id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071002.4 Rolnummer: P.07.0988.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2007-10-23 Raadplegingen: 487 - laatst gezien 2026-07-04 01:04 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Ook al wordt er geen cassatiemiddel over aangevoerd, toch moet het Hof van Cassatie wanneer er een vraag als bedoeld in artikel 26, § 1, 3°, Bijzondere Wet Arbitragehof rijst, een prejudiciële vraag stellen aan het Grondwettelijk Hof
(1).
(1)Zie Cass., 9 sept. 1992, AR 9850, A.C., 1992, nr 601 en noot; Cass., 14 juni 1994, AR 6736, A.C., 1994, nr 303; DECLERCQ R., Beginselen van Strafrechtspleging, 3de ed., 2003, nr 103, p.
- Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Algemeen Vrije woorden: Prejudicieel geschil - Prejudiciële vraag - Hof van Cassatie - Artikel 26, § 1, 3°, Bijzondere Wet Arbitragehof - Verplichting Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Algemeen Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Hof van Cassatie - Artikel 26, § 1, 3°, Bijzondere Wet Arbitragehof - Verplichting Fiches 3 - 4 Wanneer het Hof van Cassatie vaststelt, enerzijds, dat, anders dan in het geval van een controle van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie bij toepassing van de artikelen 189ter en 235ter, Wetboek van Strafvordering, artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering een onmiddellijk cassatieberoep toelaat tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling gewezen bij toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering en, anderzijds, dat de procedure van de artikelen 189ter en 235ter Wetboek van Strafvordering aan de ene kant en de procedure van artikel 235bis aan de andere kant dermate vergelijkbaar zijn dat de vraag rijst of dit onderscheid wel verenigbaar is met het gelijkheidsbeginsel neergelegd in de artikelen 10 en 11 Grondwet, stelt het hierover ambtshalve een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Algemeen Vrije woorden: Prejudicieel geschil - Prejudiciële vraag - Hof van Cassatie - Artikel 26, § 1, 3°, Bijzondere Wet Arbitragehof - Onderscheid mogelijkheid onmiddellijk cassatieberoep bij toepassing artikel 235bis of de artikelen 189ter en 235ter Sv. - Vergelijkbare procedures - Verenigbaarheid van dit onderscheid met de artikelen 10 en 11 GW - Verplichting voor het Hof van Cassatie - Ambtshalve prejudiciële vraag Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Algemeen Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Hof van Cassatie - Artikel 26, § 1, 3°, Bijzondere Wet Arbitragehof - Onderscheid mogelijkheid onmiddellijk cassatieberoep bij toepassing artikel 235bis of de artikelen 189ter en 235ter Sv. - Vergelijkbare procedures - Verenigbaarheid van dit onderscheid met de artikelen 10 en 11 GW - Verplichting voor het Hof van Cassatie - Ambtshalve prejudiciële vraag Tekst van de beslissing Nr. P.07.0988.N J. S., beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Hans Rieder en mr. Joris Van Cauter, advocaten bij de balie te Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 11 juni
- De eiser voert in een memorie een middel aan. Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat overeenkomstig de artikelen 189ter en 235ter Wetboek van Strafvordering controle uitoefent over de toepassing van hier de bijzondere opsporingsmethode observatie en infiltratie.
- Artikel 235ter, § 6, Wetboek van Strafvordering bepaalde dat tegen de controle van het vertrouwelijk dossier door de kamer van inbeschuldigingstelling geen rechtsmiddel openstaat. Dit bracht met zich dat daartegen geen cassatieberoep kon worden ingesteld. Het Grondwettelijk Hof heeft evenwel bij arrest nr. 105/2007 van 19 juli 2007 artikel 235ter, § 6, Wetboek van Strafvordering vernietigd. Aldus is het gemeen recht terug toepasselijk.
- Artikel 416, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat cassatieberoep tegen voorbereidende arresten en arresten van onderzoek of tegen in laatste aanleg gewezen vonnissen van dezelfde soort eerst openstaat na het eindarrest of het eindvonnis; de vrijwillige tenuitvoerlegging van die voorbereidende arresten of vonnissen kan in geen geval als middel van niet-ontvankelijkheid worden ingeroepen. Artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt evenwel dat het vorige lid niet van toepassing is op arresten of vonnissen inzake bevoegdheid of met toepassing van de artikelen 135 en 235bis, noch op arresten of vonnissen inzake de burgerlijke rechtsvordering die uitspraak doen over het beginsel van aansprakelijkheid, noch op arresten waarbij overeenkomstig artikel 524bis, § 1, uitspraak wordt gedaan over de strafvordering en een bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen wordt bevolen, noch op verwijzingsarresten overeenkomstig artikel 57bis van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade.
- Een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat overeenkomstig de artikelen 189ter en 235ter Wetboek van Strafvordering controle uitoefent over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethode observatie en infiltratie, is enerzijds een voorbereidend arrest en is anderzijds niet begrepen onder de uitzonderingen vermeld in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. Hieruit volgt dat tegen dit arrest maar eerst cassatieberoep openstaat na het eindarrest of eindvonnis. Bijgevolg zou het cassatieberoep niet ontvankelijk zijn.
- Overeenkomstig artikel 235bis Wetboek van Strafvordering onderzoekt de kamer van inbeschuldigingstelling, bij de regeling van de rechtspleging of in de andere gevallen waarin ze kennisneemt van de zaak, de regelmatigheid van de rechtspleging. Anders dan in het geval van een controle van de bijzondere opsporingsmethode observatie en infiltratie, laat artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering cassatieberoep toe tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling gewezen bij toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering. De procedure van de artikelen 189ter en 235ter Wetboek van Strafvordering van de ene kant en de procedure van artikel 235bis van de andere kant zijn evenwel dermate vergelijkbaar dat de vraag rijst of dit onderscheid wel verenigbaar is met het gelijkheidsbeginsel neergelegd in de artikelen 10 en 11 Grondwet. Het Hof stelt hierover ambtshalve een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. Dictum Het Hof, Houdt elke verdere beslissing aan totdat het Grondwettelijk Hof zal geantwoord hebben op volgende prejudiciële vraag: "Schenden artikel 235ter en/of artikel 416, tweede lid, van Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat daarin niet wordt voorzien in een onmiddellijk cassatieberoep tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling bij een controle van het vertrouwelijk dossier overeenkomstig de artikelen 189ter en/of 235ter van het Wetboek van Strafvordering dat een voorbereidend arrest is, terwijl artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, in afwijking van het eerste lid van dat artikel, onmiddellijk cassatieberoep toelaat tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling gewezen met toepassing van artikel 235bis van het Wetboek van Strafvordering betreffende het onderzoek van de regelmatigheid van de rechtspleging dat een gelijkaardig voorbereidend arrest is als dit gewezen bij toepassing van artikel 235ter van het Wetboek van Strafvordering?" Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare terechtzitting van 2 oktober 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Conny Van de Mergel. PDF document ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071002.4 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090203.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div