← België

ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071002.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071002.2 Rolnummer: P.07.0685.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2007-10-23 Raadplegingen: 642 - laatst gezien 2026-07-03 19:15 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Informatie over nog te plegen of reeds gepleegde maar nog niet aan het licht gebrachte strafbare feiten, die dusdanig concreet is dat die feiten een in tijd en ruimte bepaalbaar misdrijf gaan vormen, houdt geen verband met de in artikel 28bis, § 2, Wetboek van Strafvordering, bedoelde gegevensverwerking, maar verplicht tot het opstellen van een proces-verbaal overeenkomstig artikel 40 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, het vatten van de daders en het verzamelen van bewijzen; ongeacht de omstandigheid dat daarbij ook gegevens moeten worden ingezameld als bijkomend bewijsmateriaal of tot identificatie van de daders, vormen die opsporingen geen proactieve recherche, die een voorafgaande geschreven toestemming zouden behoeven

(1).
(1)Cass., 4 juni 2002, AR P.02.0387.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020604.5, nr 340, met concl. O.M. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Algemeen (opsporing - onderzoek) Vrije woorden: Opsporingsonderzoek - Proactieve recherche - Niet-proactieve recherche - Onderscheid - Criterium - Artikel 28bis, § 2, Sv. Fiche 2 Het komt aan de rechter toe te oordelen of omwille van de reeds beschikbare informatie het stadium van het zuiver "redelijk vermoeden" overstegen wordt en geen nood meer is aan een verkennende informatiegaring, zoals bedoeld in artikel 28bis, § 2, Wetboek van Strafvordering; het Hof kan alleen nagaan of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen
(1).
(1)Cass., 4 juni 2002, AR P.02.0387.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020604.5, nr 340, met concl. O.M. Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Algemeen (opsporing - onderzoek) Vrije woorden: Strafzaken - Opsporingsonderzoek - Proactieve recherche - Beoordeling - Toetsing door het Hof - Marginale toetsing Fiche 3 Overeenkomstig artikel 235bis, § 6, Wetboek van Strafvordering, spreekt de kamer van inbeschuldigingstelling, als daartoe grond bestaat, de nietigheid uit van de handeling die erdoor is aangetast en van een deel of het geheel van de erop volgende rechtspleging; geen wetsbepaling verplicht de rechter ambtshalve in zijn uitspraak te vermelden dat de overige handelingen niet door de nietigheid zijn aangetast. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Algemeen (opsporing - onderzoek) Vrije woorden: Zuivering van de rechtspleging - Niet door nietigheid aangetaste handelingen - Opdracht van de rechter - Draagwijdte - Artikel 235bis, § 6 Fiche 4 De inverdenkinggestelde die om de zuivering van het dossier verzoekt, niet enkel van de door de rechter onregelmatig bevonden stukken, maar tevens van alle andere stukken die erop steunen of naar verwijzen, zonder verdere specificatie van die stukken, herhaalt slechts de in artikel 235bis, § 6, Wetboek van Strafvordering, omschreven verplichting, en verplicht de rechter niet om te vermelden dat de overige handelingen niet door de nietigheid zijn aangetast. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Algemeen (opsporing - onderzoek) Vrije woorden: Zuivering van de rechtspleging - Verzoek van de inverdenkinggestelde - Verzoek tevens gericht op de zuivering van alle andere stukken die op het nietige stuk steunen - Geen specificatie van deze andere stukken - Opdracht van de rechter - Draagwijdte - Artikel 235bis, § 6 Tekst van de beslissing Nr. P.07.0685.N I L H., inverdenkinggestelde, eiser, met als raadsman mr. Paul Geuens, advocaat bij de balie te Antwerpen. II AXA BANK BELGIUM nv, met zetel te 2600 Berchem, Grotesteenweg 214, inverdenkinggestelde, eiseres. III J. B., inverdenkinggestelde, eisers, met als raadslieden mr. Frank Marneffe en mr. Patrick Waeterinckx, advocaten bij de balie te Antwerpen. IV H. B., inverdenkinggestelde, eiser, met als raadsman mr. Philip Traest, advocaat bij de balie te Brussel, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar de eiser woonplaats kiest. V B. D. L., , inverdenkinggestelde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie. VI
  1. J.-L. W., , inverdenkinggestelde,
  2. AAREAL BANK AG, vennootschap naar Duits recht, met zetel te D-10719 Berlijn (Duitsland), Kurfürstendamm 33, met Belgisch bijkantoor te 1040 Brussel, Guimardstraat 7, inverdenkinggestelde, eisers, met als raadsman mr. Bart Spriet, advocaat bij de balie te Turnhout. VII ORMOND FINANCE sa, vennootschap naar Panamees recht, met resident agent Patton Moreno & Asvat (advocaten), met zetel te Torre HSBC Bank, piso 6, Avenida Samuel Lewis / Estafeta El Dorado, Apartado 64298, Panama City (Panama), inverdenkinggestelde, eiseres VIII EDENBRIDGE HOLDING inc., vennootschap naar Panamees recht, met resident agent Patton Moreno & Asvat (advocaten), met zetel te Torre HSBC Bank, piso 6, Avenida Samuel Lewis / Estafeta El Dorado, Apartado 64298, Panama City (Panama), inverdenkinggestelde, eiseres IX E. R., , inverdenkinggestelde, eiser. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 29 maart
  3. De eisers I en V voeren elk in een memorie een middel aan. De eisers III en IV voeren in een gemeenschappelijke memorie twee middelen aan. De eisers VI voeren in een memorie twee middelen aan. Die memories zijn aan dit arrest gehecht. De overige eisers voeren geen middel aan. Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Enig middel van de eiser I en eerste middel van de eisers III en IV Eerste onderdeel
  4. Het onderdeel voert aan dat de appelrechters de artikelen 28bis Wetboek van Strafvordering en 149 Grondwet hebben geschonden. De eisers stellen dat de appelrechters niet hebben geantwoord op hun verweer dat de recherche proactief was in de fase vóór het aanvankelijke proces-verbaal (fase 2) en dat hun beslissing dat het onderzoek reactief was, onterecht gebaseerd is op informatie die slechts beschikbaar was na een onregelmatig proactief onderzoek bij het kadaster en in het register van de hypotheekbewaarder. (fase 3)
  5. Artikel 28bis, § 2, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat onder proactieve recherche wordt verstaan, met het doel te komen tot het vervolgen van daders van misdrijven, het opsporen, het verzamelen, registreren en verwerken van gegevens en inlichtingen op grond van een redelijk vermoeden van te plegen of reeds gepleegde maar nog niet aan het licht gebrachte strafbare feiten, en die worden of zouden worden gepleegd in het kader van een criminele organisatie, zoals gedefinieerd door de wet, of misdaden of wanbedrijven als bedoeld in artikel 90ter, §§ 2, 3 en 4, uitmaken of zouden uitmaken.
  6. Aanleiding tot de proactieve recherche is het enkel bestaan van een redelijk vermoeden van een misdrijf, dat een verkennende dader- en fenomeengerichte informatiegaring verantwoordt. Informatie over nog te plegen feiten of reeds gepleegde maar nog niet aan het licht gebrachte strafbare feiten, die dusdanig concreet is dat die feiten een in de tijd en ruimte bepaalbaar misdrijf gaan vormen, houdt geen verband met de in artikel 28bis, § 2, Wetboek van Strafvordering bedoelde gegevensverwerking maar verplicht tot het opstellen van een proces-verbaal overeenkomstig artikel 40 Wet Politieambt, het vatten van de daders en het verzamelen van bewijzen. Ongeacht de omstandigheid dat ook daarbij gegevens moeten worden ingezameld als bijkomend bewijsmateriaal of tot identificering van de daders, vormen die opsporingen geen proactieve recherche die een voorafgaande geschreven toestemming zouden behoeven.
  7. Het komt aan de rechter toe te oordelen of omwille van de reeds beschikbare informatie het stadium van het zuiver "redelijk vermoeden" overstegen wordt en er geen nood meer is aan een verkennende informatiegaring, zoals bedoeld in artikel 28bis, § 2, Wetboek van Strafvordering. Het Hof kan alleen nagaan of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
  8. De appelrechters hebben geoordeeld dat: - de opsporingen door nazicht van het kadaster en het raadplegen van de notariële akten bij de hypotheekbewaarder gestart zijn op grond van informatie uit het verslag van de parlementaire commissie van onderzoek naar de georganiseerde criminaliteit in België en op grond van een aantal mediaberichten van een senator; - in het kader van de aangewezen feiten een punctueel nazicht werd gedaan, zoals omschreven in tijd en ruimte; - het specifieke ten laste gelegde misdrijf reeds werd aangehaald en verdachten werden geïdentificeerd; - de aldus beschikbare informatie, zoals omschreven in het aanvankelijke en in het aanvullende proces-verbaal, verder reikt dan alleen een redelijk vermoeden dat noopt tot informatievergaring in de zin van opsporen, verzamelen, registreren en verwerken van gegevens en inlichtingen; - de beschreven informatie betrekking had op een formele tenlastelegging, waaronder dient te worden verstaan een in tijd en ruimte bepaald misdrijf; - de politie aan de hand van de beschikbare informatie gericht en reactief te werk kon gaan, zonder nood aan een verkennende informatievergaring naar fenomenen of dadergroepen.
  9. Met die redenen hebben de appelrechters het verweer van de eisers beantwoord. Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.
  10. Voor het overige hebben de appelrechters op grond van de voormelde vaststellingen wettig kunnen oordelen dat de recherche reactief en niet proactief was en dat daarvoor dus geen schriftelijke toestemming van de procureur des Konings vereist was. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  11. De appelrechters geven geen uitlegging van de door de verbalisant aangewende woordkeuze in het aanvankelijk proces-verbaal van 23 april 2001, maar beoordelen de bewijswaarde van dit proces-verbaal. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde, vierde en vijfde onderdeel
  12. De onderdelen bekritiseren het oordeel van de appelrechters in verband met de regelmatigheid van het bewijs in de onderstelling dat de door de verbalisant verrichte aanvankelijke opsporing toch een proactieve recherche zou uitmaken.
  13. Zoals blijkt uit het antwoord op het vergeefs aangevoerde eerste onderdeel, oordelen de appelrechters evenwel wettig dat voor deze opsporingen geen voorafgaande geschreven toestemming was vereist, zodat de onderdelen, ook al waren zij gegrond, niet tot cassatie kunnen leiden, en aldus niet ontvankelijk zijn. Tweede middel van de eisers III en IV Eerste onderdeel
  14. Niet de rogatoire opdracht zelf, maar de processen-verbaal ter uitvoering van deze opdracht worden door de appelrechters nietig verklaard wegens onherstelbare miskenning van substantiële pleegvormen en zij worden uit het strafdossier verwijderd.
  15. Voorts kwalificeren de appelrechters de door de eiser in conclusie aangehaalde passage van het synthese proces-verbaal als een mening van de onderzoekers die "geen gegevens [onthult] die voortspruiten uit de nietige stukken van de ingetrokken ambtelijke opdracht in Israël".
  16. Aldus beoordelen zij niet enkel de bewijswaarde van dit citaat, maar gaan zij ook aan de hand van het relaas door de onderzoekers van de betrokken procedurestappen, de draagwijdte van deze passage na met het oog op een eventuele vernietiging en verwijdering uit het dossier met toepassing van artikel 235bis, § 6, Wetboek van Strafvordering.
  17. Zodoende geven zij van de bladzijden 22 en 23 van dit synthese proces-verbaal een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  18. Niet de rogatoire opdracht zelf, maar de processen-verbaal ter uitvoering van deze opdracht worden door de appelrechters nietig verklaard wegens onherstelbare miskenning van substantiële pleegvormen en uit het strafdossier verwijderd.
  19. Voorts kwalificeren de appelrechters de door de eiser in conclusie aangehaalde passage van het synthese proces-verbaal als een mening van de onderzoekers die "geen gegevens [onthult] die voortspruiten uit de nietige stukken van de ingetrokken ambtelijke opdracht in Israël".
  20. Anders dan het onderdeel aanvoert, hebben de appelrechters wettig kunnen oordelen dat het relaas door de onderzoekers van de betrokken procedurestappen niet wordt aangetast door de vermelde onherstelbare miskenning van pleegvormen noch voor een deel of geheel volgt uit voormelde vernietigde processen-verbaal. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  21. Zoals blijkt uit het antwoord op het vergeefse aangevoerde eerste onderdeel beoordelen de appelrechters niet enkel de "mening" van de verbalisanten maar ook het relaas van de betrokken procedurestappen waarop de verbalisanten deze mening laten steunen, zoals vermeld op bladzijde 22 en 23 van het synthese proces-verbaal. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Vierde onderdeel
  22. Overeenkomstig artikel 235bis, § 6, Wetboek van Strafvordering, spreekt de kamer van inbeschuldigingstelling, als daartoe grond bestaat, de nietigheid uit van de handeling die erdoor is aangetast en van een deel of het geheel van de erop volgende rechtspleging.
  23. Geen wetsbepaling verplicht de rechter ambtshalve in zijn uitspraak te vermelden dat de overige handelingen niet door nietigheid zijn aangetast. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Vijfde onderdeel
  24. De inverdenkinggestelde die om de zuivering van het dossier verzoekt, niet enkel van bepaalde stukken, maar eveneens van "alle andere stukken die erop steunen of naar verwijzen", zonder verdere precisering van die stukken, herhaalt slechts de in artikel 235bis, § 6, Wetboek van Strafvordering, omschreven verplichting, en verplicht de rechter niet om te vermelden dat de overige handelingen niet door nietigheid zijn aangetast. Het onderdeel faalt naar recht. Middel van de eiser V
  25. Het middel voert aan dat het laatste aan de eiser ten laste gelegd feit dagtekent tussen 31 december 1996 en vóór 13 maart 1997, en dat bij gebrek aan schorsing of een nuttige stuitingsdaad, op het ogenblik van de uitspraak van het bestreden arrest op 29 maart 2007 de strafvordering reeds was verjaard.
  26. De appelrechters oordelen dat de betrokkenheid van de eiser eindigde ‘in 1997', en in de voor hem meest gunstige berekening de strafvervolging derhalve niet is verjaard, gelet op de stuiting op 28 mei
  27. De voor de eiser "meest gunstige berekening van feiten in 1997" betreft feiten gepleegd op 1 januari 1997, in welk geval bij afwezigheid van schorsing van de verjaring van de strafvordering, een vervolgings- of onderzoeksdaad gesteld op 28 mei 2002 geen nuttig stuitend effect kan hebben. Het middel is gegrond. Eerste middel van de eisers VI
  28. De appelrechters stellen vast, eendeels, dat het verzuim van de beroepen beschikking om te antwoorden op het verweer van de eisers met betrekking tot het bestaan van een misdrijf kan hersteld worden binnen de devolutieve kracht van het hoger beroep, anderdeels, dat deze beschikking het bestaan van voldoende bezwaren heeft vastgesteld, ook ten aanzien van de eisers. Zodoende verantwoorden zij naar recht hun beslissing deze beschikking niet met toepassing van artikel 215 Wetboek van Strafvordering te vernietigen en de zaak te evoceren. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel van de eisers VI
  29. Door te oordelen dat de gegevens, omschreven in de aangehaalde processen-verbaal en door de raadkamer als voldoende bezwaren weerhouden, ook gelden ten aanzien van de eisers, geven de appelrechters van de verwijzingsbeschikking van de raadkamer een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. Het middel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
  30. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt dat de strafvordering ten aanzien van de eiser V niet vervallen is door verjaring. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Laat de kosten van het cassatieberoep van de eiser V ten laste van de Staat. Veroordeelt de overige eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld. Begroot de kosten in het geheel op 854,41 euro waarvan op het cassatieberoep van de eiser V 448,52 euro verschuldigd is en waarvan de overige eisers elk 50,74 euro verschuldigd zijn. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère en Koen Mestdagh, en op de openbare terechtzitting van 2 oktober 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Conny Van de Mergel. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071002.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210113.2F.1 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240319.2N.15 precedenten: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020604.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130326.5 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220301.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.