← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071001.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071001.2 Rolnummer: C.06.0389.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-12-03 Raadplegingen: 623 - laatst gezien 2026-07-03 06:28 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het bestaan van een contractuele, wettelijke of reglementaire verplichting sluit niet uit dat schade in de zin van artikel 1382 of 1383 van het Burgerlijk Wetboek ontstaat, tenzij wanneer blijkens de inhoud of de strekking van de overeenkomst, de wet of het reglement, de te verrichten uitgave of prestatie definitief voor rekening moet blijven van diegene die zich ertoe heeft verbonden of die ze ingevolge de wet of het reglement moest verrichten

(1).
(1)Cass., 9 jan. 2006, AR C.05.0007.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060109.5, nr. 22. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Algemeen UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Overheidsaansprakelijkheid Vrije woorden: Schadeverhinderend karakter van een contractuele, wettelijke of reglementaire verplichting - Criterium Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1382 en 1383 Fiche 2 Noch uit de inhoud, noch uit de strekking van artikel 5 van de wet van 9 maart 1953 volgt dat de kosten van de medische zorgen voor de militaire invaliden definitief voor rekening moeten blijven van de Staat wanneer een derde aansprakelijkheid is voor het schadelijke feit dat de medische zorgen noodzakelijk heeft gemaakt
(2).
(2)Artikel 5 van de wet van 9 maart 1953 houdende sommige aanpassingen inzake militaire pensioenen en verlening van kosteloze genees- en artsenijkundige verzorging voor de militairen in vredestijd, zoals van kracht voor zijn opheffing bij artikel 48 van de wet van 18 mei
  1. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Staat. Overheid UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Overheidsaansprakelijkheid Vrije woorden: Vergoeding van medische kosten voor militaire invaliden Wettelijke bepalingen: Wet - 09-03-1953 - Art. 5 Tekst van de beslissing Nr. C.06.0389.N
  2. H.Y.,
  3. FORTIS INSURANCE BELGIUM, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Emile Jacqmainlaan 53, eisers, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdedi-ging, met kabinet te 1000 Brussel, Lambermontstraat 8, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 18 oktober 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel, ingevolge een verwijzing van het arrest van het Hof van 12 mei
  4. De zaak is bij beschikking van de voorzitter van 2 juli 2007 verwezen naar de derde kamer. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 5 van de wet van 9 maart 1953 houdende sommige aanpassingen in zake militaire pensioenen en verlening van kosteloze genees- en artsenijkundige verzorging voor de militaire invaliden van vredestijd, voor diens opheffing bij artikel 48 van de wet van 18 mei 1998 tot wijziging van de wetgeving betreffende de oorlogspensioenen en -renten. Aangevochten beslissing Het Hof van Beroep te Brussel verklaart in het bestreden arrest van 18 oktober 2005, recht sprekend na cassatie en binnen de perken van de vernietiging, het hoger beroep, aangetekend door de verweerder tegen het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent van 9 oktober 1995, ook voor het overige gegrond en hervormt het bestreden vonnis, behalve in zoverre het de oorspronkelijke vordering ontvankelijk heeft verklaard en de gerechtskosten in eerste aanleg heeft begroot en, voor het overige opnieuw recht sprekend, verklaart de oorspronkelijke vordering ook voor het overige gegrond. Het Hof van Beroep te Brussel veroordeelt de eisers aldus in solidum om aan de verweerder een bijkomend bedrag te betalen van 239.031,75 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest tegen de wettelijke rentevoet vanaf 1 augustus 1990 en de gerechtelijke interest. Het hof van beroep stoelt deze beslissing op volgende motieven: "Tussen partijen bestaat geen betwisting meer dat (de verweerder) de medische kosten van de heer M.M., veroorzaakt door het verkeersongeval van 3 augustus 1989, heeft betaald op grond van de wet van 9 maart 1953 houdende sommige aanpassingen inzake militaire pensioenen en verlening van kosteloze genees- en artsenijkundige verzorging voor de militaire invaliden van vredestijd. Artikel 1 van de voornoemde wet bepaalt: ‘De militaire invaliden wier invaliditeit te wijten is aan een schadelijk feit, dat zich in vredestijd gedurende en ingevolge de dienst heeft voorgedaan, alsmede hun rechtverkrijgenden, kunnen aanspraak maken op een vergoedingspensioen, waarvan het bedrag en verleningsvoorwaarden hierna bepaald worden'. Artikel 5 van de voornoemde wet bepaalt: ‘De militaire invaliden wier invaliditeit te wijten is aan een schadelijk feit dat zich in vredestijd heeft voorgedaan, verkrijgen hun leven lang, op Staatskosten, de genees- en artsenijkundige prothese- en andere toestellen welke door de ziekten en kwetsuren waarop de pensioenaanspraak berust, noodzakelijk gemaakt worden. Bestaat er een vermoeden dat het pensioen zal toegekend worden, dan wordt kosteloze verzorging eveneens verleend aan de personen voor wie een pensioenaanvraag aanhangig is. Over deze voorwaarde oordeelt de bevoegde Minister. Het voordeel valt weg zodra de pensioenaanvraag of -voorstel verworpen wordt'. Het wordt niet betwist dat te dezen aan het slachtoffer M. een invaliditeits-pensioen werd toegekend.
  5. Het bestaan van een contractuele, wettelijke of reglementaire verplichting sluit niet uit dat schade, in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek ontstaat, tenzij wanneer, blijkens de inhoud of de strekking van de overeenkomst, de wet of het reglement, de te verrichten uitgave of prestatie definitief voor rekening moet blijven van diegene die zich ertoe heeft verbonden of die ze ingevolge de wet of het reglement moet verrichten (cf. Cass., 19 februari 2001, C.99.00.14.N). De uitgaven gedaan overeenkomstig een wettelijke, reglementaire of contractuele verplichting komen in de regel voor vergoeding in aanmerking, tenzij wanneer blijkens de inhoud of de strekking van de wet, het reglement of contract, deze uitgaven definitief voor rekening moeten blijven van diegene die ze heeft moeten verrichten. De aanspraakmakende partij heeft derhalve in beginsel recht op vergoeding, zodra vaststaat dat zij haar verplichtingen heeft moeten vervullen wegens de fout van een derde. De uitgaven of prestaties verricht op grond van een juridische plicht worden immers vermoed vergoedbare schade te zijn. Hierdoor verschuift het risico naar de aangesprokene, die slechts aan zijn schadevergoedingsplicht zal ontkomen wanneer hij kan aantonen dat, overeenkomstig de inhoud of de strekking van de wet, het reglement of contract, de gedane uitgaven finaal ten laste van de aanspraakmakende partij moeten blijven (cf. Boone I., De arbeidsongeschikte ambtenaar en het regres van de werkgever op de aansprakelijke, R.W., 2001-2002, 231).
  6. Te dezen wordt niet betwist dat, zonder het verkeersongeval van 3 augustus 1989, waarvoor eerste (eiser) aansprakelijk werd gesteld, (de verweerder) geen medische kosten aan het slachtoffer M. had moeten betalen. Het oorzakelijk verband tussen de bewezen fout van eerste (eiser) en de door (de verweerder) betaalde medische kosten staat dan ook vast. Verder tonen (de eisers) niet aan dat, blijkens de inhoud of de strekking van artikel 5 van de wet van 9 maart 1953, de betaalde uitgaven definitief voor rekening moeten blijven van de Belgische Staat, die ze op grond van voornoemde wet moet verrichten. (De verweerder) neemt op grond van artikel 5 van de wet van 9 maart 1953, mits de in dit wetsartikel bepaalde voorwaarden vervuld zijn, de werkelijk gedragen kosten van medische verzorging ten laste. Het gaat derhalve geenszins om forfaitaire sommen. De inhoud of de strekking van de wet van 9 maart 1953 bepaalt nergens dat, wanneer deze medische uitgaven werden veroorzaakt door de fout van een derde, zij definitief voor rekening van de Belgische Staat moeten blijven. De voormelde wet regelt slechts de rechtsverhouding tussen de militaire invaliden en de Belgische Staat maar niet de rechtsverhouding tussen de Belgische Staat en de aansprakelijke derde. Deze wet bepaalt nergens expliciet of impliciet dat de Belgische Staat afstand doet van een eventuele vordering op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek tegen de aansprakelijke derde. Het loutere feit dat op het ogenblik van het schadegeval nog geen wettelijke subrogatie was voorzien noopt niet tot het besluit dat het de zekere bedoeling was van de toenmalige wetgever om de economische last van deze medische kosten in alle gevallen definitief te doen dragen door de Belgische Staat en niet door de aansprakelijke derde, die op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek gehouden is om alle schadelijke gevolgen van de door hem begane onrechtmatige daad te vergoeden. De omstandigheid dat het slachtoffer M. verplicht zou zijn geweest zich in het militair ziekenhuis te laten behandelen en verzorgen is evenmin relevant. Deze vereiste, die de wet van 9 maart 1953 zelf niet oplegt, wijst er op zich evenmin op dat het de bedoeling van de wetgever was om de medische kosten in de rechtsverhouding met de aansprakelijke derde definitief ten laste van de Belgische Staat te leggen. Verder wordt door (de eisers) noch aangevoerd noch bewezen dat, wanneer het slachtoffer in een ander ziekenhuis was behandeld, de medische kosten lager zouden geweest zijn. De kwestieuze door (de verweerder) betaalde medische kosten maken dan ook een vergoedbare schade in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek uit". Grieven
  7. Overeenkomstig de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek verplicht elke daad, nalatigheid of onvoorzichtigheid van de mens, waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt, degene door wiens schuld de schade is ontstaan, deze te vergoeden. De overheid die, ingevolge de fout van een derde, krachtens een op haar rustende wettelijke verplichting medische kosten dient te vergoeden, is gerechtigd op schadevergoeding voor zover zij hierdoor schade lijdt. Het bestaan van een wettelijke verplichting sluit immers niet uit dat schade in de zin van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek ontstaat tenzij wanneer blijkens de inhoud of de strekking van de wet, de te verrichten uitgave of prestatie definitief voor rekening moet blijven van diegene die ze ingevolge de wet moet verrichten. Het hof van beroep beslist in het aangevochten arrest ten onrechte dat uit de inhoud en de strekking van de wet van 9 maart 1953 en meer in het bijzonder van artikel 5 van voornoemde wet, op grond waarvan de verweerder de medische kosten van beroepsmilitair M.M. heeft vergoed, niet blijkt dat deze uitgaven definitief voor rekening moeten blijven van de verweerder.
  8. De militaire invaliden wier invaliditeit te wijten is aan een schadelijk feit, dat zich in vredestijd gedurende en ingevolge de dienst heeft voorgedaan, alsmede hun rechtverkrijgenden, kunnen overeenkomstig artikel 1 van de wet van 9 maart 1953 houdende sommige aanpassingen in zake militaire pensioenen en verlening van kosteloze genees- en artsenijkundige verzorging voor de militaire invaliden van vredestijd, zoals van kracht vóór zijn opheffing bij artikel 48 van de wet van 18 mei 1998, aanspraak maken op een vergoedingspensioen, waarvan bedrag en verleningsvoorwaarden bepaald worden in de artikelen 2, 3 en 4 van deze wet. Artikel 5 van de wet van 9 maart 1953, zoals van kracht vóór zijn opheffing bij wet van 18 mei 1998, bepaalt dat de militaire invaliden wier invaliditeit te wijten is aan een schadelijk feit dat zich in vredestijd heeft voorgedaan, hun leven lang, op staatskosten, de genees- en artsenijkundige zorgen verkrijgen evenals de verpleging in een ziekenhuis en de prothese- en andere toestellen welke door de ziekten of kwetsuren waarop de pensioenaanspraak berust, noodzakelijk gemaakt worden. Bestaat er een vermoeden dat het pensioen zal toegekend worden, dan wordt kosteloze verzorging eveneens verleend aan de personen voor wie een pensioenaanvraag aanhangig is. Over deze voorwaarde oordeelt de bevoegde Minister. Het voordeel valt weg zodra de pensioenaanvraag of -voorstel verworpen wordt.
  9. De wet van 9 maart 1953 had tot doel bepaalde onontbeerlijke aanpassingen uit te werken inzake invaliditeitspensioenen verleend aan militaire invaliden van vredestijd en die invaliden sommige bijzondere voordelen te laten genieten, met name het verhogen van deze invaliditeitspensioenen en het verlenen aan de invaliden van genees- en artsenijkundige verzorging ten laste van de Staat. Met betrekking tot de invaliditeitspensioenen oordeelde de wetgever dat de destijds bestaande ongelijkheid tussen de militaire invaliden van vredestijd en de militaire of burgerlijke oorlogsinvaliden (de militaire pensioenen verleend aan de militaire invaliden van vredestijd waren veel lager dan die van de oorlogsinvaliden) geenszins gerechtvaardigd was en dat het niet alleen billijk, doch hoognodig was ze te milderen en de betrokkenen te vergoeden wegens een invaliditeit die zij in dienst van het land hebben opgedaan en zodoende, in feite, een ware schuld van het vaderland jegens hen in te lossen. Om het even welke invaliditeit, of ze voortspruit uit een in oorlogstijd of uit een in vredestijd gebeurd feit, dient volgens de wetgever te worden beschouwd als een gevolg van de uitoefening van de vaderlandse plicht en dient als dusdanig vergoed te worden. De wetgever oordeelde eveneens dat het billijk zou zijn aan de militaire invaliden van vredestijd aan wie een invaliditeitspensioen wordt toegekend de genees- en artsenijkundige verzorging ten behoeve van de Staat te verlenen. Het (verhoogde) invaliditeitspensioen en de genees- en artsenijkundige verzorging werden aldus aan de militaire invaliden van vredestijd verleend op Staatskosten omdat de Staat, omwille van de prestaties van de militairen ten dienste van het vaderland, een ware schuld jegens hen heeft. Uit de inhoud en de strekking van de wet blijkt het dus duidelijk dat de uitgaven voor genees- en artsenijkundige verzorging, ook wanneer zij het gevolg zijn van een ongeval waarvoor een derde aansprakelijk is, definitief voor rekening van de Belgische Staat moeten blijven. Deze stelling wordt overigens bevestigd door het feit dat in de wet van 9 maart 1953 geen subrogatie wordt voorzien, met andere woorden niet wordt voorzien dat bij ongevallen waarbij aansprakelijke derden betrokken zijn, de Staat rechtens in de plaats treedt van de militairen ten belope van de uitgegeven bedragen voor genees- en artsenijkundige kosten.
  10. Nu de door de verweerder op grond van artikel 5 van de wet van 9 maart 1953 gedragen medische kosten definitief te zijnen laste blijven, maken deze medische kosten, in tegenstelling tot wat het Hof van beroep te Brussel in het aangevochten arrest beslist, geen vergoedbare schade in de zin van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek uit. Het bestreden arrest, waarbij de eisers veroordeeld worden tot terugbetaling van de door de verweerder op grond van artikel 5 van de wet van 9 maart 1953 gedragen medische kosten, schendt derhalve de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek evenals artikel 5 van de wet van 9 maart 1953 houdende sommige aanpassingen in zake militaire pensioenen en verlening van kosteloze genees- en artsenijkundige verzorging voor de militaire invaliden van vredestijd, zoals van kracht voor diens opheffing bij artikel 48 van de wet van 18 mei 1998 tot wijziging van de wetgeving betreffende de oorlogspensioenen en -renten. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  11. Krachtens de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, is degene die door zijn schuld aan een ander schade berokkent, verplicht deze schade integraal te vergoeden, wat impliceert dat de benadeelde teruggeplaatst wordt in de toestand waarin hij zich zou hebben bevonden indien de daad waarover hij zich beklaagt, niet was gesteld.
  12. Het bestaan van een contractuele, wettelijke of reglementaire verplichting sluit niet uit dat schade in de zin van artikel 1382 of 1383 van het Burgerlijk Wetboek ontstaat, tenzij wanneer blijkens de inhoud of de strekking van de overeenkomst, de wet of het reglement, de te verrichten uitgave of prestatie definitief voor rekening moet blijven van diegene die zich ertoe heeft verbonden of die ze ingevolge de wet of het reglement moet verrichten.
  13. Overeenkomstig artikel 5 van de wet van 9 maart 1953 houdende sommige aanpassingen inzake militaire pensioenen en verlening van kosteloze genees- en artsenijkundige verzorging voor de militairen van vredestijd, zoals van kracht voor zijn opheffing bij artikel 48 van de wet van 18 mei 1998, verkrijgen de militaire invaliden wier invaliditeit te wijten is aan een schadelijk feit dat zich heeft voorgedaan, hun leven lang, op staatskosten, de genees- en artsenijkundige zorgen, de verpleging in een ziekenhuis en de prothese- en andere toestellen, welke door de ziekten of kwetsuren waarop de pensioenaanspraak berust, noodzakelijk gemaakt worden.
  14. De voormelde bepaling legt aan de Staat, in de rechtsverhouding met de militaire invaliden, de verplichting op de kosten ten laste te nemen van hun medische zorgen. Deze verplichting strekt tot voordeel van de bedoelde militairen. Noch uit de inhoud noch uit de strekking van deze bepaling, volgt dat de kosten van de medische zorgen voor de militaire invaliden definitief voor rekening moeten blijven van de Staat wanneer een derde aansprakelijk is voor het schadelijke feit dat de medische zorgen noodzakelijk heeft gemaakt. Het middel, dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers in de kosten. De kosten begroot op de som van 508,68 euro jegens de eisende partijen en op de som van 171,18 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van een oktober tweeduizend en zeven uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071001.2 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010219.6 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090220.18 ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090526.3 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20101105.3 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110530.4 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20121023.5 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130124.4 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240612.2F.7 precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060109.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090911.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.