de mogelijkheid biedt zelf te oordelen over de wijze waarop zij haar bevoegdheid uitoefent en de haar meest geschikt lijkende oplossing te kiezen binnen de door de wet gestelde grenzen.
  4. De Rechterlijke Macht is bevoegd om een door het bestuur bij de uitoefening van die discretionaire bevoegdheid begane onrechtmatig geachte aantasting van een subjectief recht zowel te voorkomen als te vergoeden. Die bevoegdheid komt binnen de door de wet gestelde grenzen ook toe aan de rechter in kort geding.
  5. Het onderdeel, dat ervan uitgaat dat alleen beslissingen waarbij de bevoegdheid van de overheid volledig gebonden is, aanleiding kunnen zijn tot een maatregel in kort geding, faalt naar recht. Tweede middel
  6. De Rechterlijke Macht is bevoegd om een door het bestuur bij de uitoefening van zijn discretionaire bevoegdheid begane onrechtmatige aantasting van een subjectief recht zowel te voorkomen als te vergoeden, maar vermag daarbij aan het bestuur zijn beleidsvrijheid niet te ontnemen en vermag zich niet in de plaats te stellen van het bestuur. De rechter mengt zich niet in de uitoefening van de bij de wet aan de overheid voorbehouden machten, wanneer hij, om de benadeelde partij in haar rechten te herstellen, aan de overheid een maatregel oplegt om een einde te maken aan de schadelijke aantasting van de rechten van de benadeelde partij.
  7. De appelrechters oordelen, zonder op dat punt te worden bekritiseerd, dat de toepasselijke regelgeving werd geschonden doordat de beslissing van 20 december 2004, waarin de minister afwijkt van het definitieve voorstel van de bevoegde commissie van het RIZIV, geen motivering vermeldt die inhoudelijk sociale of begrotingselementen bevat zoals bedoeld in artikel 45 van het koninklijk besluit van 21 december 2001, inzonderheid een criterium als bedoeld in artikel 4 van dat besluit, terwijl die criteria de grenzen vormen binnen dewelke een sociaal of budgettair element moet worden gevonden, wil de minister afwijken van het voorstel van de bevoegde commissie, en dat het dossier niet doet blijken en de eiser ook niet aanvoert dat er elementen van sociale of budgettaire aard waren die binnen de grenzen van artikel 4 konden worden aangevoerd om van het voorstel van de bevoegde commissie af te wijken. Aldus hebben de appelrechters geoordeeld dat de minister bij de uitoefening van zijn bevoegdheid op onwettige wijze gehandeld heeft. Zij oordelen vervolgens, zonder op dat punt te worden bekritiseerd, dat de grief van de verweerster dat haar subjectief recht op correcte toepassing van de relevante regelgeving werd geschonden, gegrond voorkomt en dat de verweerster een wettig belang doet gelden om zonder verder uitstel de door de bevoegde commissie voorgestelde wijziging te doen toepassen.
  8. Door te beslissen dat, bij wijze van voorlopige maatregel, aan de eiser dient te worden opgelegd het nodige te ondernemen opdat de door de bevoegde commissie voorgestelde wijziging zou kunnen worden toegepast, schenden de appelrechters noch artikel 584, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, noch het beginsel van de scheiding der machten. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van 560,91 euro jegens de eisende partij en op de som van 296,53 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van een oktober tweeduizend en zeven uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071001.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110530.2 ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140110.3 precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061124.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.